{"1": {"fulltext": "", "height": "4584", "width": "2972", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0001.jp2"}, "2": {"fulltext": "", "height": "4236", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0002.jp2"}, "3": {"fulltext": "", "height": "4447", "width": "2817", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0003.jp2"}, "4": {"fulltext": "", "height": "4298", "width": "2459", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0004.jp2"}, "5": {"fulltext": "", "height": "4348", "width": "2672", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0005.jp2"}, "6": {"fulltext": "", "height": "4308", "width": "2672", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0006.jp2"}, "7": {"fulltext": "JACOB GEEL.\\nONDERZOEK EN PHANTASIE.\\nGESPREK OP DEN DRACHENFELS.\\nHET PROZA.", "height": "4356", "width": "2640", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0007.jp2"}, "8": {"fulltext": "", "height": "4336", "width": "2652", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0008.jp2"}, "9": {"fulltext": "JACOB GEEL\\nONDERZOEK EN PHANTASIE.\\nGESPREK OP DEN DRACHENFELS.\\nHET PROZA.\\nMET EENE VOORREDE\\nW. P. W O L T E R S.\\n3 3 5\\n3 D\\nLEIDEN,\\nGEBROEDERS VAN DER HOEK.\\n1871.", "height": "4384", "width": "2620", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0009.jp2"}, "10": {"fulltext": "4 6 (O i\\nCl\\nTER BOEKDBUKKERIJ VAN J. C. DRABBE.", "height": "4352", "width": "2704", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0010.jp2"}, "11": {"fulltext": "INHOUD.\\nBladz.\\nOnderzoek ex Phaxtasie 1 194.\\n1. Over het reizen 1 32.\\n2. Tafelgesprek over zaken van groot gewigt 33 56.\\n3. Over de pligten van een toehoorder 57 73.\\n4. Iets opgewondens over het eenvoudige 74 94.\\n5. Gesprek op een leidschen buitensingel over\\npo\u00c3\u00abzij en arbeid 95 118.\\n6. Xienwe karakter- verdeeling van den stijl 119 138.\\n7. Het blijspel bij de Grieken 139\u00e2\u0080\u0094159.\\n8. Over het Delphische orakel 160\u00e2\u0080\u0094194.\\nGesprek op dex Drachexfels 195 240.\\nHet Proza 241\u00e2\u0080\u0094272.", "height": "4364", "width": "2648", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0011.jp2"}, "12": {"fulltext": "Un bouvier, uu masson, un passant, il fault tout mettre en\\nbesongne, et emprtinter chascun selon sa marchandise, car tout sert en\\nmesnage.\\nDE MONTAIGKE.", "height": "4348", "width": "2660", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0012.jp2"}, "13": {"fulltext": "VOORREDE VAX DEX TWEEDEX DRUK.\\nIn dezen herdruk mijner Opstellen Jieh ik gepoogd liet\\nvroeger geschrevene te zuiveren maar niets van eenig belang\\nafgesneden noch bijgevoegd hoewel mijne meening omtrent som-\\nmige dingen eenigzins gewijzigd is. De omwerking van een\\nrhetorisch opstel is niet moeijel jk maar eene dialogische voor-\\ndragt, die het gesprokene met den toestand der sprekers tot\\neen dramatisch geheel verbindt, heeft eene vaste symmetrie: ze\\nveranderen is ze vernielen.\\nBijna even moeijelijk is het veranderingen te maken in een\\nvertoog, rustende op een beginsel dat een diepen grond heeft\\nin de overtuiging van den schrijver. Wie reet niet dat er vin-\\nnig gestreden kan worden, en veel gestreden is, over den oor-\\nsprong der dramatische poe zij? Wat ik over het Blijspel der\\nGrieken geschreven heb, komt mvj thans nog aannemelijk voor.\\nIk ben nog steeds overtuigd dat men langs den historisch en\\nweg meer licht vindt, dan in de diepte eener abstractie, waar\\nde verschillende meeningen naar elkander rondt ast en.\\nWie eenig belang stelt in het onderzoek omtrent het Delphi-\\nsche Orakel vergelijke thans mijn resultaat met dat van Prof.\\nvan Limburg Brouwer in het VI Deel der Civ\u00c3\u00bcisation. Mijn\\ngeleerde vriend heeft mij met tegenspraak vereerd, die mijne\\nstelling doet wankelen. Zij ligt evenwel nog niet ter neder, en\\nik heb gemeend het Opstel niet achterwege te moeten laten.\\nIk weet dat er zijn die de Voorrede niet geschreven en vooral\\nniet herdrukt, wemelden. Het doet mij leed dat ik niet begrij-\\npen kan, waarom. Is dan eene stelling als deze:", "height": "4364", "width": "2672", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0013.jp2"}, "14": {"fulltext": "II\\n\u00e2\u0080\u009eAlle reactie, zonder actie, is ijdel gescherm. Het talent\\nkomt in de maling en dreigt zich zelf te verduisteren wanneer\\nliet zich waagt aan een verheven levensbeschouiving met vernuft\\nzonder diepte van loetenschap en ondervinding. De geest ge-\\nwent zich ligt voort te sukkelen in een negative rigting omdat\\nhet veel gemakkelijker schijnt, af te breken dan op te bouwen.\\nWerking en tegemverking op zich zelve als krachtoefening van\\nhet vernuft beschouwd, hebben ieder een punt van uitgang en\\neene soort van spiraalloop. De eerste wendt zich met een klein\\nbegin naar buiten om de laatste begint misschien met een grooten\\nzwaai, doch keert zich naar binnen. De eerste breidt zich uit, de\\nlaatste krimpt zich in. De eerste heeft geen einde, de laatste\\nloopt uit in afmatting van het gepijnigd talent en stilstand:\\nIs zulk eene stelling dan zoo alledaagsch? en is ons veel-\\nlezend publiek dan zoo innig bekend met hare waarheid? en\\nhoe velen hebben er, met belangstelling in onze letteren, over\\nnagedacht? Ja, maar de vorm! is mijn eigendom: ik\\nben er aan niemand iets van verschuldigd. Ja, maar die\\noude heer! is niets meer dan mijn strooijen pop. Hadt gij\\ngeiv\u00c3\u00afld dat ik er een jongen van gemaakt had? Al wat abstract\\nis, zal, denk ik, abstract blijven, en al toat ver eer end en\\nzuiver bedoeld is, zal noch beleedigend noch onrein worden, al\\nvond een Pseudonymus goed, zonder gezonde redenen, zich be-\\nkend te maken, en te roepen, \u00e2\u0080\u009ezij hebben mij toch herkend!\\nDit zou even kinderachtig onbescheiden wezen, als de geschreven\\nof gezongen toepassingen van anderen onnoodig en lomp zijn.\\nDe Uitgever heeft aangekondigd dat een vroeger afzonderlijk\\nuitgegeven Gesprek op den Drachenfels in deze verzameling\\nherdrukt zou ivorden. Het is mijne schuld dat hij geen ivoor d\\nheeft kunnen houden.\\nJ. G.", "height": "4352", "width": "2664", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0014.jp2"}, "15": {"fulltext": "VOORREDE VM DEN EERSTEN DRUK.\\nEr zijn bast aar d vormen in de kunst, even als- in de natuur,\\nWanneer de mensch er zijn hand in gehad heeft. Toen ik dit\\nwerk ging drukken, is er twist geiceest tusschen den Uitgever\\nen ynij. Over het getal regels, en het getal en de gedaante\\nder letters op iedere bladzij icaren ?vij het spoedig eens. \u00e2\u0080\u009eEr\\nmoet niet te veel op staan, zeide ik: nietigheden /naken op een\\nkleine bladzijde eenige vertooning! Maar hoogte en breedte\\nvan het papier gaven warmer geschil. Zoo wenschte ik ze,\\nzeide ik. Maar Mijnheer antwoordde de Uitgever, zulk een\\nvorm bestaat niet: hij is hybridisch: mijn eer is met gemoeid.\\nDie vorm zal bestaan, ican?ieer ik dien maak, beweerde ik: al is\\nhet hybridische een onding, het is toch een ding. Tegen dit\\nargument had de Uitgever niets in te brengen, hoewel l hij ongaarne\\nzij,i idee\u00c3\u00abnwereld, der papiervor/nen opgaf: het troostte heul dat\\nhet boek toch een ding zou blijven en wij besloten dat men niet\\nmet rekken, maar met afsnijden, mijn ideaal bereiken zon.\\nHet is ontstaan uit de ant\u00c3\u00afb\u00c3\u00afbliopolische vereeniging van den\\nfabriekvorm met de schaar. Het berouwt mij, nu het te laat is.\\nBe mensch en zijn stijl zijn \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n: dat heb ik ergens zoo\\nhelder gemaakt als de dag is: de stijl is een moeijelijk ding:\\nwaaruit volgt, geloof ik, dat de mensch een moeijelijk ding is.\\nHet ivordt mij duidelijk door een geweldigen sprong, dien ik\\nniet tegen kan houden, en die mijne gedachte in eens van den\\nhybridischen papiervorm op hybridischen stijlvorm brengt. Ik\\nheb er een in het oog gekregen: ook is het een yerschijxsel\\nen daar ik toch een Voorrede moet schrijven, waarin iets over", "height": "4388", "width": "2656", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0015.jp2"}, "16": {"fulltext": "IV\\nstijloefening gevonden wordt en mijne eigene gedachten niet\\nwillen opschieten moet ik mij wel aan iets vastklemmen,\\nwaarin gang is. Het verschijnsel, waarvan ik spreek, is\\neen klein opstel; maar ik vind soms meer genot of smart in\\ntwee bladzijden van een geacht Tijdschrift, dan in gansche\\nboekdeelen, en ik zal daarom moeten beproeven of het opstel\\nmij vooruitsleept of achteruit. Het zal geworstel geven: dat\\nvoorzie ik: want zoo ik bemerk dat ik achteruitgetrokken\\nword, dan zal ik doen wat in mijn vermogen is om den\\nopsteller, en allen die achter hem gaan, vooruit te krijgen.\\nDe vorm van het verschijnsel is van twee naturen, dat is 9\\ncontra naturam, toaarvan geen voortplanting mogelijk is. Wilt\\ngij een muildier hebben, breng een paard en een ezel bij elkaar:\\nwilt gij er nog een hebben alweder een ezel en een paard.\\nHet gaat even hybridisch toe in de vereeniging van ernst en\\nluim, wanneer zij zoodanig verbonden zijn, dat de ernst regtuit\\nkijkt, en dat men duidelijk ziet wat hij in het oog gevat heeft,\\nterwijl de luim nu en dan met dat zelfde oogpunt solt, in plaats\\nvan ruiterlijk en aanhoudend te sollen met de voorwerpen, die zijn\\noog in den weg staan. Bij zulk eene beschouwing komt er een\\nbastaardopstel te voorschijn, dat geen genetische kracht heeft\\ngeen onderdeel der kunst is waarop men voortarbeiden kan.\\nBe Schrijver heeft ernst en luim door elkaar gemengd, op\\nzijne wijze: ik zal een mengelmoes maken, op de mijne: waM\\nluim heb ik niet, zoo veel ik weet. Wie zelf zegt dat hij iets\\nluimigs schrijft, of gaat schrijven, heeft ze volstrekt niet:\\ndat zien wij: het loopt op een grap uit: het is alsof iemand\\nzeide: \u00e2\u0080\u009ehier kom ik met een kruik tvijn aan: past op, dat gij\\nu niet dronken drinkt P\\\\ en hij schenkt, en het is water;\\nal wie nu gevoelt dat hij luim heeft, waarom zou hij het niet\\nronduit zeggen? Het is even onschuldig, alsof men zeide \u00e2\u0080\u009eik\\nheet Jacob atqui ergo heeft waarschijnlijk niemand luim. Ik\\nh\u00c3\u00a9b zelden beter cunclusie gemaakt.", "height": "4360", "width": "2696", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0016.jp2"}, "17": {"fulltext": "Ik zal nu maar weder op nieuw beginnen; ik verzoek den\\nKunstenaar eens geheel buiten zijn kunststuk te gaan staan,\\nnaast mij al moesten wij, onder de kunstbeschouwing, zomen\\nvrolijk worden. Maar ik zal mijn best doen om ernstig te\\nblijven, Rij is pseudonym, en dat geeft ons de handen vrij:\\nzijn waren naam ken ik niet: ik wil dien niet kennen: ik\\ndenk dat hij nooit bekend zal worden.\\nWir unsrerxeits to.dein sie nicht, dass sie dieses\\nunreife Product anfnahmen: denn wenn ein Archiv\\nZeugnisse van der Art e -ne Zeifalters aufb\u00c3\u00a9ha\u00c3\u00bcen\\nsoll so ist es zufflekh seine Plicht auch dessen\\nUnarten zit verenigen.\\nG\u00c3\u00b6THE.\\nIn den Gids, n\u00c2\u00b0. X. 1837, staat uw geestig artikel Voor-\\nuitgang. Gij zijt een hoog bejaard man, die veel doorgedacht\\nen door geoordeeld en doorgevoeld hebt. en van iviens bevindin-\\ngen de slotsom ijdelheid der ijdelheden is. Ik bedoel de\\nijdelheid, die gij buiten u vindt: gij vindt ze in de tegen-\\nwoordige opvoeding en in meest alle wetenschappen. Ik wemelde\\nwel, oude paai! dat gij icat strenger verband tusschen luim en\\nernst gemaakt liadt. Geest en humeur kunnen een diepen\\ngrond hebben maar zij moeten peilbaar wezen of het heeft\\nligt den schijn dat men eene paradox najaagt, of onzin neder\\nschrijft. Doch gij hebt slechts gespeeld. Wij zullen zien:\\nmaar stijl blijft stijl, zelfs in het spel. Gij schrijft:\\nSpoken! o ik heb allen eerbied voor ons beter licht,\\nmaar het spijt rnij razend, dat er geene spoken zijn.\\nIk wenschte er aan te gelooven, aan spoken en aan\\ntoovergodinnen O Moeder de Gans.\\nZiet gij wel? het herstel van het spokenrijk hebt gij in het\\noog; maar de eerbied voor het betere licht staat u in den weg:\\ndaarom solt gij met dat licht. Dat kan er door; maar nu\\nkomen Moeder de Gans en een reeks kinderleg enden, en\\neen man van jaren bejammert het dat hij er niet meer aan", "height": "4364", "width": "2620", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0017.jp2"}, "18": {"fulltext": "VI\\ngelooven mag. Ziet gij wel dat gij nu weer met het spoken-\\nrijlc solt? Het is goede ernst en verkeerde luim, en daarom\\neen hybrida. Wat wilt gij dan toch eigenlijk? Wie belet u\\naan Moeder de Gans te gelooven? Waarom schrijft gij niet:\\n)f het spijt mij razend dat ik niet meer op een hobbelpaard\\nmag rijden: stokpaard, paplepel, o kaartenhuis Wie hindert\\nuw genoegen, aedificare casas, equitare in arundine longa?\\nIk ben zeker dat gij het blindemansspel nog niet vergeten hebt.\\nMaar, Oude! gij hebt uw lezers een oogenblik beet gehad.\\nUw eenige bedoeling is misschien, de tegenwoordige kinder-\\nboeken te hekelen, al lagchende: quid vetat? Ik geef de\\nmeeste aan u prijs, en ik heb, even als gij een afkeer van\\nontkinderde mannetjes. Maar omdat sommige hinderen de historie\\nvan Bldauwbaard zoo goed niet meer van buiten kennen, of ons\\ndreigen dat zij, ouder geworden, zeggen zullen: het is een leugen,\\nwilt gij daarom het geloof aan spoken terugroepen? Wel zeker\\nEene kinderziel wil hare verschrikkingen hebben. Het\\nwonderbaarlijke hoe verlokkelijk is het! of is het\\nu niet een genoegen spook- en wondergeschiedenissen\\nte lezen? Ik voor mij lees swedenborg liever dan\\nbalthazar bekkee-. Gij doorbladert de Mille et une\\nnuit met genoegen; een onzer eerste mannen leest ze\\nsedert onheugelijke jaren dagelijks. Gij gaat toover-\\nballetten zien; gij zijt de vrijwillige dupe [dupe? wat\\nschermt gij met verkeerde woorden! Zoo dikwijls ik de\\nAthalie heb zien geven, heb ik de Vorstin zelve niet\\ngemeend te zien, maar de kunst genoten] van eenen\\neaust, eenen SAMi\u00c3\u00abL en een Cheval de Bronze. Het\\nbovenzinnelijke, het onbegrijpelijke streelt u [dat is\\nwas anders]. Wel nu, die trek is bij uwe kinderen\\nnog grooter. Laat der jeugd hare wonderen! aan\\nhaar al het schitterende der schatrijke yerziering, aan\\nhaar Brisemontagne aan haar de schoone Slaapster,", "height": "4356", "width": "2696", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0018.jp2"}, "19": {"fulltext": "VII\\naan haar den Rijst- en Brijberg en Luilekkerland;\\nvoor n de flaauwe dorre, ware werkelijkheid, voorn onze\\nkleine groote mannen onze wakende leelijken en onze\\narme wereld, waar rnen niets gratis heeft; [gij hebt een\\nkarige bui dat is eerlijk gedeeld of zoudt gij willen\\ndat kinderen zoo wijs zonden zijn als gij kinderachtig zijt?\\nWie de man is, dien gij bedoelt, iceet ik niet, maar ik ken\\ner eenen, dien ik hoogacht. Ik heb hem hoor en verhalen dat\\nhij gewoonlijk, na het middagmaal, met dat wonderboek in de\\nhand, op zijn sofa zacht insluimerde. Mijn man wint het\\nvan den nwen maar ook de mijne heeft een fijn hoofd;\\nzijn verhaal en zijn daad zijn tegelijk de lof en de kritiek\\nvan het boek: Ik ben niet geiooon iemand iets na te doen:\\nen evenwel lees ik veel in de Mille et une; over dit punt\\nzullen wij dus geen geschil hebben. Maar zoo ik uit mee\\nredenering komen kan, eet ik den ganschen Brijberg op. Uwe\\nrhetorische antithesen zijn kunstig: tegen Luilekkerland staat\\nonze arme wereld over, geloof ik: tegenover de schatrijke ver-\\nziering de flaauwe, dorre, ware werkelijkheid. Maar let nu\\neens zelf op het hybridische! Eerst toas die flaauwe werke-\\nlijkheid voor de kinderen niet passend: en nu zegt gij zonder\\nomwegen, dat zij voor volwassen mannen ongeschikt is want\\nterwijl wij ons daarmede bezig houden, zegt gij dat wij kin-\\nderachtig zijn. Dus moeten wij volwassenen aan Luilekker-\\nland gelooven? Hebben is hebben, maar krijgen is de\\nkunst. Voorts staat de schoone slaapster tegenover onze\\nwakende leelijken. Uhetorisch gaat dit goed; maar, oude\\nHeerl in uw jongen tijd zoudt gij slecht uw hof gemaakt\\nhebben bij onze schoone sekse met die kunstfiguur. Of hebt\\ngij toen het liefst gevrijd, als uwe schoone sliep? Dat won\\nveel praten uit. Maar nu die flaauwe, dorre, ware werke-\\nlijkheid, die het treurige lot der volioassenen is. Ik vrees,\\nwaarde vriend/ dat gij m uw lange leven den slag niet ge-", "height": "4388", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0019.jp2"}, "20": {"fulltext": "VIII\\nkregen hebt van ze goed te bezien en op te merken dat waar-\\nheid tot iets Hoogers, tot iets werkends of toelatends, terug-\\nvoert. Laat mij, bid ik u, bij den Gothard stilstaan en\\nin bewondering verstommen en verdiep gij u in den Hijst- en\\nBrij -berg \u00e2\u0080\u009edat is eerlijk gedeeld Wilt gij een Jiaauwe,\\ndorre, ware kom rijst- en brij (de suiker en kaneel voor mij:\\ncela va sans dire) bij mij komen nuttigen, gij zult mij wel-\\nkom zijn; maar een berg van dien kost is mij te veel.\\nEn waai om hebt gij in uwe antithesis aan Blaauwbaard geen\\nplaats gegeven Hij kwam in uw kraam niet te pas: hij was te bar.\\nEn toch geloof ik, dat het geheel afsluiten dier\\nonzigtbare wereld, het volstrekt betrekken der kinder-\\nlijke begrippen tot het gebied van het physiek\\nmogelijke, zijn kwade zijde heeft, en in menige\\njeugdige ziel den grond legt tot een later scepticisme,\\nrationalisme, of ten minste tot cene zekere koelheid\\nvoor een menigte van zaken, die anders op het ge-\\nmoed plegen te werken.\\nIk houd van pragmoMsche behandeling: maar zij moet grond\\nhebben, Oude! Be sceptici, rationalisten en neologen van\\nonze dagen, mannen van stavast, en voor wie ik den handschoen\\nniet opneem, hebben in hunne- jeugd Moeder de Gans en Brise-\\nmontagne zien regeren. In mijn kindschheid geloofde ik, met\\nmijn dogmatismus, dat de spijkers uit de wanden van het schip\\nvlogen, als het voorbij den Magneetberg zeilde, en nu ben ik\\neen pyrrhonist en ik twijfel of gij wel Hildebrand heet. En\\nsla de Romantische Schule van Heine eens op, indien uwe\\noogen die revolutionaire schittering kunneyi doorstaan: gij zult\\ner in vinden wat hij in zijn jeugd al geloofd heeft. Bus be-\\ngrijpt gij dat men in de jonge jaren veel kan ophebben met\\neene schoone slaapster, en later met de wakenden twijfele?i\\nwanneer men vreest dat ergens geen waarheid is. Be kansen\\nstaan gelijk: want ik geloof onder anderen zeker dat een diep", "height": "4360", "width": "2672", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0020.jp2"}, "21": {"fulltext": "IX\\ningeprent geloof aan die toovericereld in de jeugd den grond\\nleggen kan tot een misselijke domme bekrompenheid die niet\\nliet doel eener Hoogere opvoeding van den mensch zijn kan.\\nIk geloof zelfs dat sommigen die kunsttermen scepticismus\\nrationalismus neologie, zoo gedurig in den mond hebben, om-\\ndat een zeker iets, dat zij er tegenover stellen, zoo regt con-\\nfortabel is, en daarbij hun hoofd minder door nadenken gepij-\\nnigd wordt, en hun boeken minder slijten, en des noods de\\nAcademie, en de studie, en de Professoren er bij, gerust kun-\\nnen opkramen hebt gij gestudeerd in uw jeugd? Maar Mijnheer\\nwat willen uwe woorden onzigtbare wereld zeggen? Moeder\\nde Gans, St. Nicolaas, en de sprekende katten Zeg mij\\nnu eens of dat een onzigtbare of een onmogelijke gedrochtelijke\\nwereld is? Ik dacht dat tcij onzigtbaar noemen wat wij niet\\nzien, en toot toch bestaat. Ziet ge wel, dat uw eerste uitroep\\n\u00e2\u0080\u009eo Spoken hybridisch is? G-ij gelooft er aan, en wij zullen\\nu in laarzen van zeven mijlen zien vooruitgaan.\\nArme tijden! In plaats van wonderdieren en won-\\nderkrachten natnurlijke historie en physica in plaats\\nvan toovenarij goochelboeken.\\nOver die antithesen, als kunsttuig bij een andere gelegenheid.\\nIk moet nu slechts opmerken dat toovenarij en gooclielspel nog\\nal naar elkander gelijken; of behoort de toovenarij tot de\\nonzigtbare wereld, en het goochelspel tot de zigtbare? Doch ik\\nlaat dit aan zijn plaats. Die wonderen en wonderkrachten\\ntegenover natuurlijke historie en physica, dat is het humeur\\nwat al te ver gedreven. Ik teil uic dupe niet wezen, Vader!\\nof ernstig gaan beicijzen, dat de koude, fiaauwe, wa? e na-\\ntuurlijke historie en physica ons de wonderen der Schepping\\nleer en kennen, zoo als zij zijn, en niet Der Natueren bloeme\\nvan Maerlandt, noch de bespiegelingen van Bartholomeus den\\nEngelschman. Gij zijt knorrig omdat wij niet meer gelooven\\nmogen dat de o o ij ev aars hunne zivakke ouders op hun rug", "height": "4360", "width": "2648", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0021.jp2"}, "22": {"fulltext": "dragen. W\u00c3\u00a9l! geloof het maar en zweer er op, dat zij\\nmalkaar met hun langen bek een dienst bewijzen: onze Ouden\\ngeloofden h\u00c3\u00a9t ook. Maar, zeg mij, wie heeft zich het eerst\\nbezondigd aan dat treurig onderzoek der Schepping? Want\\ngij moet hooger opklimmen dan Theophrastus en Aristoteles.\\nGij weet het niet? Ik ook niet; maar het onderzoek is ouder\\ndan gij, al zijt gij n\u00c3\u00b3g zoo bedaagd: en ik geloof zelfs, ik\\nzou er op durven te sterven, dat het onderzoek begonnen is\\nvan het oogenblik af dat er een mensch op den aardbodem\\ngeplaatst is: omdat zijn Maker het wilde. Dat vindt gij\\nnaar genoeg: daarom moet de arme Buffon het misgelden:\\nMonsieur Ie baron de Buffon en meerdere liefhebbers\\nvan dien stempel hebben al deze geslachten uitgeroeid\\nnijd en moord blazende tegen alle illusi\u00c3\u00abn, is het\\nals of zij een en grooten maaltijd van al deze ge-\\ndierten hebben aangerigt.\\nMonsieur Ie Baron dat is een scherpe zet! Waarom mogt hij\\ngeen Baron wezen? Indien ik in uw geheele opstel niet zag\\nafgeleefde man dat de zoereld voor u versleten is en gij voor\\nde wereld, dan zou ik denken, dat gij jaloersch zijt. Er zijn\\ngroote mannen geweest, (misschien zijn zij er nog) die hun hoo-\\ngen oorsprong en voorvaderlijken adel uit oude boeken en legen*\\nden, met kinderachtige combinatien poogden op te krabbelen.\\nOf dat van Moeder de Gans en van Blaauwbaard komt, toeet\\nik niet. Zoo gij weinig aan titels hecht, doet gij braaf;\\nmaar laten wij aan niemand een welverdiende onderscheiding\\nbenijden! Doch dit doet eigenlijk niets ter zaak, ook niet\\ndie groote maaltijd, die er oratorisch en rhetorisch niet door-\\nkan, even min als die gedrochten, die gij betreurt, door de\\nkeel van ^Buffon en van meerdere liefhebbers van zijn stempel\\nMaar gij noemt bijna in \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n adem Voltaire den Spotter en\\nBuffon den Natuuronderzoeker. Nu betuig ik u dat gij mij\\nin de war brengt. Was Buffon koud, was hij gevoelloos bij", "height": "4356", "width": "2656", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0022.jp2"}, "23": {"fulltext": "XI\\nde schoonheid der natuur, die hij onderzocht, ?vas er geen\\npectus in sommige van zijn heerlijke stuiken, als hij de icon-\\nderen der Schepping beschreef? of hebt gij geen enkele letter van hem\\ngelezen? Dit laatste kan niet: want uwe oude bevindingen zijn de\\nslotsom van zooveel wetenschap maar dan hebt gij onzin neer-\\ngeschreven. Gij brengt mij v:eer teregt met deze woorden;\\nG\u00c3\u00b6the (of een ander, maar ik meen dat het G\u00c3\u00b6the\\nwas) [G\u00c3\u00b6the de po\u00c3\u00abet of de Schrijver van Werther,\\nB. I. Br. 17. G\u00c3\u00b6the de natuuronderzoeker ?vas een\\nandere persoon] sprak uit mijn hart toen hij micros-\\ncopen en vergrootglazen met zijn anathema trof; [neen,\\nhet was maar mikken.- hij schoot mis] ons oog dacht\\nG\u00c3\u00b6the, of die andere, ons oog en ons schoonheids-\\ngevoel zijn slechts ingerigt en geschikt om de schoon-\\nheid dier wereld te begrijpen, die onder het bereik\\nonzer zinnen valt. Daarom moeten wij ons zelven\\nhet onregt niet doen, ons in eene wereld te begeven,\\nwaarvoor wij geen zin, geene sympathie hebben; die\\nons, aan andere proportien gewend en voor andere\\nvormen ingerigt, leelijk moeten voorkomen; en inder-\\ndaad, daar is voor mijn gevoel iets ondankbaars,\\niets onbescheidens in, in het bezit dezer groote\\naarde, nog datgene te vervolgen wat buiten onze\\nheerschappij ligt: eene nieuwsgierigheid, die wij dan\\nook gewoonlijk met walging, afschuw of ontzetting\\nboeten. Of gevoeldet gij niet een akelig mengsel\\ndezer drie gewaarwordingen toen de oxygeen-micros-\\ncoop u de verschrikkingen van een droppel water\\nvertoonde, en sidderen deed voor de afgrijs selijke\\ngedrochten, die er zich in bewogen? Yoor mij, het\\ngeluk van des morgens met een blij gelaat mijn lam-\\npet aan te grijpen [Ik ben s morgens z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 slaperig dat\\nik er niet aan denk, en somtijds y.iijn lay,ipet omgooi]", "height": "4392", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0023.jp2"}, "24": {"fulltext": "XII\\nen het heldere frissche water op mijne handen te\\ngieten, heeft veel van deszelfs bekoorlijkheid verloren,\\nsedert ik het klare vocht als het vehikel dier horreurs\\nheb leeren beschouwen.\\nBit is ten minste een argument, en het overige dier bladzij\\nis als grap regt goed geschreven. Maar ik bid u Papa I\\nzet uw lampetkan waarin al die gedrochten zwemmen met\\nuwe bevende handen een oogenblik neer, en zeg mij: waarom\\nzet gij somtijds tiw bril op den neus van uw blij gelaat?\\nWel, omdat ik sommige dingen niet goed meer zien kan.\\nBest geantwoord: er is veel, dat gij niet ziet, zelfs van het\\nzigtbare; maar het is \u00e2\u0080\u009eonbescheiden van u dat gij uw bril\\nopzet: want uwe zintuigen zijn zoo als zij aan een ouden man\\npassen z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 wil het de wet der natmir. \u00e2\u0080\u009eHet is een onregt\\n{zegt gij) dat wij ons zelven aandoen, tvanneer wij ons in eene\\nwereld begeven, icaarvoor wij geen zin, geene sympathie heb-\\nben Ik laat die andere nieuwe wereld nu eens loopen,\\nhoewel zij toch de onze is, toaarin wij zijn, en toaar wij niet\\nuit kunnen; maar hebt gij dan z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 veel zin en sympathie voor\\neen nijdige spin en een leelijke tor en een smerigen worm\\nIk niet, en toch zie ik ze zonder bril, en gij ook, of gij moest\\nn\u00c3\u00b3g ouder zijn dan ik mij verbeeld. Be leeuic en de tijger en\\nde krokodil behoore?i misschien niet tot uwe wereld. Ik wenseh\\nu niet toe, dat gij ze ooitin deze wereld ontmoet in het woud, be-\\ndoel ik of in den Nijl. Ja maar dat binnenslikken van zoo veel\\ngedrochten in \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n enkelen waterdrop! lieve Grootpapa hebt gij\\nal uw leven zindelijke keukenmeiden gehad? Baar dit niet mogelijk\\nis, weet gij ook zeker dat gij dagelijks aan tafel iets naar\\nbinnen kunt krijgen, waarvoor gij \u00e2\u0080\u009ezin noch sympathie hebt.\\nBet maar getroost voort: de pannekoeken zijn u altijd wel\\nbekomen, al ging er een vlieg met den stroop naar binnen.\\nBn weet gij wat? Z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 heeft God zijn natuur geschapen, dat\\nhet gezond menschenv er stand in kracht winnen moet, naar", "height": "4364", "width": "2712", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0024.jp2"}, "25": {"fulltext": "XIII\\nmate het die natuur heter leert hennen: en zoanneer de mensch\\ndan leert, dat hij z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 geschapen en z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 door het geschapene\\nomringd is, dat hij in eek ademtogt en in \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n teug duizend\\nlevende wezens inzw\u00c3\u00a9lgen moet, dan zal hij begrijpen dat dit\\nwijsheid is, en dat hij waarschijnlijk nog niet weet, maar\\ntoch gelooven mag, dat die levende onzigtbare wezens door hem\\ningezwolgen moeten worden. Op dit standpunt, waarde Heer!\\nworden afkeer en walging onbruikbaar, en men zet ze in den\\nhoek bij andere fiaamoigheden der rhetorica. Want, dat gij\\nzegt: \u00e2\u0080\u009eZalige tijd, toen gij het nog niet wist! \u00e2\u0080\u009eToen kondt\\ngij in uwe gedachten schoon, zuiver, \u00e2\u0080\u009ealleen zijn! hier\\nhapert iets aan. In den winter gaat het redelijk; maar kunt\\ngij een rood insect (met verlof, dames!), kunt gij een hippend\\ninsect zien? Ontkom die \u00e2\u0080\u009ehorreurs eens in den zomer! en zeg\\ndan eens gelaten en langzaam, met Seneca: minnta quaedain\\nanimalia, ut ait Phaedon, quum mordent, non sentiuntur:\\nik wed dat gij soms die sententie in het midden afbreekt, met\\neen hollandsch woord en wie iemand met een vloek aanspreekt\\nis niet alleen. Be kinderen en de natuur zijn afgehandeld\\nnu komt de geschiedenis. Ik moet mijne oogen even uitwrijven:\\nwant het schemert mij. Neen, het is te gek.\\nNu nog iets, Overgrootvader Maak po\u00c3\u00abzij, zoo veel gij\\nwilt: want er is po\u00c3\u00abzij in uw opstel, al is zij onberijmd.\\nMaar uw po\u00c3\u00abzij is van anno \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n. Of ziet gij niet dat gij\\nhet z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 mooi gemaakt hebt, dat gij met uio vooruitgang\\nachteruitgaat en een zeilend schip met een draad terugtrekt?\\nWij moeten zorgen, dat er geen touw van groeije. Be na-\\ntuurlijke geschiedenis ergert u: dat zien wij. Be physica\\nhindert u: dat is duidelijk. Be kritiek der geschiedenis wilt\\ngij op zij schuiven: daar is geen twijfel aan. Biepe taaistu-\\ndie is u aanstootelijk dat volgt van zelfs. Al wat naar ge-\\nleerd onderzoek en oordeel gelijkt, stoort uw geluk: ontken\\nhet, zoo gij durft! Wat u overblijft, tceet ik niet, dan", "height": "4396", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0025.jp2"}, "26": {"fulltext": "XIV\\ndat gij in een hoek met uwe vrienden kunt zitten te prevelen Bon\\nDieu rendez nous Ie Chaos Bit besluit moeten wij wel opmaken\\nMijnheer! het Mmt alles van den kunstvorm van uw opstel.\\nBaar het nu \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9nmaal mijne monomanie is, te gelooven dat\\nde mensch en zijn stijl \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n moeten zijn, h\u00c3\u00a9b ik u eene eer\\naan willen doen, met die identiteit bij u te vooronderstellen;\\nik wil evenw\u00c3\u00a9l gaarne gelooven, dat gij en uw stijl niet \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n\\nzijt. Maar het is zonderling dat, hoe minder eer ik u aan-\\ndoe, wij des te digter bij elkander komen, en daarna des te\\nvHendelijker van elkander scheiden. Ik wil den omgang met\\nu gaarne aanhouden: want gij hebt talent; maar gij moet het\\nzoo niet misbruiken, noch onze jonge menseken, die naar den\\nweg zoeken, van den wal in den sloot helpen: gij zijt een\\nverkeerde gids. En ik zit als een scepticus te twijfelen\\nof uwe taal teel hollandsch is. Bat zal u vreemd klinken:\\nhet is nu geen tijd om daarover uit te weiden: want ik maak\\neigenlijk een Voorrede; maar ik zal er van spreken, zoodra\\nik weer iets ontmoet dat van denz\u00c3\u00a9lfden hybridischen aard is:\\ndan kunnen wij weder een aangenaam onderhoud h\u00c3\u00a9bben over\\ndie fraaije vergelijkingen en blinkende antithesen der laatste\\nIVansche school: en wanneer wij dan het schuim voorzig\\nvan den ketel geschept hebben, zullen wij zien wat er overb\\nZie zoo mijn Voorrede is uit waarde Lezer f wat er\\nconcreets in mogt zijn, zult gij zoo als van zelfs spreekt,\\nlaten vallen. Er zijn vruchten, die een wrange schel\\nhebben, en dat schijnt zoo te moeten wezen. Het abstracte\\ndat is, het welgemeende algemeene, blijft.\\nWanneer ik de hand op mijn hart leg, gevoel ik dat de\\ninhoud van al mijne opstellen bij mij tegenwoordig was, toen\\nik dit schreef; maar het doet mij leed dat ik, met deze\\nbelijdenis, z\u00c3\u00a9lf mijn Voorrede prijs: zij is echt muzijkaal: het\\nis de Ouverture van een Opera.", "height": "4360", "width": "2656", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0026.jp2"}, "27": {"fulltext": "Een klein gedeelte slechts van den letterkundigen arbeid\\nvan Jacob Geel is in dezen bundel bijeengebracht. Het\\nis echter dat gedeelte waaraan, onder alles wat hij ge-\\nschreven heeft, misschien de hoogste waarde moet wor-\\nden toegekend.\\nEr zijn althans Philologen, die beweren, dat noch\\nzijne verhandeling over de Sophisten, noch zijne bijdragen\\ntot de Bibliotheca Critica, noch iets anders van zijne\\nhand, waar ook te vinden, hem recht geven op eene\\nplaats naast de uitstekendsten in hun vak, zelfs de stuk-\\nken over het Delphische Orakel, en de Attische Comoe-\\ndie, die in //Onderzoek en Phantasie zijn opgeno-\\nmen, bevestigen, naar hun zeggen, dit oordeel. Toch\\nvereeren zij hem niet minder met onbepaalde hoogach-\\nting, niet alleen omdat hij, die Bibliothecaris der Leid-\\nsche Hoogeschool was, eene boekenkennis bezat, zooals\\nslechts weinigen, of omdat zij herinnering hebben van\\ndie bezielende kracht, die van hem op Professoren en", "height": "4392", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0027.jp2"}, "28": {"fulltext": "VI\\nStudenten tot bevordering en veredeling hunner studie uit-\\nging, maar ook zij waardeeren hem allermeest om deze\\nopstellen, die nu vereenigd den lezer worden aangeboden.\\nOf die Philologen gelijk hebben? Het kan wel zijn.\\nIk waag mij aan geene beslissing, vooreerst niet, om\\nhetgeen daartoe vereischt wordt, namelijk, een nauw-\\nkeurig onderzoek van de philologische onderwerpen door\\nGeel behandeld, dat ik boven mijne krachten reken, en\\ndaar komt dan vervolgens nog bij te pas, het verschil\\nvan richting in de Philologie, maar ik durf wel zeggen\\ndat uit die stukken wat te leeren is, zoowel in de kerk\\nals in de komedie, en dus de lezing aan Theologen en\\nTooneeldichters aanbevelen. Ik heb de beide genoemde\\nverhandelingen uit n Onderzoek en Phantasie laten staan\\nop de plaats door Geel zelf hen aangewezen.\\nAls die Philologen echter gelijk hebben, dan doet\\nzich daarbij in de letterkundige wereld een merkwaardig\\ngeval voor. Geel is ver buiten de grenzen van ons va-\\nderland ge\u00c3\u00aberd; door geheel Europa werd in de beroemd-\\nste genootschappen van geleerden zijn naam met onder-\\nscheiding begroet en zij namen om strijd hem als hun\\nmedelid op. Niemand zal ook de rechtmatigheid van\\ndie hulde betwisten, en evenwel, het beste wat Geel\\nhad, de rijpste vrucht van zijn schoonen aanleg en\\nzijn werkzaam leven, daarvan heeft het buitenland zoo\\ngoed als niets geweten, tot heden toe bijna niets geno-\\nten. Hij Hollander van top tot teen, schreef zijne edel-\\nste gedachten in zijne moedertaal. Hij verzamelde uit", "height": "4360", "width": "2616", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0028.jp2"}, "29": {"fulltext": "VII\\nvroegeren en lateren tijd, van Oost en West wat zijne\\nkennis vermeerderen, zijn oordeel scherpen, zijne smaak\\nverfijnen kon, en het drong bij hem in merg en gebeente\\ndoor, maar het vervreemdde hem niet van ons vaderland\\nof van onze taal; die taal is ook door zijne geschrif-\\nten onvergankelijk, en het vaderland mag op dezen waar-\\ndigen zoon trotsch zijn\\nGeel werd den 12 d en November van het jaar 1789\\nte Amsterdam geboren. Zijn vader was daar kostschool-\\nhouder; zijne moeder verloor hij vroeg. De jaren zijner\\njeugd zijn niet de gelukkigste zijns levens geweest; hij\\nzelf vertelde later wel eens, dat hij veel geleden had,\\ntoen hij op \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n en twintigjarigen leeftijd de ouderlijke\\nwoning verliet, maar over de oorzaken en den aard van\\ndat leed sprak hij nooit. Ik kan dus alleen, zonder\\neenige gevolgtrekking, vermelden dat zijn vader hertrouwde\\ndat de kostschool eindelijk te niet ging, en dat een ander\\nbedrijf, een handel in spiegels of iets dergelijks w r erd opgevat.\\nIn 1810 had Geel zich echter reeds zoo gunstig\\nin Amsterdam onderscheiden, dat Prof. D. J. van\\nLennep hem voor eene wel nederige maar toch gewich-\\ntige betrekking durfde aanbevelen. Baron Jacob Willem\\nDedel had besloten, zich s winters zoowel als s zomers\\nte s Graveland te vestigen en toen hij zijne huishouding\\nin Amsterdam opbrak, zocht hij voor zijne zonen een\\nonderwijzer, die mede naar s Graveland zou kunnen\\ngaan, die in den familiekring kon worden opgenomen\\nen die genoeg Latijn en Grieksch kende om zijne leer-", "height": "4364", "width": "2608", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0029.jp2"}, "30": {"fulltext": "VIII\\nlingen tot de Academische lessen op te leiden. Van\\nLennep en Bedel waren volle neven; er was familiebelang\\nte behartigen bij het doen eener keuze; zij kozen Geel;\\ndat beteekende iets!\\nVan Lennep en Dedel waren aristokraten in den bes-\\nten zin van het woord, aristokraten met wie een bur-\\ngermanskind vrede kan hebben, voor wie hij ook achting\\nopvatten, aan wie hij zich met warme toegenegenheid\\nhechten kan, die veel eischen, omdat zij veel geven,\\ndie op de eerste plaats willen staan, omdat zij toonen\\ndie plaats waardig te zijn, en die met hunne fijnheid\\nvan vormen en hunne beschaving des geestes in een\\nland, waar voortdurende welvaart heerschen zal, even\\nvolstrekt noodzakelijk zijn als de flinkste en degelijkste\\nmannen uit het volk. Welke gunstige verwachting\\nmoet Geel bij van Lennep hebben opgewekt, om door-\\nhem in zulk een kring te worden binnengeleid Hij\\nbeschaamde die verwachting niet en wat hij kan gehoopt\\nhebben, het is hem rijkelijk ten deel gevallen.\\nDedel werd in 1815 lid van de dubbele vergadering\\nder Staten Generaal; van 1819 tot 1821 was hij direc-\\nteur-generaal der belastingen en posterijen, en in 1821\\nwerd hij door den koning benoemd tot Lid van de Eerste\\nKamer. Geel woonde bij hem eerst te s Grav eland,\\nlater aan den Loosduinschen weg te s Gravenhage.\\nKunst en wetenschap waren in dat huis ge\u00c3\u00aberd en\\nwerd daar veel van Geel gevraagd, hij vond daar ook\\nhulp om aan te vullen wat hem nog ontbrak. Hij on-", "height": "4360", "width": "2564", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0030.jp2"}, "31": {"fulltext": "IX\\nderwees de jongens wier opleiding hem was toevertrouwd 3\\nhij onderwees ook de beide dochters des huizes in mu-\\nziek en teekenen, maar het is karakteristiek voor\\nhet gehalte van den aristokratischen kring, waarin hij\\ngeplaatst was, van Dedel, van den vader zijner leer-\\nlingen zelf leerde hij op zijne beurt, het Fransch zoo\\ngoed, dat men hem eens op het meer van Gen\u00c3\u00a8ve voor\\neen Franschman hield, en het Engelsch met zooveel\\ngeestdrift, dat voorliefde voor Engelsche auteurs hem\\nlevenslang bijbleef. Geen belang alleen, maar trouwe\\nvriendschap bond weldra Geel aan dat gezin en dat gezin\\naan hem. Hij bleef er totdat hij zijne taak als huisonder-\\nwijzer, daar volbracht had. Die taak bleef hem dierbaar,\\nzelfs toen in 1818 het Professoraat aan de Hoogeschool te\\nGroningen hem aangeboden werd; hij sloeg die roeping\\naf, en ook na de uitgave zijner Historia Critica Sophista-\\nrum, waarop de Senaat der Leidsche Hoogeschool hem\\nin 1821 op voordracht van de Litterarische Faculteit\\nhet Doctoraat in de Letteren honoris causa toekende,\\nleefde hij bij de Dedels in dezelfde betrekking en in\\ngelijke verhouding als vroeger nog twee jaren voort.\\nPaedagogische stellingen heeft Geel niet geschreven\\nen van den omgang met zijne leerlingen weten wij\\nweinig bijzonders; alleen dat hij zich beijverde om hen\\neerst goed en vervolgens goed en vlug tegelijk te leeren\\nwerken, zoodat eindelijk de tijd, welken zij noodig hadden,\\nzelfs op den minuut af werd uitgerekend; bij lichaams-\\noefeningen duldde hij, die zelf een goed schaatsenrijder", "height": "4364", "width": "2612", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0031.jp2"}, "32": {"fulltext": "was, geen terugdeinzen voor denkbeeldige gevaren hij\\nkon bestraffen met een kalmen ernst, die verpletterde\\nen prijzen zonder vleierij met woorden, die wederom tot\\nkrachtiger inspanning prikkelden. Maar al wisten wij\\nniets hiervan, wij weten van Geel als paedagoog genoeg\\nom hem hoog te schatten. Hij had zijne leerlingen lief\\nen hij heeft hunne toegenegenheid weten te verwerven.\\nGerrit Dedel de uitnemendste van allen, heeft het uit-\\ngesproken in 1830, toen hij reeds gepromoveerd te\\nUtrecht gevestigd was en met eene vroolijke plagerij\\nde voorrede schreef voor die twee verhandelingen van\\nGeel en Simons over het Proza en over de Po\u00c3\u00abzie. Er\\nis nu bijna eene halve eeuw verloopen sedert Geel de\\nwoning van Dedel verliet, maar voor weinige weken\\nschreef Jonkvrouw Marg. Dedel, de eenigste die uit dien\\ntak van het geslacht Dedel nog is overgebleven: 7 De\\nnaam van Geel wekt bij mij altijd de liefelijkste herin-\\nneringen mijner jeugd weder op.\\nZij zijn allen jong gestorven, die Dedels. Eeeds in\\n1840 had Geel hen allen overleefd hij was hun leermeester\\nen vriend gebleven, ook nadat hij de woning huns vaders\\nverlaten had, en hoe hij hen had lief gehad, blijkt uit\\nde weemoedige woorden aan hunne nagedachtenis gewijd\\nin de voorrede voor den tweeden druk van zijn Proza.\\nEr zijn genietingen in het leven, die, hoe rijk ook\\nop zichzelf beschouwd en hoezeer zij voor zekeren tijd\\nons waarlijk gelukkig maken, toch ook tegelijk met\\nonvermijdelijke noodzakelijkheid ons telkens aan de toe-", "height": "4356", "width": "2628", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0032.jp2"}, "33": {"fulltext": "XI\\nkomst denken doen. Ik geloof niet, dat iemand zou\\naarzelen, als hij kiezen moest tusschen de ervaring van\\nMicha\u00c3\u00abl Angelo met de St. Pieters te Rome, en die\\nvan Wren met de St. Pauls te Londen. Beiden hebben\\nstellig genoten bij het maken van hun bestek bij het\\nteekenen van hun ontwerp, bij het leggen der grondsla-\\ngen en het optrekken van de muren en de kolommen,\\nmaar al heeft de eerste duizend voor \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n reden gehad\\nom zich te troosten, toen hij zijn einde voelde naderen\\n\u00c3\u00a9\u00c3\u00a9r dat hij het reusachtig koepeldak glansrijk boven\\nRome kon zien oprijzen, gelukkiger was Wren, die\\neindelijk staan mocht op het hoogste punt van het door\\nhem voltooide gewelf en zijne oogen over de wereldstad\\naan de Theems kon laten rond weiden. Zoo was ook\\nGeel in zijn werkkring bij de Dedels gelukkig; hij genoot\\ndoor hen, ook terwijl hij reeds in Leiden woonde, zonder\\ntwijfel al de zegeningen, die aan de voorspoedige opleiding\\nvan jonge menschen verbonden zijn, maar toen hij hen\\nallen zag heengaan, den een na den ander door de onver-\\nbiddelijke tering weggerukt, toen irof hem eene teleur-\\nstelling, voor welke geene volkomene vergoeding mogelijk\\nwas en het lot sloeg hem eene wonde, die nooit geheel genas.\\nHet was alsof het schoonste gebouw nog niet eens geheel\\nvoltooid voor de oogen van den bouwmeester werd vernield.\\nDe jaren gingen voort en een man als Geel bezweek\\nniet onder het leed, het kon hem zelfs niets ontnemen\\nvan zijne levenskracht en van zijn vroolijk humeur; maar\\nals hij over de Dedels sprak, dan kon noch wilde hij", "height": "4356", "width": "2588", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0033.jp2"}, "34": {"fulltext": "XII\\neene echt menschelijke jammerklacht van teleurgestelde\\nverwachting smoren.\\nIn 1823 kwam Geel naar Leiden als onderbibliothe-\\ncaris bij de boekerij der Leidsche Hoogeschool onder\\nProfessor van Voorst, die bibliothecaris was. Hij volgde\\ndezen in 1833 met den titel van Hoogleeraar op, en\\nbekleedde dieii post tot het einde van 1858. Zijne\\nwerkzaamheid in die betrekking te schetsen of een over-\\nzicht te geven van zijn levensloop in Leiden ligt niet\\nin mijn plan. Ik zal slechts iets vermelden, dat met de\\ngeschriften bij wier herdruk dit opstel gevoegd is, in\\nverband staat.\\nIn het Gesprek op den Drachenfels voert Geel be-\\nhalve zichzelf, nog twee personen sprekende op, Diodes\\nen Gharinus. Dat herinnert ons een verbond van vriend-\\nschap, waardoor vele jaren achtereen, ongestoord, totdat\\nde dood hen scheidde, drie van de uitstekendste mannen\\nvereenigd waren Geel Hamaker, Bake. Zij hadden elkan-\\nder leeren kennen, lang voordat Geel naar Leiden kwam.\\nToen Hamaker in 1835 zijne //Academische voorlezin-\\ngen over het nut en de belangrijkheid der grammatische\\nvergelijking van het Grieksch, het Latijn en de Ger-\\nmaansche tongvallen met het Sanskrit uitgaf en hen\\naan Geel opdroeg, beroemde hij zich dat hunne vriend-\\nschap reeds meer dan dertig jaren voortduurde, en we-\\ndersprak daarmede de beschuldiging van lichtzinnigheid\\nin een Engelsch tijdschrift tegen onze eeuw ingebracht,\\nalsof zij geene voorbeelden van waarachtige vriendschap", "height": "4336", "width": "2616", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0034.jp2"}, "35": {"fulltext": "XIII\\nopleverde. Geel heeft daarop een welsprekend antwoord\\ngegeven. Hamaker en zijne echtgenoot ontvielen tegelijk\\nin 1835 plotseling aan de maatschappij en aan hun ge-\\nzin. Geel, nog ongehuwd, nam de zorg voor dat gezin\\ngrootendeels op zich; hij regelde de letterkundige nala-\\ntenschap van Hamaker en van de ouders droeg hij op\\nde kinderen eene toegenegendheid over, die met raad en\\ndaad zich telkens weder onverkoeld uitsprak.\\nMet een brief aan Bake werd het \u00e2\u0080\u009eGesprek op den\\nDrachenfels door Geel uitgegeven: hun omgang is met\\nbeminnelijken eenvoud in die opdracht geschetst, hoe\\ngoed zij elkander verstonden, hoe prettig zij elkander\\nplaagden, hoe oprecht en standvastig zij als geleerden\\nen als menschen samen de waarheid zochten. Op zijne\\nbeurt sprak Bake, terwijl ook reeds zijn \u00e2\u0080\u009eoog verglorn\\nbij de geopende groeve op Eik en Duinen, toen Geel\\nden Uden November van het jaar 1862 op Gloriette\\naan den Schevingschen weg gestorven was, en hij her-\\ndacht daar, diep bewogen, de gelukkige dagen eener\\nlangdurige en ongeschokte vriendschap. Zij, alle drie,\\nzij waren mannen op wier karakter de studie der huma-\\nniora dien veredelenden invloed uitoefende, door welken\\nzij zich altijd weder zal aanbevelen, en waarvan het ge-\\nmis hare miskende waardij ook telkens weder wreken zal.\\nWat Geel met deze vrienden besprak, de vrucht van\\nzijn omgang met hen zoowel als van zijn eigen onder-\\nzoek en nadenken, dat wist hij in een bevattelijken\\nen bevalligen vorm in ruimeren kring soms te versprei-", "height": "4364", "width": "2608", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0035.jp2"}, "36": {"fulltext": "XIV\\nden. Te Leiden, in de Maatschappij van Nederlandsche\\nLetterkunde in die van Fraaie Kunsten en Wetenschap-\\npen, in die tot Nut van t Algemeen ook te Botterdam,\\nte Utrecht en elders trad hij meermalen als spreker op.\\nDe verhandelingen in dezen bundel te vinden zijn door\\nhem daar voorgedragen.\\nAan het oordeel, dat ik over die stukken waag uit te\\nspreken, moet ik eene opmerking laten voorafgaan om\\nden vorm van dat oordeel te rechtvaardigen; het betreft\\nnamelijk niet alleen deze verzameling, maar Geel zelf,\\nniet zijn werk alleen maar ook den mensch.\\nIn de \u00e2\u0080\u009eAanteekening op het \u00e2\u0080\u009eProza lezen wij deze\\nveelbeteekenende woorden: //Liefde voor de waarheid is\\nalles wat wij in den geleerde, buiten zijn wetenschap en\\ntalenten mogen eischen; maar het is ook een groote\\neisch; en daarbij is terecht de opmerking gevoegd, dat\\nde wetenschap van Huygens en Boerhave, van Muretus\\nen Perizonius niet meer of minder bruikbaar wordt naar-\\nmate zij brave mannen zijn geweest, of dat op hun ge-\\ndrag iets viel aan te merken. Het gaat niet aan, om\\nde hoogachting, welke wij iemand als mensch zullen toe-\\ndragen af te meten naar de waardij van een litterarisch\\nproduct, dat wij aan hem verschuldigd zijn; op die wijze\\nzijn allerzonderlingste misgrepen gedaan. Ook heeft de\\nzoogenaamde psychologische kritiek, dunkt mij, dit groote\\nbezwaar, dat zij tegenover het voorgeslacht eene zeldzame\\nvereeniging van geleerdheid en talent van voorstelling\\nvereischt, waarbij dan nog meestal komt de beperktheid", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0036.jp2"}, "37": {"fulltext": "XV\\nvan bronnen voor een onpartijdig onderzoek, die haar\\njegens den tijdgenoot zoo gemakkelijk doet mistasten,\\nhoe treffend en verrassend overigens de gezichtspunten\\nkannen zijn, welke zij opent, en hoe gewichtig de bij-\\ndragen voor rnenschenkennis welke zij mededeelt. Alleen\\nbij het opstellen van de volledige biographie eens schrij-\\nvers is zij noodzakelijk. Evenwel, hoezeer ten volle hier-\\nvan overtuigd, ik kan niet nalaten, ik waag iets te zeg-\\ngen tegelijk over deze verhandelingen en over Geel zelf.\\nOf ik daarvoor voldoende reden heb?\\nEr bestaat wel geene biographie van Geel, maar er\\nleven er nog, die hem gekend hebben; verhalen en anec-\\ndoten over hem zijn hier en daar op te vangen. Ik heb\\nmij bevlijtigd om ze te verzamelen; het geheugen van\\nvelen over Geel geraadpleegd, en ik heb de treffendste\\novereenstemming gevonden van het karakter dat in de\\nmeeste trekken zijner levensgeschiedenis zich vertoont,\\nmet dat, hetwelk zich in deze verhandelingen uitspreekt;\\nzooveel harmonie van den spreker of schrijver met den\\nmensch, dat beperking der kritiek naar de eene of an-\\ndere zijde onmogelijk wordt. Dat karakter volkomen ont-\\nvouwen kan ik echter niet; indien ik er het talent voor\\nbezat, dan zou nog het gemis van de vereischte kennis\\neen onoverkomelijke hinderpaal zijn. Geel kon ook iets\\nverzwijgen in een gemeenzaam onderhoud met zijne vrien-\\nden zoowel als in zijne verhandelingen, en meer dan een\\nbelangrijk punt in zijne levensgeschiedenis behoudt daar-\\nom iets geheimzinnigs.", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0037.jp2"}, "38": {"fulltext": "XVI\\nHeeft hij dien hartstocht, die de machtigste van allen\\nheet, niet gekend, eer hij in 1844 op vijf en vijftig-\\njarigen leeftijd huwde? Het was eene allergelukkigste\\nechtvereeniging met eene nicht van Professor Ueinwardt,\\nMejufvrouw Carolina Eeinwardt; Geels weduwe zegent\\nnog de jaren met hem doorleefd, al waren de laatste\\ngeenszins voorspoedig; maar zou hem als jongeling en\\nman in vroeger jaren de liefde vreemd zijn gebleven?\\nEn indien zij dat niet bleef, w T aarom en hoe heeft hij\\nzich aan haar geweld ontworsteld?\\nToen Geel in zijne volle kracht stond was er te Lei-\\nden een Hoogleeraar, die eenige jaren later eerste stuur-\\nman werd op het schip van staat Zij bemoeiden zich\\ndikwijls met dezelfde zaken, Geel en Thorbecke. In de\\nvoorrede van Onderzoek en Phantasie ontving Hilde-\\nbrand-Beets die kastijding, die hem zoo weinig smaakte,\\ndat hij tegen Geel de pen opvatte, maar hij sloot zijn\\nopstel weder weg, getroost bij die woorden door Thor-\\nbecke l hem toegevoegd, die van achting zoowel voor\\nGeel als voor den schrijver van f/ Vooruitgang getuig-\\nden. /,De heer G. schijnt te hechten aan den steller,\\nw r iens stukje hij aldus eert. Een wezenlijk talent zoekt\\nzulk een regter/ Wat hield die twee mannen Geel en\\nThorbecke van elkander vervreemd? Wat maakte Geel\\nkoel, zoo niet vijandig tegen den staatsman, wiens\\nIn eene beoordeeling van Onderzoek en Phantasie. Let-\\nterbode, 183S, N 1.", "height": "4356", "width": "2584", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0038.jp2"}, "39": {"fulltext": "XVII\\nburgerzin met den zijne zoozeer overeenkwam? Was\\nhet eene van die zwakheden, die ook de uitstekendsten\\nontsieren, of lag de oorzaak dieper? In zijne politieke\\nrichting is Thorbecke door Geel krachtig ondersteund,\\nmaar personeele antipathie is tusschen hen blijven bestaan.\\nZoo zouden er meer vragen te doen zijn, \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9r het ka-\\nrakterbeeld van Geel ons volkomen helder zou voor den\\ngeest staan, maar wat overigens van zijn bijzonder leven\\nbekend is, teekent ons een man, volkomen gelijk aan\\nden schrijver dezer verhandelingen: vrijmoedig, onafhan-\\nkelijk, fier, vermetel soms, maar ook verdraagzaam, toe-\\ngefelijk, goedhartig; vol luim en scherts, maar soms ook\\nzoo ernstig, dat hij geen glimlach dulden kon; vol geest-\\ndrift voor de kunst in iedere richting en tevens een\\nhartstochtelijk beminnaar van de vrije natuur!\\nYrijmoedig was Geel en onafhankelijk in het vormen\\nen uitspreken van zijn oordeel over personen en zaken;\\nfier op zijn eigen talent; zelfs vermetel, zooals iemand\\ndie zonder eigenwaan zichzelf op de rechte waarde schat.\\nHem bond geen onbehoorlijk gezag, noch dat van een\\ndeftig genootschap, noch dat van een grooten naam,\\nnoch dat van de toejuiching der menigte. Het \u00e2\u0080\u009eTafel-\\ngesprek over zaken van groot gewigt is eene vernieti-\\ngende parodie op alle eermetalende en be\u00c3\u00abermetaalde mid-\\ndelmatigheid. In zijne redevoering over ,/den Stijl, in \u00e2\u0080\u009eIets\\nverhevens over het eenvoudige^ kwam de beurt aan Bil-\\nderdijk zoowel als aan Siegenbeek, aan van der Palm\\nzoowel als aan Schiller, aan oudere en jongere proza-", "height": "4392", "width": "2576", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0039.jp2"}, "40": {"fulltext": "XVIJI\\nschrijvers en dichters; het stuk over \u00e2\u0080\u009ede Pligten van een\\ntoehoorder was zoo nadrukkelijk aan het adres van A. des\\nAmorie van der Hoeven, dat Domela Nieuwenhuis in\\nzijne levensbeschrijving van den gevierden kanselredenaar\\ner niet van zwijgen kon en den scherpen kritikus gelijk\\ngaf. Van een hoogleeraar of van een student, als Geel\\nhet de moeite waard achtte iemands werk te recenseeren\\ndan kon men zeker zijn, dat hij onbeschroomd zijn ge-\\nvoelen zeggen zou. Hij heeft ook de kritiek van zijn\\ntijd bezield. Potgieter zal ons vertellen, als hij met\\nzijne levensbeschrijving van Bakhuizen van den Brink\\nvoortgaat, welk aandeel Geel heeft gehad aan de uitgave\\nvan //de Gids^ 7 En die Bakhuizen was immers een\\nleerling van Geel, hij, die er pleizier in had, -als hij\\nzijne tegenstanders had verslagen, om, even als de hel-\\nden in den Trojaanschen oorlog, hen eens aan de beenen\\nen armen en haren te trekken, en vroolijk er zich van\\nte verzekeren dat zij toch wel goed dood waren. Ge-\\nlijk Geel verhandelde, zoo deed hij. Gedurende tien\\njaren was hij, een burgerjongen van afkomst, onderge-\\nschikt in eenc aristokratische familie; zijn ambt bracht\\nhem later met vele hooggeplaatste personen in betrek-\\nking; in menig adelijk huis vond hij eene gastvrije\\nontvangst, maar hij heeft er geen lakeienbloed in de\\naderen gekregen, geen druppel! Het ging hem niet\\ngelijk zoovelen, die vernederd worden door hun omgang\\nin den kring, waarin zij wanen zich te zullen verheffen.\\nEr zijn er, die zouden kunnen getuigen, hoe fier daar", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0040.jp2"}, "41": {"fulltext": "XIX\\nop het Rapenburg te Leiden die bibliothecaris in zijne\\nwoning of op zijne kamer in het Bibliotheekgebouw\\nzat, hoe hoog hij zijne persoonlijke eer en die van zijn\\nhuis ophield en met welk een fijnen tact, door hem bij\\nhet verkeer in aristokratische kringen aangeleerd, hij de\\nbespottelijke eischen van adelijken overmoed terugwees,\\nhautain tegenover pr\u00c3\u00a9tentieux Maar diezelfde man was\\nverdraagzaam voor die van hem in gevoelen verschilden,\\ntoegefelijk voor menschelijke zwakheden, goedhartig zon-\\nder mate. Men zal niet licht zachter bewoordingen\\nvinden, waarmede onder geleerden een verschil van\\nzienswijze besproken werd, dan die door Geel gebezigd\\ntegen van Limburg Brouwer, terwijl het bovendien nog\\nde vraag was wie gelijk had en Geel zich door Brouwer\\neenigszins miskend mocht gevoelen. Hij hoorde naar\\nzijn jeugdigen vriend Cobet/ en nam er geene ergernis\\naan, als die hem tegensprak; hij vermeldde dat zelfs,\\nal kon het aanleiding geven tot de bedenking, of op\\nphilologisch gebied de leerling den meester misschien\\nwat vooruitging. Is buiten den kring hunner dweepende\\nbewonderaars over Bilderdijk en Schiller ooit met meer\\nwaardeering, bij vermelding van beider gebreken gespro-\\nken? Komt niet in deze verhandelingen eene goedhar-\\ntigheid uit, die ons weldadig aandoet? Als Geel het\\nwapen der kritiek ter hand nam, dan mocht de tegen-\\npartij op een gedachten aanval rekenen, maar hij had\\nde punt van zijn degen niet in vergift gedoopt; een\\nvenijnig woord is in deze stukken niet te vinden. Dat", "height": "4364", "width": "2616", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0041.jp2"}, "42": {"fulltext": "XX\\nuit te spreken zou hem ook moeielijk zijn gevallen. Het\\ngebeurde meermalen als zijne onverbiddelijke kritiek\\nouderen of jongeren tegen hem verbitterd had, dat hij\\neen bezoek poogde te brengen tot verzoening, of ook\\nwel een bezoek uitlokte, met de toegefelijke erkenning,\\ndat hij het wel ,/wat bont gemaakt had. Op de soirees\\nin Leiden, waar aan litteratuur gedaan werd, zooals bij\\nProfessor van Assen hoorde en zag hij niet weinig, dat\\nzijne afkeuring verdiende; er dweepten er met Bijron,\\nmet Victor Hugo misschien ook met zichzelven; Geel\\nzweeg dikwijls over veel berispelijks om veel goeds op\\nte merken en zelfs, als hij niet prijzen kon, sprak hij\\ntoch zijne waardeering van ieder talent uit, Aan hoe-\\nvelen heeft hij den weg van litterarische ontwikkeling\\ngebaand en gemakkelijk gemaakt. Pluygers erkende het,\\ntoen hij zijn studie van tekstkritiek over Tacitus aan\\nzijn voorganger in het beheer der Leidsche Bibliotheek\\nopdroeg. Hoevele jonge menschen zijn door hem voort-\\ngeholpen! Waar hij een schoonen aanleg voor weten-\\nschap of kunst ontdekte, of meer dan dat, en waar hij\\nhelpen kon, daar deed hij de zaken niet ten halve.\\nDat ondervond vooral zijn volle neef, de zoon zijner\\nzuster, J. J. E- Noordziek, thans Referendaris bij de\\nTweede Kamer der Staten Generaal. Op raad van zijn\\noom begon deze de vertaling van de \u00e2\u0080\u009eSentiinenteele f\u00c3\u00abeis\\nvan Sterne, die onder de Engelsche schrijvers vooral\\nhoog bij Geel stond aangeschreven. Hij zelf legde aan\\ndie vertaling zoo de laatste hand, dat zij geheel de zijne", "height": "4360", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0042.jp2"}, "43": {"fulltext": "XXI\\nwerd en hij gaf haar met eene echt Sterniaansche voor-\\nrede in het licht. Die voorliefde laat zich gemakkelijk\\nverklaren. Wel zijn al de geestigheden van Sterne niet\\nvan het beste allooi maar zijn goedaardige scherts, en\\nzijn onuitputtelijke luim werden door Geel bijzonder\\ngewaardeerd. De verwantschap van beider naturen, de\\novereenkomst van beider levensopvatting en beider be-\\nschouwingswijze over menschen en zaken is onmisken-\\nbaar. In het Tafel gesprek over zaken van groot ge-\\nwigt, in het //Gesprek op een leidschen buitensingel\\nover poezij en arbeid vinden wij eenige van de ernstigste\\nliterarische vraagpunten op de vermakelijkste wijze be-\\nhandeld; het eerste doet ons denken aan die kerkelijke\\nvergadering door Sterme in den Tristram Shaudy be-\\nschreven; en Geel plaagt Melissus zoo grappig, solt zoo\\nprettig met hem, dat zijn slachtoffer wel boos zou wil-\\nlen worden omdat hij het pleit verliest, maar toch\\neigenlijk, omdat hij zelf ook lachen moet als noch Na-\\npoleon noch Peerlkainp gespaard worden, niet boos\\nworden kan. Zwaarmoedig eene zaak te behandelen lag\\nniet in Geels natuur en de vroolijke plagerij van Moll\\nen Dedel om Simons tegen hem in het harnas te iasren\\nen de verhandelingen der beide kampioenen over het\\nProza en de Po\u00c3\u00abzie bij elkander uit te geven, was ge-\\nheel in zijn geest en smaakte hem, al werd hij zelf nu\\nook beet genomen. Rijk aan vernuftige invallen, had\\nhij soms bovendien behagen in een dwazen zijsprong,\\nHoe ondeugend is het, om, naar aanleiding van eenige", "height": "4392", "width": "2584", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0043.jp2"}, "44": {"fulltext": "XXII\\nregelen uit van Lenneps vertaling van f/ Ae Werken en\\nDagen vanHesiodus, juist door Bilderdijk de opmerking\\nte laten maken: //Dat schijnt een goed man, maar hij\\nis op een glibberig pad met zijne dienstmeid. Geel\\nwas een echte plaaggeest, van de goede soort, maar\\nniet van de gemakkelijkste. Bij eene vluchtige ontmoe-\\nting kon men reeds niet altijd zijne ironie ontgaan; wie\\nveel met hem omgingen moesten zijn vernuftigen luim\\nkunnen verdragen; telkens werden zij door hem uitge-\\ndaagd en hij had het meeste pleizier, als hij zijn partij\\nvond; hij kaatste gaarne en wachtte den bal terug. Het\\nduidelijkste bewijs echter, dat zijne scherts vrij van alle\\nboosaardigheid was, gaf hij als hij zijne beste vrienden\\nhet minst spaarde, ook zichzelven niet, allerminst in\\n1842 toen hij naar zijne eigen opmerking geridderd\\nwerd, alsof hij tot het gild van kruip dcor, sluip door,\\nbehoorde; maar deftige domheid, onkundige verwaand-\\nheid hield hij gruwelijk voor den gek. Toch wist hij\\nmeestal, waar het vermogen om hem te beantwoorden\\nontbrak, en toorn de plaats innam van ontbrekend ver-\\nnuft, zijn tegenpartij in zijne vroolijkheid mede te slepen,\\nen aan den grap met een goedhartig woord een einde\\nte maken. Maar wie daarom zou meenen dat het Geel\\naan ernst ontbrak, die heeft no^ zijn karakter, noch\\n/zijne geschriften begrepen. Aan het slot van zijne rede-\\nvoering over \u00e2\u0080\u009ehet Eeizen scherst hij waarlijk niet. Met\\ngeen grap maakt hij er zich af, als hij Bilderdijk door\\nSchiller laat beoordeelen, maar kalm en waardig, met", "height": "4360", "width": "2620", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0044.jp2"}, "45": {"fulltext": "xxnr\\nden heiligsten ernst wijst hij aan in welk opzicht deze\\ndichter, ondanks zijn reusachtig genie, zijne roeping\\nheeft gemist; en ook ons is de lust tot lachen vergaan\\nen ook wij zijn weemoedig gestemd als in het oog van\\nden //stuggen grijze een traan opw r elt. Ik durf te zeg-\\ngen, dat in al deze stukken, ook in die, waarin het\\nmeest aan vernuft en luim de vrije teugel is gevierd,\\neerbiedwaardige ernst doorschemert. Die ernst openbaarde\\nzich in zijn ijver als er iets waarlijk goeds te doen was,\\nin de volharding, waarmede hij dan alle hinderpalen\\ntrachtte te overwinnen. Die ernst heeft hem bewaard\\nom zich ooit aan heiligschennis in den letterlijken zin des\\nwoords schuldig te maken; die ernst gaf hem op oude-\\nren en jongeren dat overwicht, waarvoor de fierste\\nhoofden zich somtijds bogen en waarmede hij de losban-\\ndigsten tot stilstand dwong en tot beschamende zelfken-\\nnis bracht; die ernst stempelde zijne kritiek.\\nHij miskende zichzelf op zijn ouden dag toen hij\\nmeende dat Beets aan zijne kritische aanmerkingen te\\nhooge waarde had toegekend en hen niet moest opgeno-\\nmen hebben bij den herdruk van de gedichten, op welke\\nzij betrekking hebben. Beets deed daar wel aan. Want\\nGeel was vol geestdrift voor de kunst in het algemeen;\\neen geleerd man, maar toch meer bellettrist dan philo-\\nloog, aestheticus bovenal. In het magazijn van N. G.\\nvan Kampen heeft hij eens eene verhandeling geplaatst\\nover //den smaak, welken hij later niet in //Onder-\\nzoek en Phantasie opnam; hij keurde haar toen een", "height": "4388", "width": "2592", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0045.jp2"}, "46": {"fulltext": "XXLV\\nherdruk niet meer waardig. In al de nu bijeengevoegde\\nstukken spreekt een man van fijnen smaak over Proza\\nen Po\u00c3\u00abzie, over hun^e verschillende soorten, over het\\ngebruik van beelden, over den stijl, over redekun-\\nstige sieraden enz. enz. tevens over de plastische kun-\\nsten, ook over muziek. Over de laatste slechts met een\\nenkel woord, maar hij had er wel verstand van, even\\nals eene Hollandsche Dramaturgie juist voor hem een werk\\nzou geweest zijn. Terwijl hij Commissaris van de Leidsche\\nMuziekschool was merkte hij in Nicolai dien uitmunten-\\nden aanleg op, die reeds zulke schoone vruchten ons\\ngeschonken heeft en gelijk zoo menig kunstenaar en ge-\\nleerde de toekomstige Maestro vond bij Geel eene vader-\\nlijke vriendschap, gesterkt door de toejuiching van Me-\\nvrouw Geel, zelve een uitstekend muzikaal talent.\\nx\\\\ls een echte kunstenaarsziel was Geel een hartstoch-\\ntelijk beminn ar van de vrije natuur. Hij reisde gaarne\\nen veel; de natuurbeschrijvingen in het eerste stuk van\\nOnderzoek en Phantasie zijn modellen van de beste\\nsoort; de geheele mise en sc\u00c3\u00a8ne van het \u00e2\u0080\u009eGesprek op\\nden Drachenfels is meesterlijk. Na Geel heeft nog slechts\\n\u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n man, zonder een mispas te maken, in onze taal over\\nhet Reizen kunnen spreken, namelijk dezelfde Beets, met\\nwien over Geel te praten een lust is, omdat de eene\\nman van smaak met dankbare waardeering den ander\\nherdenkt. Op het laatst van zijn leven deed Geel nog\\neen reisje door Belgi\u00c3\u00ab; hij leed aan eene vreeselijke kwaal;\\nzijne geestvermogens waren geknakt, zijne spraak was", "height": "4356", "width": "2596", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0046.jp2"}, "47": {"fulltext": "XXV\\nbelemmerd, maar het gebeurde, als de zon over de ber-\\ngen onderging, als de toppen der boomen en rotsen ge-\\nkleurd werden met n purper en rood goud/ dat hij in\\nvervoering opstond, zijne echtgenoot of zijn neef Noord-\\nziek, die hem vergezelden, bij den schouder greep en\\nmet de andere hand naar het westen wees, terwijl hij\\nstamerde: //daar! daar 1 Het was bij hem zelf reeds\\nwaar en het werd weldra volkomen bevestigd: //Scheint\\ndie Sonne noch so sch\u00c3\u00b6n, einmal muss Sie untergehn!\\nBakhuizen van den Brink was de man geweest om,\\ngelijk hij aan Bake eene welsprekende hulde heeft ge-\\nbracht, ook van Geel eene volledige levens- en karakter-\\nschets te geven; hij had het plan ook opgevat; zijn dood\\nheeft de uitvoering verhinderd. Iets later schreef de\\nMaatschappij van Fraaie Kunsten en Wetenschappen eene\\nprijsvraag uit over Jacob Geel, tweemaal zelfs. Het was\\neene onschuldige wraakoefening op den schrijver van het\\n//Tafelgesprek over zaken van groot gewigt die boven-\\ndien de ware reden, welke hem voor zijn lidmaatschap\\nvan de Leidsche Maatschappij van Letterkunde deed be-\\ndanken, trachtte te verbergen met de ondeugende verze-\\nkering, dat hij in de roemrijke levensberichten niet ver-\\nkoos uitgeluid te worden. Er is geen antwoord ingeko-\\nmen. Ik hoop, dat mijne bijdrage aan de nagedachtenis\\nvan Geel niet onwaardig zal geoordeeld worden.\\nAan den tekst der verhandelingen heb ik niets veran-\\nderd en ook de spelling van de vroegere uitgave behou-\\nden. Drukfouten zal men weinig aantreffen, denk ik.", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0047.jp2"}, "48": {"fulltext": "XXVI\\nEr zijn van Geel in onze taal nog Curiosa over, zooals\\n//Pillen en Beenen; zelf verzen uit zijne jeugd, waarvan\\nhij later niets wilde weten; het is ook alles van minder\\nbeteekenis.\\nDit Proza kan echter nog op ons Proza en onze Po\u00c3\u00abzie\\nden heilzaamsten invloed uitoefenen; het worde dan vlijtig\\nbestudeerd\\nLeiden, W. P. WOLTERS.\\nAugustus 1871.", "height": "4360", "width": "2620", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0048.jp2"}, "49": {"fulltext": "I.\\nDe Leidsche Afdeeling onzer Maatschappij houdt eenige avon-\\nden des winters openbare vergaderingen, waarin een spreker,\\nsomtijds twee sprekers optreden: de tweede na den eersten.\\nDan stroomt er een groot getal toehoorders heen of uit nieuws-\\ngierigheid, of uit welwillendheid, of uit gewoonte, of uit ge-\\nbrek aan ander tijdverdrijf. Wanneer deze vier drijfveren al-\\nlen te gelijk werken, dan is er geen plaats genoeg. De rede-\\nvoeringen der sprekers zijn ernstig, leerzaam, enkele keeren\\nzelfs deftig. Dat alles is openbaar en bekend, en er is niets\\nin, dat ook niet elders plaats heeft. Maar de Leidsche Afdee-\\nling heeft tevens maandelij ksche bijeenkomsten. Deze zijn\\nbesloten: slechts de leden komen te zamen. Daar wordt het\\nbelang der huishoudelijke zaken behandeld, en er treedt daarna\\neen spreker op, en hij leest. Meent niet, G. T! dat\\nmen daar de belijders eener oude filosofische leer navolgt, die\\nhet duistere onderling ter tafel bragten, en elkander naar het\\nhoog verhevene opvoerden, terwijl zij, in het openbaar, tot\\nde vatbaarheid van minder geoefenden afdaalden. In tegen-\\nl Zoo als dit opstel te Rotterdam voorgedragen is.", "height": "4384", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0049.jp2"}, "50": {"fulltext": "2\\ndeel: de leden der Leidsche Afdeeling zweven, in die afgeslo-\\nten bijeenkomsten, over de oppervlakte der dingen: men zoekt\\ner den geest te ontspannen, en elkander als bij verrassing iets\\nte leeren. Het geschater der drinkgelagen wordt er niet ge-\\nnoord; maar de sprekers hebben daar zulk een natuurlijken\\ntakt, dat zij gevoelen, hoe een toehoorder in belemmering en\\nverlegenheid zou geraken, wanneer hij, met een pijp in den\\nmond, en een glas in de hand, een traan moest wee-\\nnen. Dit verschijnsel behoort tot de geschiedenis der be-\\nschaving en der letteren; het zij dan dat het een vooruitgang,\\nof een schuinsche beweging, of een teruggang aanduide.\\nToen ik de eer genoot, tot een spreekbeurt in uw midden\\nuitgenoodigd te worden, was ik onvoorbereid tot het meer\\nopenbare: en ik moest of die eer dankbaar en beleefdelijk van\\nde hand wijzen, of u, als bijlage of bewijsstuk van deze his-\\ntorische mededeeling, een mijner eigene geheimere opstellen\\nvoordragen. Ik heb, met moeite, het laatste gekozen.\\nIndien gij uit heuschheid den schijn aanneemt eener gespannen\\naandacht, maar scheidende zegt: is het anders niet? dan weet\\nik, dat ik het met u bejammeren zal, dat het niet anders is;\\nmaar ik zal de vrijheid nemen, de schuld uwer teleurgestelde\\nverwachting van mijne rekening over te dragen op die van\\nuwen ijverigen, dringenden en vriendelijken voorzitter.\\nOngeveer drie jaren geleden las ik aldus:\\nIk heb op mij genomen, dezen avond eenige oogenblikken\\nalleen te spreken of te lezen, in de hoop dat gij z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 lang\\ngoedt zoudt vinden te zwijgen. Meer niet, M. H! want eene\\nverhandeling te maken, lag niet in mijn plan. Onze afgeslo-\\nten bijeenkomsten laten een stijl in huisgewaad toe; en gij\\nhebt er geen regt, om van den spreker te zeggen: wat", "height": "4352", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0050.jp2"}, "51": {"fulltext": "hij ons verveeld! want gij hebt intusschen allerlei houdingen\\nvoor uw gemak kunnen aannemen, en, wat meer zegt, uwe\\npijp kunnen rooken. Hoe dikwijls hebt gij niet gerookt bij\\ngebrek aan gedachten, tot dat een enkelen keer uw damp in\\nden vorm van een zuiveren cirkel opsteeg, en u over dit na-\\ntuurverschijnsel deed nadenken, zoodat gij het rooken vergat?\\nIk vergun u die kringetjes na te kijken, en het rooken en\\nden lezer te vergeten, mits gij mij toestaat voort te praten,\\nopdat ik bij het naar huis gaan ten minste zal kunnen zeg-\\ngen: ik heb mijn woord gehouden.\\nTot z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 verre mijne inleiding: nu de aankondiging van het\\nonderwerp. Het vinden van een goed onderwerp is de grootste\\nmoeite voor een spreker: daardoor kiest hij er zoo dikwijls een,\\ndat beneden of boven zijn talent is. In het eerste geval le-\\nvert hij soms het beeld van eene opgeschikte schoone, die niet\\nschoon is. In het laatste geval zou ik, met verlof van B.\\nen S. lust hebben, onze taal met een nieuw woord te verrij-\\nken: want er bestaat dan inderdaad geen onderwerp meer; de\\nzaak is aan den behandelaar niet onderworpen, noch onder\\nzijne magt; noemt het bovenwerp of bovenhangsel het is zeker\\niets, waarnaar hij springt en grijpt, en dat hij niet naar on-\\nder kan krijgen. Ik voor mij M. H! (het zij met de behoor-\\nlijke zedigheid gezegd) sta huiverig tusschen die beide uiter-\\nsten, en heb daarom lang nagedacht, wat ik, zelfs in zulk\\neene ge\u00c3\u00afmproviseerde lezing, behandelen zou. Uit de theorie\\nder fraaije kunden en letteren? Onze Maatschappij loopt weg\\nmet dat vak, en houdt er de hand aan. Zeer natuurlijk!\\nwant hare bemoeijing lokt merkwaardige verschijnsels uit, en\\nhet duidelijke onderscheid tusschen theorie en praktijk. De\\ntheorie dus? Maar de Belgen met Surlet I aan hun\\nhoofd! Zal ik over een ouden schrijver spreken, en er stuk-\\nken uit vertalen? Met ongelukkig uitgedacht! want hoe ouder\\n1*", "height": "4360", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0051.jp2"}, "52": {"fulltext": "4\\nde man is, des te sterker verbeeldt de verhandelaar zien, dat\\nhij wat nieuws zegt, en onder het vertalen en inlasschen van\\novergenomen stukken, groeit de verhandeling zoetjes aan, tot\\ngroote streeling van den verhandelaar. Over een ouden\\nauteur dus? Maar de non-interventie en die leelijke vrij-\\nheidszucht van de Europesche volken! Zal ik over onze\\ntaal spreken, of, met nog dieper blik, in de algemeene taai-\\nbeginselen indringen, over den oorsprong der oude talen han-\\ndelen, over haar wasdom, ondergang en verder gebruik?\\nNuttige bespiegelingen, en waarbij de toehoorders aangenaam\\nbezig gehouden worden door de onzekerheid, waar de spreker\\nhet meest mede ingenomen is, met een doode of met een le-\\nvende taal, en of hij een doode levend of een levende dood\\nmaakt! Maar onze armee en van Speyk!\\nGij ziet het M. H de gebeurtenissen van den dag met al\\nhare wisselvalligheid, met al den angst en kwelling, die zij\\naanbrengen: zij verhinderen mij te huis eene stofPe te vin-\\nden, waar de gedachten dikwijls zoo treurig verstrooid, de\\ninspanning zoo dikwijls verlamd de belangstelling zoo dikwijls\\nvernietigd wordt. Met of zonder uw verlof, zal ik mijn\\nonderwerp zoo ver mogelijk van hier zoeken, en een weinig\\nover het reizen praten. Ik zou regt hebben te zeggen, dat ik\\ner over mee mag spreken: want ik heb tweemaal gereisd, en\\nvrij verre van huis; doch gij zoudt kunnen denken, dat er\\nin die praktijk velerlei manieren zijn, en een groote verschei-\\ndenheid van aanleg, om naar behooren te reizen. Op de\\nAlpen heb ik een Hollander ontmoet (wij zijn hier onder ons,\\nM. H!) die een der bergstroomen zag voortspoeden, en, in\\nzijne wijze van verrukking, uitriep: waar of al dat water\\nblijft! Ik heb anderen ontmoet, die in besloten koetsen voort-\\nrolden, en s nachts al slapende zoo veel wegs mogelijk afleg-\\nden. Ik voor mij ben met deze wetenschap op weg gegaan", "height": "4336", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0052.jp2"}, "53": {"fulltext": "dat een stroom uit eene bron voorkomt en naar zee vloeit,\\nen dat men slapende de natuur niet zien kan. Of ik nog\\nmeer bekwaamheden op reis medegenomen heb, mag ik zelf\\nniet beslissen. Genoeg, M. H! gij hebt het onderwerp gehoord.\\nMisschien spitst gij u reeds op het vernemen van een reisver-\\nhaal! Ik heb te huis zeer veel aanteekeningen liggen, met\\npotlood geschreven, omdat ik tot het opteekenen ieder oogen-\\nblik van den dag waarnam. De ondervinding had mij geleerd,\\nwat er van komt, als men dien arbeid tot het eind van iede-\\nren reisdag verschuift. Van daar, dat zeker reiziger, in zijn\\nuitgegeven journaal, bij zekeren datum opgeteekend heeft: God\\ndank! ik heb van daag tdets gezien, dat de moeite waard was.\\nEn die aanteekeningen nu? Ach, M. H ik had veel moeite\\nkunnen sparen: want zij zijn zoo weinig belangrijk, en niet\\nveel meer dan reizen in mijn kamer reizen rondom mijn schrijf-\\ntafel, en zoo veel andere reizen, als er ooit met de minst\\nmogelijke locomotie gedaan zijn. Ik heb er daarom bij ge-\\nschreven, dat zij, na mijnen dood, moeten verbrand worden,\\nopdat zij niet in eenig magazijn of verzameling van afgekeurde\\nverhandelingen en andere wetenswaardige dingen verzeild ra-\\nken. En wat zoudt gij er eigenlijk bij winnen, wanneer\\nik u vertelde dat ik tot voorbij Dresden gereisd heb\\nen op den Lilien-Stein bijna in een spleet van 500 voet diepte\\ngeraakt ben, en dat ik roekeloos genoeg was, om in een\\nbootje op de Middellandsche zee bij Genua te dobberen\\nterwijl de Eranschen Algiers beschoten? gij kunt de beschrij-\\nving van die zee en van die spleet en van Algiers in honderd\\nboeken vinden. Het gaat met zulke mededeelingen even als\\nmet zoo vele van wetenschappelijken aard: men kan er niets\\nanders op antwoorden dan ei ei\\nMaar wat zullen wij dan van u hooren, vraagt gij. Ik\\nheb het reeds gezegd, M. H! geen verhaal boven op een", "height": "4364", "width": "2592", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0053.jp2"}, "54": {"fulltext": "stellaadje met de noodige prenten, teekeningen en lampen,\\nzoo als ik ze wel eens met groot genoegen gehoord heb;\\nmaar een zedig, burgerlijk iets over het reizen: losse gedach-\\nten uit mijne reis ontleend. Daarom zal ik misschien nu en\\ndan iets uit mijn aanteekeningen of uit mijn geheugen ver-\\nhalen. Ik zal die losse gedachten aan zekere punten vast-\\nbinden, zonder te zeggen: in de eerste plaats: in de tweede\\nplaats. Hoe veel punten, en welke, zeg ik niet vooruit. Gij\\nhebt vrijheid om naar het laatste te verlangen; maar ik houd\\nniet van nagerekend te worden.\\nWat doet ons reizen? Wij willen zien, wat buiten den\\nkring is, waarin wij ons gewoonlijk bewegen. Daarmede\\ngeven wij te kennen, dat die kring niet genoeg voor ons\\nis: omdat hij niet genoeg voor ons is, zijn wij er niet mede\\nte vreden: en omdat wij er niet mede te vreden zijn, ver-\\nvelen wij er ons in. Yalt mij nu niet in de rede M. H\\nHet eerste punt staat door een redeneringsreeks vast: verveling\\nte huis. Zoo is het van de oudste tijden af geweest. Zondert\\nUlysses uit, die nolens volens reisde, en bij Calypso en elders\\nde genoegens waarnam, die zich in het voorbijgaan opdeden.\\nMaar met Herodotes begint zeker de reeks van reizigers, die\\nzich te huis verveelden. Hoe kon hij immers, uit enkele\\nnieuwsgierigheid, het schoone Griekenland verlaten, terwijl hij\\nwist, dat hij, buiten deszelfs grenzen den neus stekende,\\nterstond onder barbaren zou rondwandelen? Het woord ver-\\nveling klinkt hard, M. H! wanneer men het lieve vaderland\\nen de geboortestad en den zoeten huisselijken kring er tegen-\\nover zet. Maar het harde woord moest er uit: gij zult er\\naan gewennen. Altijd dezelfde vrouw en dezelfde kinderen\\ntegenover zich te hebben, moet vervelend zijn: men raakt er\\nmede uitgepraat. Beproeft het, wanneer gij een gezelschap\\naan uwen disch noodigt: zet, naar oud-voorvaderlijk gebruik,", "height": "4356", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0054.jp2"}, "55": {"fulltext": "echtgenooten of boezemvrienden naast malkander, en er zal\\ngeen levendigheid van gesprek, maar, tegen het nageregt,\\nveel verknepen gegeenw zijn. En hij die het genoegen van\\nden hnisselijken kring mist: waarom? dat is zijne zaak\\ndoch hoe zijne eenzelvigheid door onbevoegden ook beoordeeld\\nworde, hij zit van daag alleen, en hij zal morgen alleen zit-\\nten, en dat is vervelend, al slaat hij dikwijls Cicero op, en\\nleest er, dat Scipio gewoon was te zeggen, TturtoquOm se minus\\nsol Kui esse auarn auum solus esset. Het is snedig gezegd,\\ndoch Cicero en Scipio, en allen die het hun nazeggen, offeren\\nveel waarheid aan de woordspeling op. INXij dunkt, het zou\\ngemakkelijk te bewijzen zijn, dat men van zichzelven verveeld\\nkan worden. Maar men mag zijn huis uitgaan? Jawel!\\naanstonds dezelfde gevels van uwe overburen in het gezigt:\\nvoor dezelfde glasramen moet gij uwen hoed afnemen dezelfde\\nkennissen moet gij op straat groeten of aanspreken. Gaat\\ngij buiten de poort altijd hetzelfde Endegeest, en, zoo gij\\ndigter bij huis blijft, altijd dezelfde buitensingels met staande\\nof liggende boomen, naarmate dat de regering snoei- of rooi-\\nlust gevoelt. \u00e2\u0080\u009eBezigheid, zegt men, is het onfeilbaar genees-\\nmiddel der verveling: bezigheid van beroep of van liefhebberij.\\nEen geneesmiddel het is mij wel maar onfeilbaar Ik heb\\nniet noodig allerlei bezigheid op te noemen, en te beproeven\\nhoe sterke middelen zij zijn. Ik herinner u slechts, dat men\\ndikwijls van vervelend werk, vervelende bezigheid, vervelende\\nambten hoort spreken. Werk van liefhebberij, wanneer het\\nden geest bezig houdt, is verterend of voortbrengend. Ver-\\nteren is lezen. Wanneer men nu de literatuur van een paar\\ngoede tijdvakken kent, zegt mij, M. H! welk nieuws een\\nderde zal opleveren. Het zijn altijd dezelfde woorden, maar\\neenigzins anders geplaatst: dezelfde gedachten, met wat meer\\norde of wanorde geschikt. Toen de kaleidoskoop uitgevonden", "height": "4364", "width": "2652", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0055.jp2"}, "56": {"fulltext": "8\\nten minste in alle huizen gevonden werd, en ik het ding\\nzag, dacht ik: \u00e2\u0080\u009edaar ga ik zeker acht dagen achtereen mee\\nzitten te draaijen en te kijken! en zoo dachten er velen;\\nmaar het waren altijd dezelfde snuisterijtjes in dezelfde bus\\nrondwemelende en toen men dat begon te bemerken, geloof\\nik dat men het instrument aan de kinderen overgelaten\\nheeft. Ik neem de vrijheid, M. H u de vergelijking van\\nde fraaije letteren met den kaleidoskoop aan te bevelen: denkt\\ner eens over na. Van de geschiedenis spreek ik niet eens.\\nEen oostersch vorst (zijn naam doet niets tot de zaak ook ken\\nik dien niet) die veel historie weten wilde, maar tegen den\\nberg historische boeken opzag, zette al de geleerden van zijn\\nrijk aan den arbeid, om uittreksels te maken. Toen zij gereed\\nwaren, vond hij hunne pandecten nog z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 dik, dat hij al\\nweder inkorten liet, en daarna nog eens, ten derden male.\\nHoe lang die arme inkorters gezwoegd hebben, weet ik niet,\\nmaar wel, dat de bekwaamste van allen, die er in eens af-\\nwilde wezen, aan den vorst zeide: \u00e2\u0080\u009eSire! wij hebben nu zoo\\nveel ingepalmd als mogelijk was wat er overblijft is ken\\nu zelven Eekent nu eens, M. H! hoe doodelijk vervelend\\nhet is, altijd te lezen: Ken u zelven! Voortbrengen schijnt\\nonderhoudend en eene altoos vloeijende bron van genoegen,\\nzelfs wanneer men voortbrengt wat anderen vervelen zal. Men\\nbrengt voort om voordeel, of om eer, of uit liefde tot het\\nvoortbrengen. Het eerste is eene noodzakelijkheid: het tweede\\nlevert muffen wierook van recensenten en letteroefeningen:\\nstaat dien eens lang door, zoo gij kunt! Het derde? ik\\nheb er eerbied voor, M. H! wie voortbrengt, omdat het\\nvoortbrengen hem een genot voor den geest is, hij mag te\\nhuis blijven en behoeft niet te reizen.\\nIk zie geen mogelijkheid om die vervelingen een tijd lang\\nte ontkomen, dan met op reis te gaan. De geest verkrijgt,", "height": "4364", "width": "2620", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0056.jp2"}, "57": {"fulltext": "gedurende dien tijd, nieuwe veerkracht en moed, en het\\nligchaam wordt gezonder. Ik weet niet, M. H! of gij\\nbemerkt, dat ik een nieuw punt vastzet. De overgang was\\ngemakkelijk, en het nieuwe punt is van groot belang. Ik heb\\nop reis eenen heer ontmoet, die te huis aan verstoppingen\\nen hoofdpijnen leed. \u00e2\u0080\u009eZoodra zit ik niet in een diligence,\\nmijnheer zeide hij of ik ben een ander mensch de hoofdpijn\\nhoudt op, en alles wordt losser. Hij bedoelde namelijk dat\\nde diligence snel rijden moest, en over de grenzen, en ver\\nweg. Dat gaf, zei hij beweging en verandering van klimaat\\nen omdat ligchaam en ziel in zulk een naauw verband staan\\ntevredenheid en onbezorgdheid. Ook was hij gewoon de laatste\\nzoo sterk aan te kweeken, dat hij, bij zijn vertrek, zijn huis-\\ngenooten verzocht hem geen brieven na te zenden of er\\nmoest iemand gestorven zijn, als wanneer hij natuurlijk terug\\nzou komen, om voor de begrafenis te zorgen. Ik weet\\nover dit punt niets meer te zeggen, M. H! ik houd niet van\\nuit te rekken, wat afgehandeld is. Ook zou ik op het gebied\\nder geneeskunst komen: en daarvan heb ik geen verstand.\\nEaadpleegt de Doctoren! of liever, raadpleegt hen niet!\\nwat hebben zij aan reizende pati\u00c3\u00abnten?\\nDe overgang tot een derde punt zal zoo gemakkelijk niet\\nzijn. Ik wilde iets over de mensclienkennis zeggen, terwijl\\nligchaamsgezondheid en menschenkennis weinig punten van\\naanraking hebben. Den aanhef van een betoog te vinden, is\\nwaarlijk een arbeid: cojpia facit inopiam. Sommigen beginnen\\nmet niets is er: anderen met: het is dikwijls opgemerkt\\nanderen weer met: onder alle de: bij een betere gelegen-\\nheid zal ik der Maatschappij een voorstel doen, om door eene\\ncommissie een lijst van aanheffen te doen vervaardigen en uit-\\ngeven menigeen zou er dankbaar voor wezen dimidium facti\\nqui coepit habet zei Horatius, en wie heeft er ooit meer", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0057.jp2"}, "58": {"fulltext": "10\\nmenschenkennis gehad dan hij? Of hij ze juist met reizen\\nopgedaan heeft, is onzeker: en, wanneer wij de zaak goed\\nnagaan, dan zouden wij ligt vermoeden, dat men die kennis\\nwel te huis op kan doen. \u00e2\u0080\u009eOnze beste kennissen, die wij\\nbijna dagelijksch zien, die kennen wij zegt gij. Zoo meent\\ngij, M. H! maar gaat er mede op reis: dan zult gij nog\\nmeer leeren. Gij zult elkander alle dagen (met verlof) tot op\\nhet hemd bekijken. Ik bedoel niet het gezamenlijk naar bed\\ngaan want men kan zich ieder in een afzonderlijk vertrek ter\\nslaap begeven. Ik spreek overdragtelijk M. H en ik doel\\nop het fransche spreekwoord: il ny a pas de h\u00c3\u00a9ros pour son\\nvalet de cJiamhre. Verholen deugden of kleine zwakken en\\ngebreken komen voor den dag, bij hen en bij u. Er is op\\nreis allerlei beproeving voor het humeur; er is genot en\\nspraakzaamheid, er is vreugd en luidruchtigheid, er is teleur-\\nstelling en gemelijkheid; er is hoop en vrees, moed en bang-\\nheid; en dit alles met oneindig grooter snelheid van afwisse-\\nling dan gij ooit te huis kunt ondervinden. Wees zoo\\nbefaamd een held als gij wenscht: rok en broek moeten uit,\\nen gij staat voor uwe reisgenooten in het hemd. Ik ben\\nmet twee vrienden op weg geweest, en had ligte ongesteldhe-\\nden, in het Schwarzwald en te Genua: ik ondervond dat zij\\nbelang in mij stelden: want zij bezorgden mij, als of ik ge-\\nvaarlijk krank was. Wij bezochten in het Walliserland de\\nPissevacJie, een beroemden waterval, dien gij overal beschre-\\nven kunt vinden. Wanneer gij al die beschrijvingen zult ge-\\nlezen hebben, en de mijne er bij (zoo ik er het talent toe\\nbezat), gaat dan evenwel naar het land der watervallen. Al\\nhet geklots en gespat en gebruisch, waarmee gij in die be-\\nschrijvingen om- en overplast wordt, het mag misschien be-\\nwijzen, dat er een onderscheid is tusschen po\u00c3\u00abzij van het hart,\\nen po\u00c3\u00abzij der zintuigen; maar gij zult er niet verder mee ko-", "height": "4352", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0058.jp2"}, "59": {"fulltext": "11\\nmen. Gij zult daarbij niets gewaar worden van die magt,\\nwaarmee de denkbeelden der majesteit, der hoogste levenskracht,\\nder eeuwige duurzaamheid, uwe ziel van iedere gedachte aan\\nhaar zelve ontledigen, en ze toch niet vervullen, omdat die\\nzamengevatte denkbeelden overweldigend maar onbestemd zijn,\\nen u doen gevoelen, dat u iets ontbreekt, en dat gij iets hoo-\\ngers behoeft, wat deze omringende zinlijkheid u niet geven\\nkan. Bij zulk een schouwspel zult gij niet spreken noch zin-\\ngen, maar gij zult er sprakeloos bij staan, zoo lang uw weg-\\nwijzer niet zegt: Allons, Messieurs, avancons! Zulk een\\nwaterval is echter die niet, waarvan ik spreek: gelukkig voor\\nde po\u00c3\u00abzij, en voor den aanschouwer, die de onaangename slin-\\ngering niet ondervindt tusschen stomme bewondering en het\\nzoeken naar het tertiurn compara\u00c3\u00bconis der benaming. Bij\\ndezen val ligt een heuvel, M. H! waarop men digt bij den\\nrotswand staat, waarlangs de stroom nederdaalt, en in de\\ndiepte ziet, waar het water, omdat de stroom niet rijk en de\\nhoogte aanmerkelijk is, in druppels en schuim als sneeuwvlok-\\nken nederploft. Het beklauteren van dien heuvel was moeije-\\nlijk, M. H! omdat hij steil is, en het waterstof, uit de rots-\\nspleten teruggekaatst, den grazigen kruin gedurig besprengt en\\nglad maakt. Wij hadden er boven op gestaan, en begonnen\\naan den anderen kant af te dalen, voorzigtigiijk, voet voor\\nvoet, toen ik niets van belang, M. H! ik miste mijn por-\\ntefeuille met mijn aanteekeningen. Ik liet een kreet hooren\\nen keerde terug denkende met ons drie\u00c3\u00abn zullen wij het ding\\nwel terugvinden. Ik was voorop en vond de portefeuille bij\\nhet punt der eerste bestijging, en riep uit: daar heb ik ze\\nmaar er was niemand achter mij mijne vrienden waren aan\\nden anderen kant reeds op gelijken vloer. Ik besloot daaruit,\\ndat ze aan zulke nietigheden minder hingen dan ik, en leerde\\nhen en mij beter kennen.", "height": "4364", "width": "2652", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0059.jp2"}, "60": {"fulltext": "13\\nUit het liefelijke dal van Meyringen tot op de hoogte van\\nden Grimsel, hadden wij een dag van veel genot, maar ook\\nvan groote moeite: ons gezelschap was vermeerderd door den\\nHeer N. N. een braven Hollander. Heerlijke natuurtooneelen\\nleverde de weg op, waarvan de val van den Handek een der\\nlaatsten was. Het stijgen duurde nog uren lang de vegetatie\\nverliet ons allengs het bergpad was dikwijls zeer eng tusschen\\neen rotsmuur en eenen afgrond ingesloten verward dooreenlig-\\ngende steenbrokken en naar den rand hellende glibberige rots-\\nvloeren, maakten het klimmen bezwaarlijk voor den reiziger\\nop zijn muildier, die de bewegingen van het lenige beest moest\\nvolgen, dat zich in allerlei bogten wringt, om zijn weg over\\nstronk en bonk goed te maken: en voor den voetganger, die\\nzijn vermoeijenis niet meer kon vergeten in het wonderbare\\nen verrassende van de omliggende natuur: want de avond viel,\\nen de schemering is daar kortstondig: en de wolken, die den\\ngeheelen namiddag beneden de toppen der bergen gehangen\\nhadden daalden lager en omgaven ons met nevel en regen.\\nIn de duisternis, om half negen ure (het was de ll de Augus-\\ntus) bereikten wij het hoogste punt der bestijging. Het is\\neen ruime valei, 5000 voet hoog, koud en bar, waar geen\\nrundvee graast: slechts de geit vindt er een schraal voedsel.\\nDe herbergzame Zwitser heeft hier een huis gebouwd, waar\\ngij den nacht door kunt brengen: dat is zeer veel, en meer\\nzoudt gij er ook niet begeeren; want gij wenscht geen tijd, om\\naan dit onvriendelijk oord te gewennen, waar uw oog geen\\nander rustpunt heeft dan den ijzerkleurigen Schreckhorn en\\nzijn hooge sneeu wvelden terwijl gij in zoo weinig uren uit\\nhet volste leven der natuur in haren doodslaap schijnt overge-\\nbragt. In de herberg waren geen haardsteden, dan in de keu-\\nken en wij waren verkleumd! De ons aangewezen vertrek-\\nken waren hokken, die een onrustigen nacht voorspelden. Het", "height": "4352", "width": "2604", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0060.jp2"}, "61": {"fulltext": "13\\nweder was slecht geworden, en den volgenden dag zou men\\neen eind wegs moeten afdalen, om nog voor den avond de\\nhooge keten van de Furca over te trekken! Verwondert\\nhet n, M. H! dat, na zoo veel doorgestaan te hebben, en bij\\nzulk een vooruitzigt, een gedeelte van het gezelschap wankel-\\nmoedig werd? \u00e2\u0080\u009eWat winnen wij, zeiden zij, \u00e2\u0080\u009ebij zulk een\\nellendig getob? Over de Furca is zeker de kortste weg naar\\nden Gothard en de Duivelsbrug; maar wij hebben tijd, en\\nzouden verstandiger doen, zoo wij morgen terugkeerden naar\\nMeyringen, en van daar een anderen weg namen. De\\nHeer N. N. naar zijn gevoelen gevraagd zijnde, antwoordde:\\n\u00e2\u0080\u009ezeker, ik moet het bekennen, dit is een moeijelijke togt, en\\nzoo wij morgen naar Meyringen terugkeeren, dan kunnen wij\\neen anderen weg inslaan. Er was een ander gedeelte van\\nhet gezelschap, dat een verschillende meening had: immers\\nhad men zich vrijwillig in de Alpen begeven de weg over de\\nFurca beloofde veel zuren arbeid, maar ook het gezigt van\\nden Ehone-gletscher en, na al het doorgeworstelde, het zoete\\nmeminisse iuvabit. De Heer N. N* merkte hierbij op: \u00e2\u0080\u009eja,\\nneen! (met dit dubbel tusschenwerpsel was hij gewoon klem\\naan zijn redenen te geven) \u00e2\u0080\u009eja, neen! zeide hij, \u00e2\u0080\u009ede weg\\nover de Furca zal z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 niet wezen, of wij zullen er wel over-\\nheen komen. De eerste partij zag weinig heils in het\\nvoorspelde iuvabit, en berekende dat de bergwegen door den\\ngevallen regen glibberig en gevaarlijk zoude zijn. De Heer\\nN. N. moest \u00c3\u00b3\u00c3\u00b3k bekennen, dat het wel gebeuren kon dat de\\nregen den weg vochtig gemaakt had. Doch de tweede partij\\nbragt in, dat deze zwarigheid bijna even groot zou zijn, indien\\nmen den hondenweg terugging. \u00e2\u0080\u009eJa, neen! zeide N. 1S T als\\nwij terug keeren, zullen wij \u00c3\u00b3\u00c3\u00b3k een nat pad hebben. De\\neerste partij gaf het niet op, maar beweerde dat de weg over\\nde Furca ons, den volgenden avond, eerst zeer laat te Hqpi-", "height": "4364", "width": "2608", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0061.jp2"}, "62": {"fulltext": "14\\ntal, het nachtverblijf op den straatweg van den Gothard, zon\\nbrengen, zonder eenige pleisterplaats tnsschen beide: welk be-\\nzwaar door den Heer N. N. aangedrongen werd met de op-\\nmerking, dat wij dan al weder in de duisternis zonden aan-\\nkomen en ons onderweg niet zonden knnnen ververschen.\\nDe tweede partij gaf haar vermoeden te kennen, dat men zich\\nin de berekening van den afstand verzon, en sloeg voor, dat\\nmen vroeg op weg zon gaan waarop N. N. zeide dat de af-\\nstand van den gemelden straatweg misschien zoo groot niet\\nwas, als men vreesde, en door ons reisboek van Ebel opge-\\ngeven werd, en dat, hoe vroeger men op weg ging, men des\\nte vroeger zon aanlanden.\\nIn die besluiteloosheid, M. H! bragten wij eenen nacht op\\nden Grimsel door in vuile kribben: de \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n met wind op\\nzijn wangen door een gebroken glasruit de ander met nog groo-\\nter ongemak, dat men in fatsoenlijk gezelschap altijd in de verte\\naanduidt, maar nooit bij zijn naam noemt. De volgende och-\\ntend vond ons in dezelfde stemming: maar de tweede partij\\nhad kracht gewonnen: want de morgen was koud en scherp,\\nmaar helder en het schouwspel dat door een vrolijke zon ver-\\nlicht, voor onze oogen lag, vreemd en ontzagwekkend. De\\ngeitenhoeder van de herberg, beter onderrigt dan onze gids,\\nhaalde breed uit van de wonderen op den Furca-weg, en (let\\nwel M. H hij wist ons drie pleisterplaatsen op te noemen.\\nAan het ontbijt zat mede, op onze banken, een Duitsch stu-\\ndent, kras en levendig: hij kwam van de Furca, haastte zich\\nnaar Meyringen, en toen de eerste partij hem over al de ver-\\nschrikkingen van zijn afgelegden togt raadpleegde, antwoordde\\nhij, in de vlugt: \u00e2\u0080\u009ees ist gar nichts, meine Herren, immer\\nein bequemer Basenpfad nam afscheid van ons en zijn bun-\\ndel op den rug, greep zijn alpenstok, en wipte neuri\u00c3\u00abnd weg. Zegt\\nmij M. H of men boven op den Grimsel menschen leert kennen.", "height": "4356", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0062.jp2"}, "63": {"fulltext": "15\\nIk vrees, M. H! dat gij mij uitlagchen zult niet mijn\\nmenschenkennis op reis. Immers, men moet menschen in\\nmaatschappijen vereenigd leeren kennen, en hunne zeden en\\nhun eigen karakter: dat is de pligt van den reiziger! Ik\\nheb er niets tegen, M. H! maar ik heb zoo veel scheeve en\\nschele oordeelvellingen van vreemden over ons Hollandsen\\nkarakter gehoord en gelezen, dat ik dit besluit opgemaakt\\nheb: niets is moeijelijker, dan een volk in zijn huishoude-\\nlijken toestand te bespieden: er wordt veel talent toe gevor-\\nderd, en een lang verblijf onder hen. Ik voor mij, ben\\nomtrent het karakter der volken, wier landen ik doorwandeld\\nheb, niet veel wijzer geworden, dan ik te voren was. In\\nItali\u00c3\u00ab groet u niemand langs den weg gij trekt den Alpenmuur\\nover, en ieder landman, die u ontmoet, wenscht u Gods\\nzegen. Het besluit is gereed: de Italiaan is een lompert, en\\nde Zwitser een vriendelijk man: en toch, M. H! ben ik in\\nItali\u00c3\u00ab dikwijls hartelijk behandeld, en in Zwitserland (vergeeft\\nde uitdrukking) bitter in den nek gezien. Is dan misschien\\nde Italiaan ernstig en de Zwitser luchtig? Juist andersom,\\nM. H! Ik weet het niet, en moet er nog eens over naden-\\nken. Maar het komt mij voor, dat die studie nooit moeijelij-\\nker kan geweest zijn dan tegenwoordig, vooral in de meest\\ndoorreisde gedeelten van Europa. Overal dezelfde soort van\\nstraatwegen, van herberging, van bediening. Gij zijt meest\\nin een stroom van reizende menschen uit de gegoede of\\nhoogere klasse, die door de algemeene beschaving zoo gesnoeid,\\ngeschaafd en gekleurd zijn, dat zij, de taal uitgezonderd, op\\nelkander gelijken als eijeren. Ik was op de stoomboot van\\nYilleneuve naar Gen\u00c3\u00a8ve, en werd door een heer in het Duitsch\\naangesproken, met wien ik in die taal een langdurig gesprek\\nvoerde. De togt over het schoone meer leverde stoffe in\\novervloed op. Het doorschijnend smaragd-groen water 5 waar-", "height": "4364", "width": "2608", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0063.jp2"}, "64": {"fulltext": "16\\nvan men den bodem zien kan, tot op 30 voet diepte: de\\nzachtrijzende noordkust met haar rijken akkerbouw, en het\\nvrolijk liggende Lausanne, sterk gekleurd door een gloeijend\\nzonlicht: de sombere zuidkust met haar steile oevers, en het\\nverder wegwijkende Savoysche gebergte, reusachtig en graauw,\\nmet donderwolken op de toppen bedekt; regts rijkdom en\\nwelvaart, links stoute natuur, maar schrale bodem, door geen\\nnijverheid verholpen; hier de vrucht eener milde regering,\\nginds de uitwerkselen eener kleingeestige een oogenblik,\\nM. H! over staatkunde laat ik mij van avond niet uit\\nmaar toch, dit alles hield ons gesprek aan den gang, en ik\\ndacht: hoe levendig gevoelt de Duitscher alles wat hem treft!\\ndit heeft hij boven ons vooruit Deze tusschengedachte gaf\\nmisschien aanleiding, dat ik weldra van Holland sprak, en\\ndoor mijn man gevraagd werd: //Urn vergebung, haben sie\\nvielleicht Holland bereiset? Ik antwoordde: \u00e2\u0080\u009eFreilich, wenn\\nnur ein Hollander so behaupten darf. \u00e2\u0080\u009eDan kunnen wij\\nhet ons nog gemakkelijker maken, mijnheer, zeide hij: want\\nik ben een Kotterdammer en hield u voor een Eranschiuan.\\nGij ziet hieruit tevens, M. H! dat men gewoonlijk al te\\nbreed opgeeft van de taalkennis, die men al reizende opdoet:\\nintegendeel is er veel gelegenheid om het goede te bederven,\\ndat uw leermeester u te huis ingescherpt heeft. \u00e2\u0080\u009eMets is wel-\\nluidender, zegt. men, dan het Duitsch in den mond eener\\nbeschaafde vrouw. Gaat dan ten minste niet naar West-\\nphalen, of, indien de beschaving van die streek bij u verdacht\\nis, niet naar Zwitserland. Gij weet, dat een gedeelte van. dit\\nvolk Duitsch spreekt, en dat het hun moedertaal is. Ik heb\\nte Z\u00c3\u00bcrich zeer beschaafde vrouwen ontmoet, vrouwen van\\nHoogleeraren. Het was smartelijk, M. H! de uitdrukking\\nharer vriendelijkheid en Zwitsersche gulhartigheid te hooren in\\nkeelklanken, uit het diepste der longen opgerogcheld, zelfs dan", "height": "4332", "width": "2652", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0064.jp2"}, "65": {"fulltext": "17\\nwanneer zij ten gevalle van den vreemdeling niet het verbas-\\nterd AHemanniseh dialekt, maar fatsoenlijk Duitsch spraken.\\nGaat ook niet naar Lombardye noch in het beschaafde Milaan\\nof Turin. Het Italiaansch, dat gij nit uwen Tasso geleerd\\nhebt, vindt gij daar in den omgang niet maar een wanklin-\\nkend en schor, met horten en stooten en met eene vervaarlijke\\nsnelheid uitgeschetterd dialekt, dat zelfs aan den geleerden\\nstand zoo eigen is, dat zij wel nu en dan, om den vreem-\\ndeling te believen, in het zoetvloeijend en zoo naburig Tos-\\nkaansch zich uitdrukken, maar terstond weder, en terwijl gij\\ner bij staat, onder malkander hunne ratelende taal van het\\ndagelijksche leven hervatten.\\nIk durf u evenmin te beloven, dat gij al reizende veel\\nkamergeleerdheid op zult doen, ten zij uw reizen niets anders\\nis dan een verandering van studeerplaats gelijk met den\\nEngelschen geleerde gebeurde, die naar Parijs toog, om eenige\\nhandschriften te vergelijken. Hij kwam, voor het eerst van\\nzijn leven, in die wereldstad, liet zich terstond bij zijne\\naankomst naar de Bibliotheek geleiden, ontving verlof om de\\ngewenschte codices in zijn logement te vergelijken, werkte\\nvier weken van s morgens tot s avonds, zette op zekeren\\ndag een punctum achter zijn arbeid, bezorgde de boeken\\nweder op de Bibliotheek om 12 ure, en reed om 2 ure\\nParijs uit. Zoo gij waarlijk reizen wilt, neemt zoo weinig\\nboeken mogelijk mede. Zij zijn lastige ballast, en dienen\\nzelfs niet voor die gelegenheden waartoe gij er uwen koffer\\nmede bezwaard hebt, voor dagen van ongunstig weder, wanneer\\nuw reis eene wijl zal gestaakt moeten worden onnoodige\\nvoorzorg, M. H! neemt \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n enkel vade meciim, waarin\\nkern is en aanleiding tot eigen nadenken. Yoor het overige\\nbrengt de gedurige beweging en verandering van plaats u in\\neene stemming, die weinig andere gedachten toelaat dan\\n2", "height": "4364", "width": "2616", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0065.jp2"}, "66": {"fulltext": "18\\nzulke, die betrekking bebben tot de oorden welke gij bezoekt.\\nHet zal een enkelen keer gebeuren, dat uw reizigers-aandacht\\nvermindert, en zelfs uwe nieuwsgierigheid ophoudt: want er\\nzijn zulke oogenblikken op reis, wanneer het verstand en zelfs\\nhet hart afgemat is, en zij den reiziger een zenuwachtige\\nflaauwheid doen ondervinden, even als een ledige maag aan\\nden ongestelden, wiens eetlust verdwenen is, en die slechts\\neen onbestemden wensch heeft om trek te gevoelen naar iets.\\nBij den reiziger noemt men die ongesteldheid van den geest\\nheimwee, M. H! een nare kwaal, en die men, gelooft mij, te\\nhuis nooit ondervindt. Wilt gij u teweer stellen, met een\\nboek in de hand? een ellendig wapen, vrienden! dat\\nboek zelf, en de rustige houding, waarin gij u, onder het\\nlezen, vleit, zullen u weldra uwe haardste\u00c3\u00aa herinneren: dat\\nbeeld zal ongemerkt tusschen het blad en uwe oogen inslui-\\npen, en uwe aandacht onaangenaam storen: en gij zult pijn\\nlijden, omdat het worstelen tegen verstrooidheid van gedach-\\nten vermoeijend en pijnlijk is, even als de verhittende toestand\\ntusschen slapen en waken, en omdat het u zoo veel kost,\\nhet zwevende beeld van u af te weren, dat gij zoo gaarne\\nmet beide armen zoudt omhelzen. Zoo dat kwaad u over-\\nvalt, M. H! pakt, is het eenigzins mogelijk, alles in, en reist\\nterstond verder al regende het baksteenen van den hemel\\nhet is beter, tot op de huid toe nat te worden, dan heimwee\\nte lijden. Zoo gij in een plaats aankomt en vertoeven moet,\\ndie u niets belooft, verbeeldt u dat gij nieuwsgierig zijt: ver-\\nlaat uw herberg en loopt rond. De prikkel, die u gezond\\nmoet houden, zal zich weldra doen gevoelen. Ik ondervond\\ndit in Itali\u00c3\u00ab: eigenlijk gezegde oudheden, behalve die in Musea\\nbewaard worden, hadden wij niet ontmoet: slechts een groep\\nkolommen van de Thermae Herculis, door Maximilianus ge-\\nbouwd, smerig en vuil, in een achterbuurt van Milaan, waar", "height": "4340", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0066.jp2"}, "67": {"fulltext": "19\\nde Italiaansche morsigheid heerscht. Acli, M. H! het is\\nons niet vergund geweest, in het zuidelijker deel van Itali\u00c3\u00ab\\ndoor te dringen, en gedenkstukken uit den ouden tijd te\\naanschouwen, die ten minste door de handen van het tegen-\\nwoordige geslacht ontzien en beschermd, en met geen heilig-\\nschennend slik besmet worden. Dit was een groote teleur-\\nstelling en verminderde buiten de moderne pracht van\\nMilaan en Turin, de belangstelling in een land dat vlak is,\\nweinig meer dan rijstvelden en moerbezieboomen en moes-\\nkruiden oplevert, en waar gij de zuidelijke Alpenreeks en\\nden uithoek der Apennijnen slechts in een opdoemend verschiet\\nontdekt. Op den terugtogt van Genua naar Milaan werden\\nwij voortgesleept in een aangenomen vettura (M. H! reist dat\\nland zoo spoedig mogelijk door in postwagens onze vet-\\nturino kruide ons voort, den eenen dag na den anderen,\\nonder den helderen Italiaanschen hemel. Dat klinkt schoon,\\nM. H! bij het hoekje van den haard, wanneer de stormen\\nbuiten loeijen, en de hagel tegen onze vensters klettert; maar\\nin de wezenlijkheid brengt die zomersche hemel zijn onge-\\nmakken mede. Altijd een verschroeijende zon, en geen lommer,\\nvooral op de straatwegen: steeds een opstijgende wolk van\\nverpoederd steengruis, waarin men omneveld zit, en waarmee\\nde kleederen van buiten en de longen van binnen besmet\\nworden: regts en links van den weg al wat groen moest\\nwezen, met een graauwe kleur overdekt, en de dorpen, waar\\nmen doortrekt, bestoven als kalkbranclerijen. Op dien togt\\nwas het geoorloofd M. H in iedere pleisterplaats waar\\nmiddag gehouden werd, aamechtig en half gestikt neer te\\nzijgen, en des avonds in het nachtverblijf uit te rusten, meer\\nnog van afmatting der ziel dan van het iigchaam. Ik onder-\\nvond toen de kwaal, die ik beschreven heb. Hoe mijne\\nreisgenooten het hadden weet ik niet (want het is een kwaad\\n2*", "height": "4356", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0067.jp2"}, "68": {"fulltext": "20\\ndat men voor elkander verzwijgt). Maar toen wij op een dier\\ndagen, omstreeks den lang gewenschten ondergang van het\\nhemellicht, de mnren van Asti binnengezenld waren, stapten\\nwij zonder eenig opgeruimd reisgedmisch nit het rijtuig. Asti\\nis een smerig stadje, M. H! maar het is toch een stad, en wij\\nnamen de avondkoelte hoe gering zij was te baat om nog\\neen wandeling te maken. Het ging in stilte, en het gezigt\\nvan menschen scheen ons niet te kunnen genezen, terwijl de\\nbeau monde bezig was een luchtje te scheppen, en op en\\nneder wandelde in twee naauwe acacia-laantjes, aan beide\\nzijden van een groot plein, dat zijn ruimte scheen verschul-\\ndigd te zijn aan den afbraak van huizen, die daar in tijden\\nvan grooteren bloei gestaan hadden, en dat een waren\\naschbelt opleverde! Waar wilt gij met uw lamlendig ver-\\nhaal heen vraagt gij Wel M. H het plein over wij\\nwaren een mijmerende trio, en ontweken het pad der men-\\nschen, onze ziel opetende, zoo als eertijds Bellerophon.\\nDaar vertoont zich in eens, op zekeren afstand, een onaf-\\nzienbaar bouwvallig metselwerk! \u00e2\u0080\u009eEen waterleiding, roept\\n\u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n van het gezelschap uit. Wat hem dat voorgevoel inblies,\\nis mij onbekend gebleven: want ik geloof dat hij met allerlei\\nwaterleidingen maar juist niet met Eomeinsche gemeen-\\nzaam bekend was. Genoeg! het gezelschap ontwaarde\\neen elektrieken schok, de doodelijke onverschilligheid week,\\nen het gevoel van belangstelling deed ons zelfs spoed maken,\\nom dit overblijfsel van Eomeinschen reuzenarbeid te bezigti-\\ngen. Naderbij gekomen, openbaarde zich bij den \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n zekere\\ntwijfel: een ander was vasthoudender: allerlei bewijzen en\\ngissingen werden v\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3r en tegen aangebragt: er werd zelfs in\\neen paar gaten gekropen; maar hoe zouden wij het beslis-\\nsen, zoo geheel zonder reisboek of Winkelmann? Het was\\neenigzins pijnlijk, maar moest toch geschieden dat wij omtrent", "height": "4360", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0068.jp2"}, "69": {"fulltext": "21\\ndit archaeologisch onderzoek om inlichting vroegen aan een\\nvoorbij gaanden man met augurken. \u00e2\u0080\u009eClie cosa sono quegli\\nava?izi? vroeg er een, die te gelijk aan zijn Italiaansch wat\\nlucht gaf. De man antwoordde zeer veel maar niemand\\nonzer begreep er een woord van. Nieuwe onzekerheid; er werd\\nweder gehukt en in gaten gegluurd, op puinhoopen geklom-\\nmen, en een gedeelte langs gewandeld. Hebt gij het ooit\\nondervonden M. H hoe vreemd een gewaarwording het is\\nwanneer die faculteit der ziel, waarmede wij bewonderen en\\nhet bewonderde genieten door twijfel in hare werking gestuit\\nwordt en slechts een klein momentum noodig heeft, om voor\\nspotlust of beschaamdheid plaats te maken? Ik wilde u\\nslechts duidelijker doen worden, dat men op reis de belang-\\nstelling levendig moet houden het bleek ons in de herberg\\ndat wij te doen gehad hadden met de half gesloopte muren\\nder stad Wij werden opgeruimd en zagen vrolijker onze\\nterugkomst te gemoet in het schoone Milaan, met zijn paleizen\\nen bibliotheken en wandelingen en sorbets\\nIk ben afgedwaald, M. H! toen ik u weinig kamerarbeid\\nop reis voorspelde. Zoo gij reist om te reizen, beloof ik u\\neven min eenen schat van icetenscJiajj in welk vak gij ook\\nwerkzaam zijt. Wij zeggen somtijd? met regt. maar misschien\\nook al te dikwijls, dat de Hollander op moeders schoot ver-\\ntroeteld, of in haar keuken verstoofd wordt: want, mij dunkt.\\ner is waarheid in deze beschuldiging; maar het zou ook\\nverkeerd zijn. te willen staande houden, dat voor alle weten-\\nschappen het reizen, en wel gedurende de krachtigste leer-\\njaren onontbeerlijk is. Ach M. H hoevelen hebben er\\nniet. al reizende, een talent van medepraten opgedaan, en\\neen beweegbaarheid, zoodat zij overal schitteren, maar niet in\\nhet stille boekvertrek. In hunne loketten groeit de stapel\\nbrieven, aan buitenlandsche geleerden afgeperst, waarmede zij", "height": "4388", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0069.jp2"}, "70": {"fulltext": "22\\nop reis kennis gemaakt hebben; maar in hun hoofd wordt de\\nwetenschap niet tot een hecht en stevig gebouw, dat de\\nstormvlagen der nieuwigheden en der winderige stelsels kan\\ndoorstaan. Wat hier ook van zij, M. H! het is in allen\\ngevalle nuttig, te zien, hoe elders gewerkt wordt: daarna zal\\nmen met verdubbelden ijver naar huis terugkeeren. Te\\nZ\u00c3\u00bcrich bragten wij drie dagen met den edelen en geleerden\\nO. en zijne vrienden door. Hij woonde, met gezin en pro-\\nfessoraat, op een tweede verdieping, en de huiskamer, waar\\nde gastvrije man ons hartelijk onthaalde, was tevens slaap-\\nvertrek. Het schrijvers werk bezorgt hem eer, maar ook een\\nnoodzakelijk voordeel, en ondersteuning van zijn huishouden;\\nen toch gaf hij zijn tijd geheel aan ons weg, en deed een\\ndubbele opoffering, om ons te onthalen: het verlorene zou hij\\n(misschien met nachtwaken wel weder inwinnen. Hollandsche\\ngeleerden neemt er een les uit Te Gen\u00c3\u00a8ve werden wij even\\ngul ontvangen door den braven H. Professor in de Oostersche\\ntalen. Hij heeft geen fortuin, maar hij heeft geld noodig,\\nom boeken te doen drukken, die in Gen\u00c3\u00a8ve niemand leest\\nnoch koopt. Daarom heeft hij een kostschool opgerigt,\\nvoor acht jaren: twee zure jaren moest hij er nog van door-\\nleven en zou dan een som gelds gewonnen hebben om in\\nParijs te kunnen gaan afschrijven, en daar te laten drukken,\\nwat de wetenschap bevorderen zou. In de Ambrosiana, te\\nMilaan, zaten vijf geestelijken, opzieners en suppoosten, te\\narbeiden, minder aan het bestuur der boekerij (want die blijft\\nin statu quo) dan aan eigene ondernemingen. Daar zaten zij,\\ndie eerwaardige, gedienstige mannen, in de ruime gothische\\nzaal, op stoelen van de 16 de eeuw, in zwarte tabbaarden, en\\nmet den driepuntigen hoed op Zij hebben kuischheid en het\\ncelibaat gezworen, en zullen des te kalmer arbeiden\\nAch! mijne Heeren! Op zekeren dag werkten wij in dit", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0070.jp2"}, "71": {"fulltext": "23\\nmuis-stille gezelschap. Een van ons onderzocht een Latijnsch\\nhandschrift (een codex, M. H en zulke boeken zijn, eeuwen\\ngeleden, door menschen van denzelfden stempel afgeschreven).\\nHij wenkte zijne vrienden, om nader bij te komen, en wees\\nhun de plaats van Cicero, De Leg. ca\u00c3\u00a9libes esse pro/iibento:\\ner stond een randglos naast geschreven, wie weet met hoe\\ndiep een zucht: optima lexl\\nHet is mij een waar genoegen M. H ongemerkt twee pun-\\nten met u vastgesteld te hebben, taalkennis en wetenschap en\\ndat gij en ik, zonder dat iemand van ons het vermoedde, reeds\\nlang op het grootste van alle punten staan, liet afleggen van\\nvoor oor deelen.\\nYrij te zijn van vooroordeelen is zoo groot, en schijnt zoo\\nweinig bereikbaar, dat het bijna verwaand is, van middelen\\nte spreken, om die vrijheid te verkrijgen. Ondertusschen\\nM. H groeijen die vooroordeelen nergens tieriger dan te huis\\nen dat behoef ik niet te betogen; het zou een breedvoerige\\nverhandeling worden en met de meeste verhandelingen dit\\ngemeen hebben, dat het voor de duizend en eerste maal be-\\ntoogd zou worden. Het zal dus voor mij aangenamer, en\\nmisschien aan u welgevalliger zijn, M. H! dat ik u verbale,\\nhoe ik, op reis, van vijf vooroordeelen genezen ben. Het zal\\nmij nog eenige oogenblikken kosten; maar uwe aandacht zal\\ndaarna ook, voor zoo verre gij toegeluisterd hebt, afgelost\\nworden.\\nGelukkiglijk is de herinnering mijner vijfdubbele verbetering\\n\\\\ereenigd met die van het aangenaamste gedeelte mijner laat-\\nse reis.\\nIk meende dat ieder Engelschman, dien men op weg ont-\\nnnet, zich onheusch en lomp voordoet, en dat hij echter uit\\nde fatsoenlijke klasse en beschaafd is. Ik was met mijne vrien-\\ndei te Sesto Calendo aangekomen, het zuidelijkste punt van", "height": "4392", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0071.jp2"}, "72": {"fulltext": "24\\nhet Lago Maggiore. Terwijl wij op het balcon van het loge-\\nment de stoomboot afwachtten, sprak ons een Engelschman\\naan, en vroeg ons om raad, hoe hij zijn weg naar Gen\u00c3\u00a8ve het\\nspoedig de zon kunnen afleggen. Het bleek, dat hij, tot Mar-\\ntigny toe, in het westelijk gedeelte van Walliserland niet veel\\nsneller vooruit zou komen dan wij, en hij bood zich dus aan,\\nom tot z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 ver in ons gezelschap te deelen. Omstreeks Baveno,\\nop de helft van den linkeroever van het meer verlieten wij de boot,\\nen vonden op die hoogte een schuitje gereed, om ons op de Bo-\\nrome\u00c3\u00afsche eilanden te brengen. Daar zagen wij die gedeeltelijk\\nvervallen, gedeeltelijk herrijzende, praalgebouwen van het be-\\nroemde huis der Boromei, wier wapenspreuk Jmmilitas is! Den\\naanblik van dat liefelijke meer, met zijn opgehoogde eilanden,\\nen zijn beide oevers, met bergen bezoomd van middelmatige\\nhoogte, maar van afwisselende vorm en kleur, hier beplant met\\nrijzige cypressen, tusschen wier donker groen het marmer der\\nlandhuizen doorschittert daar met lager geboomte tot op de\\ntoppen bewassen zoodat zij op dien afstand met mos bedekt\\nschijnen, of, door den glans van het zonlicht op het frisch\\ngebladerte, en de slagschaduwen hunner hoeken en kanten,\\nde smeltende plooijen van een groen tafifenkleed vertoonen;\\nsoms steil en dreigend; terwijl de rijke schakering van alle die\\ntinten op het lichtblaauwe watervlak afgespiegeld wordt.\\nM. H! de levendigste herinnering mag niet meer beschrijven;\\nzij zou buiten hare grenzen en op het gebied der schilderkunst\\ntreden; maar het genot van dien dag vergeet ik nooit.\\nDe Engelschman hield zich gewoonlijk te Florence op: vier\\nmaal had hij van Parijs daarheen, en van daar wederon\\ngereisd, maar nog was het hem niet in de gedachte gekomer,\\nin het voorbijgaan dit beroemde oord te bezoeken Bj\\niederen uitroep van ons had hij de vriendelijkheid chorus te\\nzingen, met beautiful indeed! en dan kaauwde hij weder jp", "height": "4360", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0072.jp2"}, "73": {"fulltext": "25\\neen strootje. Wij moesten verder, M. H! en legden met\\npostrijtuig den weg van Baveno, over den Simplon, door het\\ngeheele Walliserland, tot Martigny, in twee dagen af. Ik zou\\nvier bladzijden noodig hebben, M. H! om u den overtogt\\nvan een hoogen Alp op een breeden straatweg te beschrijven.\\nHet is een der stoutste ondernemingen van den mensen. (ik\\nbedoel nu het aanleggen van den weg). Nergens gevaar en\\ntoch wordt gij duizenden voeten hoog gesleept, en ziet in\\nafgronden neder; naast u woelt zich een bergstroom, als ver-\\nbolgen over de beletselen die hij ontmoet loeijend door\\nafgerolde rotsbonken en kluften heen: aan de andere zijde ziet\\ngij door elkander gesmeten steenen, bergen op zich zelve, in\\nhet vorig wintergetij door regen en storm en smeltende sneeuw\\nlosgewerkt, en van de hoogte neergeslingerd zoodat gij onwil-\\nlekeurig aar de hemelbestorming van het reuzengeslacht denkt;\\nof gij zijt gedrongen tegen een wand die dreigend over u heen\\nbuigt; of gij gaat een tijd lang in het donker, door een rots\\nheen, zoo dikwijls de weg stuit tegen een berggevaarte dat\\nde werkman nu met buskruid en moker en houweel doorge-\\nbroken heeft. Beau\u00c3\u00bcful indeed, zei de Engelschman, en hij\\nfloot een deuntje. De togt door het Walliserland is minder\\nafwisselend, men gewent aan alles, zelfs aan den Alpenrug,\\nwaar men steeds ter regier zijde tegen opziet. Er werden\\neenige gesprekken met den Engelschman op stapel gezet maar\\nzij wilden niet afloopen; zelfs geen toespelingen op zijn natio-\\nnale letterkunde, geen naam van eenig beroemd Schot, geen\\ngelukkige aanhaling uit eenig Engelsch dichter, niets wilde\\nvatten tot dat ik bij toeval het gesprek op Engelsche\\nligchaams-oefeningen en volksvermaken bragt. Xu kwam hij\\nlos, en het was moeijelijk aan de beurt te komen, zoo lang\\nhij van boxing race/wrses, horse?*aces, cockfig/iti/ig trapbcdl en\\ncricket sprak. Wij waren leerlingen M. H en leerden veel", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0073.jp2"}, "74": {"fulltext": "theorie. Een Engelsche rijknecht kwam ons te gemoet met\\ntwee schoone ruinen, wedloopers, naar Florence bestemd, waar-\\nheen de Engelsche beweeglust zijn spelen en weddingschappen\\noverbrengt. Onze reisgenoot werd geheel leven op het gezigt\\nvan den stalknecht vergat hij stand en rang (zoo hij er had),\\nen te Martigny moesten wij van hem scheiden.\\nMijn tweede les ontving ik kort daarna, M. H! Ik zou\\nze u in twee woorden kunnen mededeelen maar ik wil er wat\\nomheen praten, om niet al te spoedig aan het einde te komen\\nen opdat gij niet moogt vragen: \u00e2\u0080\u009eheeft hij in Savoije gereisd,\\nen spreekt hij niets van de natuur? Ik zou er niet van\\nkunnen zwijgen, M. H! al was ik niet, van het begin af,\\nvoornemens geweest, nu en dan u te toonen dat ik den mensch\\nniet voor het eenigste belangrijke in de schepping houd: en\\ngij zijt zeker niet zoo zeer met andere gedachten van belang\\nbezig geweest, of gij hebt opgemerkt, dat ik de beschouwing\\nder natuur niet als een punt vastgezet, maar door mijn opstel\\nverspreid heb. Sommigen van u, die van vaste punten houden,\\nzullen dit laken, en mijn geschrift kakelbont noemen, den-\\nkende met Horatius:\\nPurpur eus late qui splendeat, unus et alter\\nAdsuitur pannus.\\nAnderen van u, toegevend omtrent gedeelten, zullen denken:\\n\u00e2\u0080\u009ewat zit dit stuk misselijk in malkander:\\nInfelix operis summa, quia ponere totum\\nNescitr\\nM. H! het is mij dezen avond onverschillig, al waren er onder\\nu wier oogen met meer welgevallen op een houtzaagmolen rus-\\nten, dan op het Thessalisch Tempe! en in allen gevalle haal ik\\nook het mijne uit den Romein, met een kleine verandering:\\nSpissis indigna theatris\\nScripta lubet recitare et nugis addere pondus.", "height": "4356", "width": "2612", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0074.jp2"}, "75": {"fulltext": "27\\nEr zijn twee wegen, M. H! om van Martigny in de vallei\\nvan Chaniouny te komen. Zij liggen op weer zij de van een\\nbreed gebergte, dat men op halver hoogte langs de helling\\nbestijgen moet. Eegts heet die weg la T\u00c3\u00aate noire links Ie col\\nde Balme. Wij volgden den eersten gedeeltelijk op muilezels t\\ngedeeltelijk te voet: want het zijn 10 uren van Martigny tot\\nChamouny; maar de voetganger kan somtijds stilstaan en om-\\nzien: want achter, zoowel als voor, wisselt het tooneel af, bij\\niedere wending van het pad dat hier en daar uit de rots uit-\\ngehouwen, en slechts 6 voet breed is, en waarop of een ge-\\nbrekkige of geen borstwering u belet twee of drie duizend\\nvoeten diep te vallen. Onder hoort gij den stroom bruisen,\\nen ver tegen u over, aan de andere zijde der valeijen, staat\\nberg achter berg, zacht glooijend, of afgebroken steil, met\\nsneeuw op hun hoogste toppen bedekt, of met zwarte spitsen\\nuit een lager sneeuwveld oprijzende, dat smelt, en in schui-\\nmende stroomen wit als melk langs allerlei rigtingen de hel-\\nling doorgroeft, en gelijdelijk ne\u00c3\u00aargolft, of geen grond meer\\nvindende, een waterval wordt, die honderden voeten nedervalt,\\nen daar weder tegengehouden, verder woelt, tot dat hij zich\\nbij een tweeden rand overstort, en soms weder een derde en\\nmeermalen, en eindelijk in de laagte van het dal zich met\\nden hoofdstroom vereenigt, onder een mengeling van dof dom-\\nmelend gebons en scheller geruisen. Overal is leven en kracht:\\nwant de zwaarste dennen rijzen op uit de spleten van den\\nrotswand, of hemelhoog ontdekt gij een weide, met herders-\\nhutten en rundvee, dat gij met moeite onderscheidt, en dat\\nrustig graast aan den hellenden rand eener afgrijslijke diepte.\\nHier was geen vooroordeel af te leggen, zoo het niet was de\\nvrees voor duizeligheid; maar ik bedoel die niet: ook hebt gij\\ndaar geen tijd noch lust om aan u zelven te denken. Naar\\nde vallei van Chamouny afdalende, overviel ons de avond.", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0075.jp2"}, "76": {"fulltext": "28\\n\u00c3\u00afaet vollen maneschijn; doch er was geen gevaar, omdat de\\nweg nu langs een zachtere helling van den berg nederwaarts\\nging; maar moeijelijk, M. H! door veel gestrompel van mensch\\nen dier over struwelen en steenen en rollend gruis. Maar\\nwie beschrijft den indruk van de intrede in het wonderbare\\ndal, bij maanlicht, wanneer het oog onmetelijke maar drij-\\nvende vormen ontdekt, en in die natuur niet te huis is, om\\nde ontzaggelijke hoogten op wier sneeuw en ijsvelden de maan\\nzulk een onzeker licht verspreidt, dat gij duidelijk onderschei-\\nden wilt, wat u zoo treft en verplet, maar niet kunt, en\\nwaarlijk eene soort van betoovering ondervindt. Wij waren\\nin het dal dat eerst in het midden der vorige eeuw (let wel\\nM. H! eerst in het midden der 18 de eeuw,) in het midden van\\nEuropa, ontdekt is. Doch het bevreemde u niet: caelum ip-\\nsum petimiis stulti\u00c3\u00bca, anders zou het nog onbekend wezen:\\nwant het diepste der vallei ligt zoo hoog, dat het er nooit\\nregt zomer is, en geen veldvruchten er tot vollen wasdom ge-\\ndijen. En evenwel is thans een bezoek te Chamouny, het\\nvlek midden in de vallei, een plaisiertogtje. Twee herbergen\\nhebben voor de menigte Engelschen, die dezen hoek opzoe-\\nken, al hunne comforts: het gezelschap is er af en aan dob-\\nberend, maar altijd beschaafd en fatsoenlijk: en kan men\\nin zulk gezelschap verschijnen, met een baard van twee da-\\ngen, door ligchaamsbeweging en smeltende warmte bovenmatig\\nhet kinvel uitgedrongen Wie zelf zich helpen kon, sloeg\\naan het maaijen. Wie dit handwerk beneden zich rekende,\\nriep om hulp van anderen. Dit was het lot van \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n uit het\\ngezelschap. Er kwam een barbier M. H! zoo het u ooit\\nweer gebeurt dat woord uit vooroordeel met minachting uit\\nte spreken, en daardoor te toonen, dat gij een wankelend ge-\\nloof hebt aan het verband van kunsten en wetenschappen gaat\\ndan boete doen bij de faculteit der Geneeskunde want het", "height": "4352", "width": "2612", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0076.jp2"}, "77": {"fulltext": "was de Wel-Ed. Zeer Gel. Heer N. te G\u00c3\u00b6ttingen gepromo-\\nveerd en thans Med. Doet. in de vallei van Chamouny.\\nMijn derde les ontving ik nog hooger in de lucht. Want\\nop den volgenden dag deden wij eenen der twee togten, die\\nmen in de vallei onderneemt. Voor de herbergen wemelt het\\nvan af- en aankomende reizigers, langs den weg, dien wij\\ngekomen waren, of van de westzijde, van Gen\u00c3\u00a8ve, over Sa-\\nla nche zij komen op paarden en muilezels of canap\u00c3\u00a9s op vier\\nwielen, met \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n paard bespannen, of in draagbaren. Uit de\\nherbergdeuren stroomen de gasten die een bergwandeling voor-\\nhebben, op het luchtigste gekleed, den Alpenstok zwaaijende\\nof uit ongeduld in den grond prikkende, den knapzak aan\\nden gordel: en het gejoel vermeerdert door de gidsen, waarvan\\ner een veertigtal in de vallei woont en door de regering aan\\nreglementen en tarieven onderworpen is, en die voor zadel-\\ndieren en draagbare verversching zorgen en voor mantels die\\nden verhitten klimmer boven in den fijneren dampkring zullen\\ndekken. Wij bestegen vroeg, na het ontbijt, den Mont Breven.\\nHet is de hoogste berg in de keten, die den noordkant van\\nhet dal insluit. Indien ik u al weder sprak van duizenden\\nvoeten, van uren klimmens, en van stronken en bonken, en\\npaden, glibberig door het afsijpelende water uit bergaders of\\ngroeven van vorige sneeuw- en steenvallen, gij zoudt zeg-\\ngen: \u00e2\u0080\u009edat wordt eentoonig; en toch, M. H! heeft de wezen-\\nlijkheid aldaar weinig, dat overeenkomt met hetgeen men reeds\\ngezien heeft; maar de groote vermoeijenis der beklimming langs\\neen steil en naauw pad, dat somtijds afgebrokkeld is en bijna\\nverdwijnt, zou alle genot verbitteren, indien men niet of om\\nadem te scheppen en de kniepezen te laten uitrusten, of om\\nte zien wat rondom ligt, stil stond, en opmerkte, hoe men al\\nklimmende het breede dal ruimer in zijn lengte overziet, en\\nde tegenoverstaande spitse rotsen, die, van beneden uit het", "height": "4364", "width": "2600", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0077.jp2"}, "78": {"fulltext": "30\\ndal gezien, de wolken doorboren en hel gezigt op de kroon\\nvan het gebergte belemmeren hoe zij allengs met den klimmer\\nop gelijke hoogte komen, en nu de Mont JBlanc, als een reus\\nonder de grooten, meer en meer rijst, en zijn drie ontzagge-\\nlijke kruinen vertoont, die achter elkander wegwijken, waar\\nsneeuw en ijs nooit smelten, en geen verandering is, dan die\\nder donkere striemen, door vallende klompen en sneeuwvallen\\ngeploegd. Gij meent dit alles in uw bereik te hebben, en\\ntoch zijt gij er uren van verwijderd. Want het oog is aan\\nhet afmeten van zulke gevaarten niet gewend, en het bespeurt\\ngeen gewone voorwerpen, omdat zij te verre weg zijn: daarom\\nverdwijnt het vermogen om de afstanden te berekenen want\\ngij ziet een zwarte plek door de glinsterende sneeuw steken,\\nen meent een kuil te zien, waarover gij heenstappen zoudt;\\nmaar uw gids verzekert u, dat het een dal is, waar gij dui-\\nzend schreden kunt wandelen. Al weder klimmende, wordt\\nhet wonder der glaciers u duidelijk. Gij overziet de glooijende\\ntusschendalen waarin de nedergezakte sneeuw half gesmolten\\nen door vorst weder tot ijs zamengepakt wordt, en zich meer\\nen meer ophoopende, door eigen zwaarte splijt, en zeegroene\\ndiepten vertoont, en gelij delijk of met geweld en donderend\\nzich een slingerweg baant, en tot in het benedenste Chamouny-\\ndal nederzinkt, in vormen van logge blokken en pyramiden,\\nniet zelden het karig plantsoen van den dalbewoner voor altijd\\nbedelvende. Onder het genot van zulk een gezigt bereikten\\nwij een kleine vlakte, waar een hut staat: zij heet de Chalet\\nde Plamprai. Het is een rustplaats voor hem die verzadigd\\nis van klimmen, en voor hem, die nog een menigte toises\\nhooger den top wil bestijgen, langs een weg, waar men soms\\nals op een ladder staat, of twintig voeten hoog een regtstan-\\ndigen wand beklauteren moet, met hand en voet zich vast-\\nklemmend aan scherpe punten of kloven, of een sneeuwveld", "height": "4356", "width": "2704", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0078.jp2"}, "79": {"fulltext": "31\\ntot aan de knien doorwaadt, en eindelijk voor zijn tobben be-\\nloond wordt met een onbelemmerd overzigt van het dal, tot\\naan zijn beide uiteinden, van het geheele Savoysche gebergte,\\nen van den ganschen bajert eener omwenteling van den aard-\\nbol, waarin tijd en natuur het afzigtelijke verzacht, en het\\nwonderlijke en het majestueusche veredeld hebben. Wan-\\nneer gij in Noord-Holland M. H een frissche boerenmeid\\nonder een koe ziet zitten, en zij u vergunt een teug melk\\nuit haren nap te drinken, dan denkt gij r/ neen, dit genot\\nlevert Holland all\u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n op. Een vooroordeel, M. H\\ngaat naar de Chalet van Plamprai, en gij zult u bekeeren; op\\ndie rotsen, in dien hoogen dampkring, groeijen geurige krui-\\nden, die het rundvee afweidt, en een melk geeft, M. H!\\nhet is geen honger en dorst en uitputting van krachten, zoo\\nals zij den koning van Perzi\u00c3\u00ab op roggebrood onthaalden, en\\ndie nu misschien zoo smakelijk maken, wat zeer gewoon is.\\nIndien ik de stoute wendigen van sommigen dorst na te vol-\\ngen die bekende dingen met onbekende vergelijken, om zich\\nregt begrijpelijk uit te drukken, dan zou ik zeggen: \u00e2\u0080\u009ezulken\\nnectar dronken de Goden.\\nMijn vierde les, M. H! ontving ik in het hooge Bernober-\\nland. Ik zal nu geen natuur meer beschrijven. Gij hebt er\\nwel van Maar het bergvolk zoo afgescheiden van de wereld\\nen hare woelingen en hartstogten en onreinheden! Het\\nherder sle ven M. H! o! kon ik u het onschuldig herderin-\\nnetje schilderen, huppelende in het Haslithal, en die zuiver-\\nheid harer ziel, en haar lief gekoos met den herder, dien zij\\ninnig en teeder bemint: en die stille huisselijke bezigheden,\\nonder het ouderlijke dak, waar geen drift binnensluipt, geen\\nonzuivere wensch gekoesterd wordt. Hoe dikwijls hebt gij\\ndit tafereel niet ontrold gezien door schrijvers en zangers, in\\nwegslepende verzen of zoete herderskouten ik houd evenwel", "height": "4388", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0079.jp2"}, "80": {"fulltext": "32\\nnog meer van waarheid M. H en denk geen lofrede te maken\\nop vuiligheden. Want in die buurt worden vele jonge\\ndochters opgekweekt door hunne verbasterde ouders tot bijzitten\\nvan een liederlijk overzeesch menschenras dat met zijn rijkdom\\nde deugd en de eenvoudige zeden verjaagd heeft.\\nMijn laatste les, M. II (want ik eindig) is, geloof ik, de\\ngewigtigste en de nuttigste van allen. Ik heb hoog gezien,\\nen ik heb laag gezien: ik heb genoten, en ik ben in verruk-\\nking geweest ik heb geprezen en ik heb benijd en ik was\\ngereed mijn zegel te zetten op de spreuk: waar men het wel\\nheeft, daar heeft men een vaderland. Maar ik ben terug-\\ngekomen, M. Hl van mijne reis, en van een koud en onhar-\\ntelijk wereldburgerschap: en liever dan ooit is mij het minder\\nschoone vaderland, met al zijn ^gebreken en worstelingen,\\nen rampen.", "height": "4364", "width": "2652", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0080.jp2"}, "81": {"fulltext": "II.\\nHet volgend opstel is in een geheel opgeruimd oogenblik\\ngeschreven, zoo als ik ze wel eens Jiad. De sprekende per-\\nsonen zijn ge\u00c3\u00afdealiseerd, en ik zelf ben niet vrijgekomen. Wat\\nde prijsvraag betreft, waarover gehandeld wordt, ik weet in\\nalle eerlijkheid niet wie ze opgegeven had misschien ben ik\\nhet geweest, toen ik mede een vragende bui had. Is dit het\\ngeval geweest, dan heb ik mij aan een persifflage schuldig\\ngemaakt. Doch er zou eene verdediging op zijn welligi:. was\\nik toen reeds van meening, dat de meeste maatschappijen,\\nals leerende, dat wil zeggen, onderwijzende ligchamen, eigen-\\nlijk uitgediend hebben. Het zijn uitgebrande kraters, waarin\\nJan en alleman, jong en oud, zonder gevaar en op hun gemak\\nkunnen zitten. Ik zou daarom evenwel niet wenschen, dat\\nzij geslecht en met den grond gelijk gemaakt wierden zij zijn\\nphysiek nuttig, en leeren klimmen.\\nWat zegt gij van die prijsvraag, vroeg ik aan Acilius, die\\naan mijn linkerzijde zat, aan den maaltijd te Amsterdam, nadat\\nde algemeene vergadering der Maatschappij gehouden was.\\n3", "height": "4392", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0081.jp2"}, "82": {"fulltext": "34\\nEr is waarlijk geen mogelijkheid om een afzonderlijk gesprek\\nte voeren, antwoordde hij: het gedruisch is te groot, en het\\ngezelschap te talrijk voor een algemeen onderhond. Dat\\nverstonden de Ouden beter (zoo viel hem Scaevola in de rede\\ndie aan mijn regterzijde zat) zij dronken stout aan tafel, maar\\nzij namen de eenheid van zitplaats en de eenheid van gesprek\\nin acht, en wanneer men naar huis gewaggeld was, sliep men\\ngoed, maar men wist s anderendaags den maaltijd te vertel-\\nlen. Stil! zeide Acilius, hoort gij niet dat er een gezond-\\nheid in verzen ingesteld wordt? die dingen vervangen thans\\nde plaats der oude cnco^ja. Het werd redelijk, maar niet\\ngeheel stil want het sissende st. dat de een den anderen\\ntoeriep, verdoofde een goed deel van s dichters uitboezeming,\\nen toen dit geschuifel ophield, werd hier het proza\u00c3\u00afsch contrast\\nvan den notenkraker gehoord, (want het nageregt was reeds\\nopgediend) ginds vloog een tabakspijp aan diggelen die onder\\nhet omwenden van het ligchaam des rookers naar den dichter,\\nop den schouder van een buurman te huis kwam. Ik begreep\\ndus naauwlijks welk een toast er ingesteld werd en nog\\nminder, hoe de dichter het aanlegde: want hij stelde de\\nhemelsche gesternten allegorisch voor: en dewijl ik den aanhef\\nen hier en daar een vers miste, speet het mij, geen deel te\\nkunnen nemen in de goedkeuring, zelfs van die weinigen, op\\nwier oordeel ik vertrouw, en die het stuk waarlijk schoon\\nvonden: ik zweefde met mijne aandacht zoo los in den don-\\nkeren sterrenhemel, dat ik naar grond begon te verlangen.\\nHanden en monden waren gereed om toe te juichen, en die\\nbelooning viel den dichter ten deel. Ieder geraas, dat zeer\\nsterk is wordt gewoonlijk door een oogenblik stilte vervangen\\nzegt Gr\u00c3\u00b6the ergens: en daarom moet het wel waar wezen: zoo\\nwas het ook nu, en ik nam die verpoozing te baat. Wat\\nzegt gij dan toch van die vraag, Acilius! want ik stel ver-", "height": "4360", "width": "2648", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0082.jp2"}, "83": {"fulltext": "35\\ntrouwen in zijn oordeelvellingen en ik verlangde te weten wat\\nhij dacht van sommige der voorgestelde vragen, die in grooten\\ngetale door de Afdeelingen der Maatschappij zamengebragt\\nwaren, terwijl iedere Afdeeiing overwogen, gekozen, veranderd\\nen gepolijst had, en geen lid eene vraag te berde had durven\\nte brengen die niet in zijn studeervertrek met inspanning over-\\ndacht en met zorg opgesteld was. Was liet niet van belang,\\nzeide ik, dat men vroeg: of de theorie tan liet Chinesche schrift\\nbruikbaar zou zijn voor onze westersche talen, en of men hier-\\nvan eenige voordeelen zou hmnen vericachten voor de meer\\nalgemeene verbreidinq van tcetensckappelijke kemiis? Eenige\\nChinaas-appelen zouden bruikbaar wezen antwoordde Acilius\\nik mis ze ongaarne op dezen rijken disch maar hoe meer men\\nheeft, hoe meer men vraagt. Ik werd bijna ontstemd, omdat\\nhij dit gesprek scheen te ontduiken: want ik had niet bemerkt,\\ndat de Heer Quaestor, die aan het buurten was, achter op\\nmijn stoel leunde. Ik meen te hooren, zei Quaestor, dat\\ngij zamen bezig zijt over de vraag, die ik in mijne Afdeeiing\\nvoorgesteld heb maar die ongelukkig dezen morgen niet geko-\\nzen is. Waarom ongelukkig? vroeg Acilius. Wel, was\\nhet antwoord, ik heb juist geen al te groot zwak voor mijne\\neigen opstellen, maar het is toch een stil genoegen, wanneer\\nmen aanleiding geeft tot een goed geschrift, en de behandeling\\nvan een moeijelijk onderwerp uitlokt. Ja wel het was een\\nchinesche lokvink hervatte Acilius i kent gij Chineesch\\nNeen, maar er zijn meer anderen in het zelfde geval, en ik\\nvermoed zelfs, dat men bezwaarlijk hier te lande iemand vin-\\nden zal, die het verstaat. Dan moet de vraag door een\\nChinees, of door Abel-Eemusat beantwoord worden Ik\\nl Sedert Acilius dit gesproken heeft bezitten wij een kenner van net\\nChineesch, een man van buitengewone talenten, en te weinig bekend:\\nen Abel-Remusat is dood.\\n3*", "height": "4360", "width": "2656", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0083.jp2"}, "84": {"fulltext": "36\\nweet niet, zeide hierop Quaestor, of onze vragen tot Parijs en\\nPeking doordringen; maar zoo gij n de mijne herinnert, dan\\nweet gij ook, dat ik slechts naar de theorie van het Chinesche\\nschrift vraag. Daar hebben wij het weer: (zoo viel Scaevola\\nhem in de rede, terwijl hij met het bolle der regterhand in\\nde palm der linker sloeg: want deze beweging drukt bij hem\\neen sterke gemoedsaandoening uit:) daar hebben wij het weer:\\nondervinding en geschiedenis worden niet meer geraadpleegd,\\nmaar men steunt op holle theori\u00c3\u00abn, die de wereld regeren, en\\noorzaak zijn, dat men helaas van zijn liberale beginselen terug\\nmoet komen en de regeringen zegenen die weten wat praktijk\\nis: terwijl de edele Metternich Welnu! zeide ik, de\\nedele Metternich, en de lekkere Johannisberger en de gevaar-\\nlijke cholera Scaevola wist niet of hij lagchen zou, of\\nboos worden: hij deed het eerste: want hij is goed van hart;\\nmaar Acilius vergat intusschen het begonnen gesprek niet, en\\nvroeg aan Quaestor: maar kent gij dan de theorie van het\\nChinesche schrift? Die is ook zoo moeijelijk niet, antwoordde\\ndeze: de Chinesen schrijven geen klanken, maar zaken, of,\\nmet andere woorden zij schilderen hunne gedachten.\\nWeet gij ook, hoe zij dat doen, vroeg Acilius wederom.\\nGij schertst, Acilius, was het antwoord: want wie onzer heeft\\ngeen Chineesch schrift gezien? het heeft iets bevalligs voor het\\noog, door symmetrie en kracht van trekken. Dat is vol-\\nkomen waar, riep Scaevola; in Europa gaat de kalligraphie\\ndeerlijk achteruit, en zelden ontmoet men schrift van een\\ngeleerde, dat gemakkelijk leest: de Maatschappij diende een\\nprijsvraag uit te schrijven: welke middelen zijn er uit te vin-\\nden, om ieder man van beschaving te dwingen, dat hij leesbaar\\nschrijve? Over die liberale vraag kunnen wij een volgend\\njaar raadplegen, zeide ik; maar geleerden schrijven zelden\\ngoed, en hoe meer men krabbelt en smeert en drukken laat,", "height": "4356", "width": "2656", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0084.jp2"}, "85": {"fulltext": "37\\ndes te beter gewennen de letterzetters aan het slechte schrift.\\nHet is hier verschrikkelijk warm, zei Quaestor; ik ga bniten\\neen luchtje scheppen. Nog even, zeide Acilius, en hield\\nhem bij een pand van zijn rok gij bedoelt toch zeker iets\\nmeer, dan die symmetrie en kracht van trekken, en gelooft\\ntoch niet, dat hierin de theorie van het Chinesche schrift be-\\nstaat? Ik heb het n reeds gezegd, antwoordde Quaestor;\\nzij schilderen hunne taal, en dit is zulk eene eenvoudige ma-\\nnier, zoo door de natuur aangewezen, en zoo onafhankelijk\\nvan buiging en voeging en klank van woorden, dat zij ver-\\ndient algemeen te worden. Ik begin nu te begrijpen, zeide\\nAcilius, dat uw vraag bij de IV de klasse van het Instituut\\nte huis hoort en het best door Humbert of Moritz beantwoord\\nzal worden. Maar het bevreemdt mij dat de Chinesche boeken\\nzoo onverstaanbaar voor ons zijn, en, hoewel zij de zaken\\nschilderen, zoo als gij zegt, ik echter geene enkele figuur\\nherken. Welligt komt dat hier van daan dat in China alle\\ndingen er geheel anders uitzien dan bij ons. Maar hoe dit\\nook zij (want ik ken China in het geheel niet) uw vraag bevat\\nvelerlei nut: want zij moet de lithographie doen bloei] en, en\\nde graveerkunst ook, over wier verachtering wij zoo bekom-\\nmerd zijn, dat er gisteren avond, in de Bestuurders-Vergade-\\nring, twee vragen te gelijk over voorgesteld werden: eindelijk\\nook de schilderkunst zelve. Want zij, die eeuwig schrijven,\\nzullen lithographieren boeken van geleerdheid en fijn oordeel,\\ndie zoo spoedig niet zamengesteld worden, doch wier maker\\neen man van smaak is wiens verstand moeijelijk voldaan kan\\nworden door iets, dat het zintuig zijner oogen beleedigt, zulke\\nboeken zullen het graveerijzer bezig houden: boeken van ver-\\ntooning, eindelijk, waarvan men zou kunnen zeggen, dat zij\\nrepresenteren, voornamelijk die, waarvoor de maker, zoo als\\nvan zelfs spreekt onderscheidingen ontvangt die hem in", "height": "4396", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0085.jp2"}, "86": {"fulltext": "38\\nvoordeel en eer van het overige gemeen onderscheiden, zulke\\nmoeten met penseel en olieverw gewerkt zijn. Een bibliothekaris\\nzal, in het vervolg, niet meer van folio en quarto en octavo\\nspreken, maar van steen werk, koperwerk, doekwerk. Gij hebt\\nzelf, geloof ik, nog niet berekend, mijn lieve Quaestor, hoe\\nver uwe vraag zich uitstrekt: de geheele klasse van letter-\\nzettende en boekdrukkende menschen zal tot de beeldende\\nkunsten opklimmen; boekverkoopers worden kunstkoopers uwe\\nvraag zal een revolutie in de standen en rangen te weeg\\nbrengen. Op het hooren van het woord revolutie draaide\\nScaevola zich geweldig om, en was gereed om een uitval te\\ndoen; maar Quaestor voorkwam hem, en antwoordde aan\\nAcilius dat is een vreemde blik in de toekomst doch gij\\ntoont, op zijn minst, dat gij mijn vraag niet begrijpt. De\\nChinesen teekenen de dingen niet, zoo als zij zijn. Zij\\nteekenen ze dus, zoo als zij niet zijn? vroeg ik. Laat\\nmij uitspreken, zei Quaestor: wanneer zij het woord boom\\nwillen schrijven, dan teekenen zij geen stam en takken en\\nbladeren; want dit zou te lang ophouden; maar b. v. een\\nloodlijnig streepje. Nu stel ik, dat zij een treurwilg schrij-\\nven: dan komt er een dakje op dat streepje, van neerhan-\\ngende streepjes aan we\u00c3\u00aarzijde willen zij van een populier\\nspreken, dan zullen die zij streepjes, weerzij ds, in eene om-\\ngekeerde rigting, naar boven gaan, en zoo voorts; doch het\\nverstaat zich van zelf, dat zulk een gelijkenis niet altijd\\nkan bewaard worden: want hoe zouden de Chinesen anders\\nzich redden, wanneer zij afgetrokken denkbeelden wilden\\nuitdrukken? Gij voorkomt mijn zwarigheid, zeide Acilius.\\nga voort! Wanneer men, b. v. deugd denkt, is niets\\neenvoudiger, dan een cirkeltje te schrijven (ik heb wel in\\nhet Chineesch niet veel cirkels ontdekt; maar ik spreek nu\\nvan de theorie en van de toepassing op de westersche", "height": "4360", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0086.jp2"}, "87": {"fulltext": "39\\nialen): volmaakte deugd zou men kunnen voorstellen door\\neen cirkeltje met een stip er in, voor middeipnut. Dat\\nbegrijp ik zeer goed, nam ik de vrijheid op te merken:\\nhet is als of men zeide \u00e2\u0080\u009edaar ligt het centrum: steek er\\nuw passertje gerust in, en beproef maar, of het cirkeltje\\nniet zuiver is. Dit had ik er niet eens bij gedacht, zei\\nQuaestor; doch gij hebt gelijk, en gij ziet tevens, hoe re-\\ndelijk zulk een theorie kan wezen en welk een helder\\ndenkbeeld en afgeronden volzin deze eenvoudige figuur kan\\nvoorstellen. Ik begin langzamerhand het gewigt van uwe\\ndiep voordachte vraag te gevoelen, zeide Acilius, en wat gij\\nonder de theorie van het Chinesche schrift verstaat, is mij\\nnu bijna helder. Dat is mij aangenaam, antwoordde\\nQuaestor; er is echter zoo veel niet bij verloren, wanneer\\nzij een volgend jaar eerst uitgeschreven wordt: de weten-\\nschappen gaan wel wat al te langzaam, maar toch zeker,\\nvooruit: doch ik vrees dat mijne openstaande zitplaats door\\neen anderen ingenomen zal worden, wanneer ik zoo lang\\nrondwandel. Geen nood! zeide ik, wij zullen er u iure\\npostliminii op terugbrengen. Met dat ius staat het tegen-\\nwoordig anders zoo goed niet, riep Scaevola; bijna even slecht\\nals met het ius prhnae noctis, nu alle denkbeelden van regt\\nen eigendom door de holle liberale theorien verdrongen wor-\\nden. Ik sta er u borg voor, Scaevola! hernam ik, dat het\\nzulk een vaart niet loopen zal in dit gezelschap en ik beroep\\nmij op den indruk en op de goedkeuring der toehoorders,\\ntoen de Voorzitter heden ochtend de Vergadering met zijn\\nschoone aanspraak verwelkomde. Onder dit zijdelingsch\\ngesprek had Acilius aan Quaestor een snuifje aangeboden,\\ndie zelden hiervan gebruik maakt, en nu ook sterk stond te\\nniezen, zeggende dat dit kruid een enkelen keer de levens-\\ngeesten opwekt, en aan een laat middagmaal de slaperigheid", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0087.jp2"}, "88": {"fulltext": "40\\nweert. Ieder volk heeft zijn gewoonten zeide ik en zijne\\naanwensels: de Chinesen, b. v. zijn verzot op slaapgoed.\\nRecte mones, riep Acilius uit: neen, mijn lieve Quaestor! ik\\nlaat u niet los, eer gij mij nog een paar inlichtingen gege-\\nven hebt. Gij vraagt, of de theorie van het Chinesche\\nschrift bruikbaar zou zijn voor de westersche talen wat\\nbedoelt gij met westersche talen? Wel! niets is een-\\nvoudiger dan mijn bedoeling: ik bedoel al de talen, die men\\nniet onder de oostersche begrijpt, of liever, al de talen, die\\nin Europa gesproken worden. Dit begrijp ik zeer goed,\\nzeide Acilius; misschien zondert gij evenwel het Turksch uit,\\nvoor zoo verre het in Europa gesproken wordt. Natuur-\\nlijk, antwoordde Quaestor; maar die uitzondering zal \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ns\\nophouden, wanneer de Turken uit Europa verjaagd zijn.\\nZoo spoedig niet! riep Scaevola uit: de Grieken zullen \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ns\\nbegrijpen, dat zij nooit gelukkiger geweest zijn, dan onder\\nde Turken, toen zij nog niet gezengd waren door dien ver-\\nvloekten revolutiegloed door holle theorien aangeblazen.\\nMaar, zeide Acilius tot Quaestor, ik begrijp niet, waarom\\ngij, in dit vraagstuk, de westersche talen van de oostersche\\nonderscheidt. Houdt gij het reeds voor uitgemaakt, dat de\\ntheorie van het Chinesche schrift voor de oostersche talen\\nbruikbaar is? Neen, antwoordde Quaestor twijfelend; ik\\nheb eigenlijk hierover niet nagedacht; maar (ging hij met\\nmeer vertrouwen voort) het is beter aan de vraag geen al te\\ngrooten omvang te geven, en over de oostersche talen kan\\nik niet oordeelen: ik versta er geen eene. Dit geeft een\\nbewijs van uw verstand en voorzigtigheid zeide Acilius, en\\ntoen gij gevraagd hebt naar de bruikbaarheid voor onze wes-\\nte?\u00c2\u00b0sche talen, hebt gij zeker die Europesche talen alleen be-\\ndoeld, waarmede gij bekend zijt; of kent gij ze allen?\\nZeker niet, antwoordde Quaestor, Maar, mijn lieve Quaes-", "height": "4360", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0088.jp2"}, "89": {"fulltext": "41\\ntor, vroeg Acilhis hem alwederom, hoe zal de beantwoorder\\nweten, welke talen gij kent en bedoelt: Quaestor over-\\nwoog deze vraag een oogenblik, en antwoordde toen: nu,\\nmen zon dnidelijkheidshalve eene verandering in de vraag\\nkunnen maken, en, in plaats van voor onze mesterscke talen,\\nschrijven: voor de meesibekende westersche talen. Gij weet\\nte geven en te nemen, zeide Acilius, en wanneer men met n\\neen zaak behandelt, vordert men: maar zeg mij, zonden de\\nvolkeren, wier talen gij niet kent, n niet onregt -vaardig vin-\\nden, en van eigenbaat beschuldigen, wanneer gij hen van het\\nonberekenbare nut uwer vraag verstoken liet? Ik vrees dat\\ngij zoo doende dat nut veel enger beperken zult dan uwe\\neigene bedoeling is: want uw vraag schijnt slechts wetenschap-\\npelijk te zijn maar zij is inderdaad zuiver philantrophisch\\ngij wilt aan anderen mededeelen wat wij bezitten, en gij zijt\\nhierin echt liberaal (op dit punt verzocht ik Scaevola, dat hij\\nons eens inschenken zou). Maar zeg mij nog iets waarom\\nspreekt uw vraag van talen? Ik begrijp u niet, antwoordde\\nQuaestor neem het denkbeeld eener taal uit mijne vraag weg\\nen er zal niets overig blijven: zonder taal of spraak (want\\ntaal staat tot spraak, als species tot genus) is geen niededee-\\nling van gedachten mogelijk. Ik heb over dit punt eens een\\nvraag medegedeeld: Is denken en mededeelen van gedachten\\nzonder taal mogelijk? zoo ja, Jioe zou dat moeten gesc/nedeu?\\nzoo neen. Ik herinner mij die vraag, antwoordde Aci-\\nlius zij was duidelijk gesteld en het zoo ja en zoo neen dat\\neigenlijk in geene vraag moest ontbreken, gaf een geleidelijk\\nmiddel ter beantwoording. Het bevreemdt mij, riep Scae-\\nvola, dat die vraag toen niet uitgeschreven is. Iemand, die\\nmaar eenigzins gewend was prijsvragen te beantwoorden,\\nzou deze zeer gemakkelijk behandeld hebben. Men vindt\\ndaaromtrent reeds denkbeelden in de overzettino van Plato", "height": "4388", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0089.jp2"}, "90": {"fulltext": "43\\ndoor Schleierniacher en bij meer oude schrijvers, wier plaat-\\nsen men aangehaald ziet door een menigte Dnitschers, die\\ndat onderwerp geheel of van ter zijde behandeld hebben.\\nDoor het zamenstellen en vergelijken van alle die verschil-\\nlende schrijvers, ziet men ligt, wat de algemeene denkwijze\\nover zulk een onderwerp is: die denkwijze had men kunnen\\nmededeelen, en dewijl dit veel verdienstelijke moeite zou\\ngekost hebben, zou men ze als zijn eigen meening hebben\\nmogen voordragen, in den vorm van Inleiding, met opvol-\\ngende hoofdstukken en paragrafen: terwijl men den stijl had\\nkunnen verlevendigen door aangehaalde stukken, uit eigen\\nad versaria geput. Ik kon mij nu niet langer inhouden,\\nmaar riep uit dat is persiffl age Scaevola of meent gij dat\\nmen een Maatschappij met zulke fabrikaten paaijen kan; en\\neen gouden medaille weghalen en gelooft gij dat ooit iemand\\nzich tot beoordeelaar van een ingekomen antwoord zou laten\\nbenoemen, die over het onderwerp niet reeds eene meening\\nhad, uit eigen studie voortgesproten, en Ik ging er\\nnog meer van zeggen (want ik werd warm en bemerkte in\\nmijn onnoozelheid niet, dat Scaevola mij met eene ironie\\nbeet had) maar ik werd gestuit en liet mij gaarne stuiten\\ndoor een gedicht van Mercator, dat hij zelf opzeide. Het\\nwas een oogenblik van waar genot: want hij had een onder-\\nwerp, dat hij meester is, en wanneer hij zulke behandelt, is\\nhij dichter: het was de bekommering van een vader over\\nzijnen zoon en die zoon was aan het vaderland gegeven en\\nwaagde er zijn leven voor, en die vader was Mercator zelf,\\ndie zijn bekommering en zijn gelatenheid liet spreken in\\npo\u00c3\u00abzij van het hart. Toen hij opgehouden had en de\\ndruischende toejuiching van het geheele gezelschap overgegaan\\nwas in een gefluister, waarin ieder man aan zijn naaste te\\nkennen gaf, dat hij dit gedicht bewonderde, de eene uit", "height": "4348", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0090.jp2"}, "91": {"fulltext": "43\\ngevoel en kennis, de andere uit gewoonte, en een derde,\\nom dat iemand, die zegt dat hij bewondert, gevoel en ken-\\nnis schijnt te hebben, toen zeide Acilius, die taai is, en\\nniet ligt een gesprek loslaat: Quaestorlief! zou dit na te doen\\nzijn, zonder taal? zoo ja Gij schertst, naar uwe oude\\ngewoonte, viel Quaestor hem in de rede: uit de vraag,\\nwaarvan ik zoo even sprak, bleek reeds, dat ik het voor\\nonmogelijk houd. Maar gelooft gij, vroeg Acilius, dat al\\ndie beweging der taal, al die kracht van het gevoel, al die\\nspeling eener bevallige woordplaatsing, al dat lenige der\\novergangen, al die zoete klanken, met het gemoed in har-\\nmonie, gelooft gij, dat het Chinesche schrift dat alles\\nkan uitdrukken? Hierover heb ik niet nagedacht, ant-\\nwoordde Quaestor, en ik moet zelf bekennen, dat een paar\\nChinesche romans, die in het Fransch vertaald zijn, er schraal\\nen arm uitzien, en dat men niet weten kan, hoeveel sieraad\\ner nog voor rekening van den vertaler komt; maar zooveel\\nis zeker, dat de Chinesen denken en spreken, en hunne\\ngedachten door hun schrift me\u00c3\u00aadeelen, en dat dit schrift\\nonafhankelijk is van den klank en het getal der woorden,\\ndie in eene gedachte opgesloten liggen: dus kan het voor\\nalle talen bruikbaar wezen: en deze vraag heb ik gewenscht\\nbehandeld te zien. Maar ik geloof, dat ginds zich iemand\\ngereed maakt om een lang gedicht op te zeggen: hij haalt\\neen folio-pak uit den boezem wij dienen te luisteren en ik\\nga naar mijne plaats. Wees niet bekommerd, zeide Aci-\\nlius: die donderbui drijft misschien over, en zoo het geen\\nChineesch gedicht is, heb ik er nu geen ooren voor. Ik\\nmoet nog even mijn vroegere vraag herhalen, waarom gij in\\nde uwe van talen spreekt. Wat raakt het? zei Quaestor\\neenigzins gemelijk de vraag is immers toch niet gekozen en\\nzoo zij ooit weer ter baan mogt komen, wel nu! help mij", "height": "4364", "width": "2620", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0091.jp2"}, "92": {"fulltext": "dan maar onthouden, dat wij schrijven: zou de tJieorie van\\nhet CJiinesche schrift bruikbaar zijn voor het Westen?\\nZ\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 schijnt zij gelukkig gesteld, zeide Acilins, en de vraag\\nwordt kernachtig. Ik heb dezen avond geleerd: ik hen nu\\nuwe bedoeling en ik weet wat gij bedoelt. Zie hennen en\\nweten kunnen niet altijd, het eene in plaats van het andere,\\ngebruikt worden, en toch beduiden zij het zelfde: ik ken\\nuwe vraag, en ik weet wat gij vraagt. Hoe zou een Chi-\\nnees wel schrijven, om deze verscheidenheid uit te drukken?\\nVoor zulk eene diepe redenering, zei Quaestor, is mijn hoofd\\naan een maaltijd niet geschikt. Neen maar, hernam Acili-\\nus, toen gij uwe vraag stelde, hebt gij het wel geweten, en\\ngij kende het onderscheid want gij spreekt van de uitbreiding\\nder wetenschappelijke kennis. Dat is weer eene van die\\ngrammatische spitsvindigheden riep Scaevola uit, die in de\\nbehandeling van oude en latere schrijvers zoo veel kwaads\\ngesticht hebben men ziet daarbij de kern der zaken over het\\nhoofd, en klemt zich vast aan woorden: en wat zijn woorden\\nanders dan ellendige werktuigjes, die men noodig heeft, om\\nzijn zaken mede te deelen maar die niet eens altijd toereikend\\nzijn, om het gedachte uit te drukken? Croesus kende zijne\\nschatten niet, of, Croesus wist niet hoe rijk hij was: wat\\nraakt het mij, hoe Herodotus dat te boek geschreven heeft?\\nik ken het factum en dat begeerde ik te weten of te kennen\\nen daarmee is het uit Men leest in Cicero Quousque tandem\\nabutere, Catilina? Indien de handschriften hier in de plaatsing\\nder woorden verschillen wat gaat het mij aan of Cicero aldus\\ngeschreven heeft, of, Catilina/ quousque abutere tandem? den\\nvocativus voorop, en met de deur in het huis. Het doet er\\nniets toe: men weet dat Catilina vinnig aangesproken wordt,\\nen dat is genoeg. Dat eeuwige uitpluizen en beproeven en\\ntwijfelen heeft zijn grond in liberalismus en ongeloof, die de", "height": "4360", "width": "2696", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0092.jp2"}, "93": {"fulltext": "45\\nwetenschappelijke kennis, of de kennelijke wetenschap, of hoe\\ngij het noemen wilt ondermijnen. Scaevola Scaevola zeide\\nik hierop, ik heb u tot nu toe in stilte gehouden voor den\\nschrijver van een mooi boekje over Volksgeest en Burgerzin\\n(meen ik), dat waarlijk niet uit de extreme gauche gekomen\\nis, en waarin zoo goed getoond wordt, dat verwarring van\\nbegrippen uit verwarring van benamingen spruit: het ding is\\nmet zoo veel talent geschreven: de woorden zijn er zoo goed\\nin gekozen en geplaatst Hier zweeg Scaevola behalve dat\\nhij betuigde de sehrijver niet te zijn want hij is van een\\nbeproefde eerlijkheid. Intusschen stond Quaestor ook een\\noogenblik, als of hij over iets nadacht, totdat Acilius zeide:\\nik geloof, Quaestor! dat ik raden kan, wat gij overpeinst.\\nOnmogelijk, zei Quaestor: ik geef het aan u, alle drie, om\\nhet te beproeven: en zoo gij het raadt, beloof ik een zeld-\\nzaamheid dan zal ik een toast instellen die niet van buiten\\ngeleerd is doch zoo ik het win zult gij ieder iets toepas-\\nselijks op de tegenwoordige tijden zeggen. Ik neem het\\naan zeide Acilius voor mij en voor de andere Heeren\\nmits dat uw toast geen echte toast zij, maar een ding, zoo\\nals men ze tegenwoordig maakt, een kleine redevoering. Be-\\ngin gij maar eerst te raden Scaevola Dat is een laf\\nspel, antwoordde Scaevola mompelend, en gij matigt u veel\\naan, en beschikt over mijn mond en mijn hoofd, als of zij\\nu toebehoorden. Het is ons immers onverschillig, wat Quae-\\nstor gedacht heeft: de gedachten zijn vrij. Neen, Scae-\\nvola! voerde ik hem te gemoet, dat gaat zoo niet: in de\\nmaatschappij moet gij iets van uwe vrijheid opofferen, en\\ngeen liberale brekespel worden. De goedhartigheid van\\nScaevola had de overhand, en hij begon, eenigszins gromme-\\nlend: \u00e2\u0080\u009eIk geloof, dat Quaestor gedacht heeft, dat wij hier\\ntegen de regelen van wellevendheid en orde handelen. Wij", "height": "4364", "width": "2620", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0093.jp2"}, "94": {"fulltext": "46\\nmaken een convivium in convivio: het is een uitvloeisel van\\nde hedendaagsche begrippen, die de banden der maatschappij\\nlosmaken: wij onttrekken ons aan het gebied van den Voor-\\nzitter, en laten ons door de demagogische woelingen van\\nAcilius wegsiepen, terwijl die holle theori\u00c3\u00abn Mijn\\nlieve Scaevola! zeide ik, hem tegenhoudende, ik weet het\\nbeter. Quaestor poogde in uw hoofd te kijken: hij zag er\\neen schat van kunde en belezenheid, en een overvloed van\\nbegrippen over Godsdienst Staatkunde Wetenschappen en\\nLetteren, alle gedurende een reeks van jaren beproefd, en\\nafgemeten naar een brave en deugdzame maar onbekrompen\\ndenkwijze; doch hij zag nog meer in uw hoofd: hij zag dat\\nalles er in rep en roer is, nu gij soms van die begrippen\\nvoor den dag moet halen, en een geheel anderen maatstaf\\naanlegt nu is het eene begrip te groot het andere te klein\\nhier moet een stuk af, daar een stukje aangevoegd en Quae-\\nstor meende dus in uw hoofd dezelfde beweging en verlegen-\\nheid te bespeuren, als wij bij onze huismoeders zagen, toen\\nlengte en gewigt op een nieuwe wijs moesten gemeten, en\\nhet geld anders berekend worden. Gij zijt er zeker niet,\\nze\u00c3\u00af nu Acilius aan wien de beurt kwam want Quaestor\\nkan, in dat oogenblik, zooveel niet gedacht hebben. Zie\\nhier, wat ik gis: Gij weet, dat het bij Quaestor een inge-\\nschapen wensch is, dat het geluk der verlichting en bescha-\\nving aan alle menschen medegedeeld worde: daarom overlegde\\nhij deze prijsvraag voor het volgende jaar: Dewijl de alge-\\nmeene beschaving voor een deel te danken is aan het onder-\\nlinge verkeer en daartoe het spoedig afleggen van groote af-\\nstanden noodig is: en dewijl de tot nu toe uitgevondene\\nmiddelen van vervoer zelfs de stoomvaart en de ijzeren wegen,\\nnog onvoldoende bevonden worden, zoo vraagt de Maatschappij,\\nof de theorie van den gang der schildpadden bruikbaar zou", "height": "4352", "width": "2680", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0094.jp2"}, "95": {"fulltext": "47\\nzijn, en of mm daarvan eenige voordeden zou hunnen ver-\\nwachten voor de meer algemeen e verhreiding van wetenschappe-\\nlijke kennis. Wat de twee andere Heeren gegist hebben,\\nriep Quaestor kan niet het gezonde verstand eenigzins gerijmd\\nworden maar gij Acilins schijnt mij van eene openbare dwaas-\\nheid te besehi\u00c3\u00bcdigen. Hierover nader, antwoordde Acilins de\\nvraag is nn of wij het geraden hebben. Alle drie mis zei Quae-\\nstor. Wat was het dan, riep Saaevola ongeduldig nit?\\nDe gedachten zijn vrij, antwoordde hem Quaestor; ik zal\\nhet evenwel naderhand mededeelen: een geheim zal het niet\\nblijven; maar gij moet mij gelooven, en, dewijl gij de wed-\\ndingschap verloren hebt, nwe beloften honden. Scaevola\\nbegon: /,Mijne Heeren! dewijl de Staten-Generaal zich, in\\nhet nn verloopen jaar, door de lessen der geschiedenis en\\nder ondervinding hebben laten leiden, en aan geen holle\\nEen oogenblik, zeide ik, hem in de rede vallende: ik twijfel\\nniet mijn lieve Scaevola of gij gaat ons iets welsprekends\\nmet warmte voordragen; maar gij hebt te veel talent, om te\\nherhalen wat iedereen zegt. Wie gevoelt tegenwoordig niet\\ndiep, hoeveel het waard is, tot onze natie te behooren? maar\\nhoe dieper dat gevoel ligt, des te meer moet het besloten\\nblijven, en niet telkens, bij gebrek aan wierook van buiten,\\nzich lncht geven in eigen lof en bewondering. Bij de Onden,\\ndie gij zoo hoogschat, mag het gewoonte geweest zijn, dat\\nzij zich bakerden in den gloed hnnner eigen grootheid; maar\\nik kan het, bij voorbeeld, aan Promethens niet vergeven,\\ndat hij bij Aeschylns al de deugden opsomt, die hij bezit,\\nen al de weldaden, die hij aan het menschelijk geslacht be-\\nwezen heeft, ofschoon hij aan een rots gekluisterd lag, en\\neen arend dagelijks zijn lever opvrat; doch zoover is het met\\nons nog niet gekomen. Met moeite had Scaevola zich tot\\nhiertoe bedwongen, maar hij berstte nu ook los. Wat ver-", "height": "4364", "width": "2616", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0095.jp2"}, "96": {"fulltext": "48\\ntelt gij mij van Prometheus en van zijn weldaden? (riep hij\\nin een schorren tenor, terwijl hij de kool uit zijn pijp ver-\\nloor, en een gat in het tafellaken brandde). Zij hebben de\\nmenschen in een poel van jammeren gestort, en hen geleerd,\\nde rede hooger te achten dan het bevel van Jupiter. Ziet\\ngij dan niet dat, zelfs naar uwe laffe letterlijke uitlegging\\nvan die fabel, de oudheid den spot dreef met die hoogge-\\nroemde verlichting en letterwijsheid? Maar ik zal u dieper\\ninleiden in den zin van dat verhaal. In het tijdvak der ge-\\nschiedenis, dat veel hooger ligt dan Homerus en zijne eeuw,\\nen waarvan wij niets weten, had men reeds den geheelen\\nkring van alleenheersching, getemperde eenhoofdige regering,\\nvolksregering met hare verlichting en holle theorien en wan-\\norde en ondergang afgeloopen, en men was weer teruggekomen\\nop het eerste punt, stevige alleenheersching: het was weer de\\ntriomf van het s\u00c3\u00afq xoip\u00c3\u00bcvoq eqa. Prometheus is het beeld van\\neen liberaal in die vroege dagen in de lever schortte het hem\\nwant daarin rekenden de Ouden dat de zitplaats was van veel\\nondeugende hartstogten, vooral van eigenwaan en opgeblazen-\\nheid. Hoe meer de lever zwelt, zeiden zij, des te brooddron-\\nkener wordt men; hoe meer zij slinkt, des te meer overwigt\\nkrijgen het gezonde verstand en de ondergeschiktheid aan orde\\nen wet. Hercules, zegt de fabel, doorschoot den roofvogel\\nmet een pijl: dit beduidt niets anders, dan een bekwaam\\nheelmeester, die den lijdenden Prometheus van zijn leveront-\\nsteking genas, met insnijdingen, bloedzuigers en aderlatingen.\\nZoo begreep het de vo\u00c3\u00b3rhomerische oudheid; doch haar wijs-\\nheid is voor de volgende geslachten verloren gegaan: en ont-\\nhoudt het Mijne Heeren de regeringen mogen dan eens\\ndoor ontijdige strengheid, en dan weder door laakbare flaauw-\\nliartigheid, den wagen in het spoor pogen te houden, wij\\ngaan toch vroeg of laat allen op hol, indien niet bijtijds alle", "height": "4352", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0096.jp2"}, "97": {"fulltext": "o\\nliberale dagbladschrijvers en alle heetleverige volksvertegen-\\nwoordigers van regeringswege door diepe insnijdingen en\\naderlatingen genezen worden. Na dezen hevigen uitval\\nstond Scaevola op smeet een glas wijn omver en brak door\\neen groep staande gasten heen: want het werd woelig in de\\nzaal omdat de zittust geweken was het regende berijmde en\\nongerijmde toasten en menigeen maakte zich gereed om naar\\nhuis te keeren. Ik liep Scaevola achterna, om hem terug te\\nbrengen; want ik houd veel van hem, en zie hem niet\\ngaarne boos; maar het was te vergeefs: reeds had hij den\\nhoed van een anderen gast opgezet zijn eigen o verrok ver-\\ngeten, en was de deur uitgestommeld. Het spel is gebro-\\nken zeide ik terugkomende het spijt mij want Scaevola\\ndie zoo kwaad niet gesproken heeft, had mij opweg gebragt,\\nom ook iets uit de oude fabel te ontleenen: dan zou ik\\nPandora genomen hebben met haar doos, en uit die doos\\nzou ik allerlei omwentelingskwalen hebben laten vliegen, en\\nonder op den bodem zou de hoop op een betere orde van\\nzaken gelegen hebben: en juist wanneer deze zich gereed\\nmaakte om ook te vliegen, zou ik de doos gesloten heb-\\nben. Scaevola heeft veel voor zijn rekening, zei hierop\\nAcilius want ons gesprek begon naar een oud symposium te\\ngelijken, en wanneer de beurt aan mij was gekomen, zou\\nik, om de familie voltallig te maken, iets over Epimetheus\\ngezegd hebben. Het zou evenwel moeijelijk geweest zijn,\\nzei Quaestor, uit zijn geschiedenis iets toepasselijks te ha-\\nlen! Zoo moeijelijk niet, antwoordde Acilius want Epi-\\nmetheus handelde eerst, en dan dacht hij na! Maar, Quae-\\nstor! heeft uw prijsvraag u niet veel moeite en overpeinzing\\ngekost? Gij hebt mij hier zd\u00c3\u00b3 lang aan de praat gehou-\\nden, antwoordde Quaestor, dat ik omstreeks mijn zitplaats\\nhet gezelschap verloopen zie ik wil dus hier nog wel een\\n4", "height": "4364", "width": "2620", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0097.jp2"}, "98": {"fulltext": "50\\noogenblik komen aanzitten want Scaevola heeft ruimte voor\\nmij gemaakt; maar over die prijsvraag, bid ik u, nu niets\\nmeer dat is afgehandeld en het gesprek zou droomcrig wor-\\nden. Quaestor is een geheel ander mensch, dan ik ben,\\nzei nu Acilius zioh tot mij keerende indien mij iets zoo\\nongewoons en gelukkigs ingevallen was, dan zou ik niet\\nalleen wenschen dat anderen er gedurig met mij over spraken\\nmaar ik zou er telkens zelf over beginnen want door over\\nen weer praten maakt men zich de denkbeelden helder, en\\nmen gevoelt dikwijls dan eerst de waardij zijner eigene uit-\\nvindingen: en, wat meer is, indien het mij gebeurd was, dat\\neen geheele Maatschappij zich niet had kunnen plaatsen op de\\nhoogte van mijn voorstel, dan zou ik mij verpligt rekenen\\nhet publiek op eene andere manier er bekend mede te maken.\\nWant al wat nuttig en weldadig is, kan nooit te spoedig in\\nwerking gebragt, of ten minste beproefd worden, of het uit-\\nvoerbaar is, dan wel eene theorie zonder praktijk of pium\\nvotum moet blijven. Bovendien is het geen zaak, dat men\\nonnoodig tijd verlieze: want het geheele onderwijs zal op een\\nanderen voet ingerigt moeten worden. Alwederom (zoo\\nbrak Quaestor hier zijne rede af), alwederom bekijkt gij die\\nzaak zoo zwaarmoedig. Ziet gij dan niet uit de wijs, waarop\\nde vraag gesteld is, dat zij cum grano salis zoo als men\\nzegt, moet uitgelegd worden? Zou de theorie vraag ik, en\\nzou men hiervan eenige voordeelen: voorts moet gij letten op\\ndat eenige voordeelen, en vooral op het slot: de meer alge-\\nmeene verbreiding. Ik gevoel dit zeer goed, zeide ik tegen\\nAcilius: het is even als of de Prins van Oranje, in zijne\\neerste dagorde, bij wijze van prijsvraag gezegd had: Wapen-\\nbroeders! zou de theorie van het kanonvuur bruikbaar zijn op\\nonzen togt, en zou men hiervan eenige voordeelen kunnen\\nvenvachten voor de meer algemeene verbreiding van schrik", "height": "4360", "width": "2672", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0098.jp2"}, "99": {"fulltext": "51\\nonder de Belgen! Juist zoo, zei Quaestor; met dit onder-\\nscheid echter, dat die vraag in ons leger bij acclamatie\\naangenomen en die formule inderdaad niets anders geweest\\nzou zijn, dan een omslagtig voorwaarts 1 Doch gij vat beide\\nmijn vraag alwederoni verkeerd op. Ik zou veel liever van\\ndit onderwerp afstappen; maar ik wensch toch ook niet dat\\nmen mij verkeerd versta. Al die verzachtende uitdrukkingen\\ndienen om de menschen niet te onthutsen, maar de zaak\\neenigzins smakelijk te doen worden. Ik kon, zoo doende,\\nmijn oogmerk zekerder bereiken dan indien ik gevraagd had\\nIs liet Chinescke schrift niet volstrekt onontbeerlijk? De veran-\\ndering van het onderwijs en de omkeering van zaken in de\\ngeleerdheid zijn schrikbeelden die Acilius zich schept, en die\\nwelligt veroorzaakt hebben, dat de vraag ook bij de overige\\nleden gevallen is; maar had men dan zoo veel gezond ver-\\nstand niet, om te begrijpen dat ik een proeve wenschte geno-\\nmen te zien door geleerden en mannen van het vak?\\nHet is zeker dom van de Maatschappij, zeide Acilius; maar\\ndit zijn nog de vestigia runs, overblijfsels uit onze jeugd,\\ntoen men ons met een Chinees met lange knevels naar bed\\nzou hebben kunnen jagen. Ik verbeeld mij dat ik mij op\\nhet standpunt plaatsen kan, van waar gij uwe vraag gedaan\\nhebt. Meer niet: want geenszins vermeet ik mij daarom, de\\nvraag te kunnen beantwoorden: en ik zie ook inderdaad\\nniet, waarom het noodig zou zijn, dat een prijs vrager zelf\\neen antwoord kon geven. Men vraagt hetgeen men begeert\\nte weten dus hetgeen men niet weet en er is tusschen\\nhet vragen in het algemeen en het doen eener prijsvraag dit\\nonderscheid alleen, dat men, in het laatste geval, zegt: fl ik\\nweet het niet weet gij het zoo gij het weet en het zegt\\nkrijgt gij een prijs. Denkt gij er evenzoo over: vroeg hij\\nmij. Misschien, antwoordde ik hem, zou er nog dit bij\\n4*", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0099.jp2"}, "100": {"fulltext": "52\\ndienen te komen, dat de vrager overtuigd moet zijn dat\\nzijn vraag beantwoord kan worden. Indien b. v. Quaestor\\ngevraagd had Is de maan met menseken bevolkt zoo ja\\nhoe zien zij er uit! zoo neen, hoe komt het dat zij er niet\\nzijn? dan zou het wezen, als of hij vroeg: \u00e2\u0080\u009eweet gij het\\nen als er geantwoord werd: \u00e2\u0080\u009ewij gelooven dat de vraag niet\\neens beantwoord kan worden, dat hij dan weder antwoor-\\nden wilde: \u00e2\u0080\u009edat geloof ik ook niet, en dan zouden het\\npubliek en de Maatschappij weder op hunne beurt kunnen\\nvragen: \u00e2\u0080\u009escheert gij den gek met ons? Maar plaats u, bid\\nik u, op het standpunt, waarvan gij spreekt: ik verlang te\\nhooren wat gij van dat standpunt al ziet, en ik laat u\\ngaarne het woord, om het ons in het breede te vertellen.\\nIk houd mij overtuigd, dat Quaestor het zelfde wenscht.\\nToegestaan, zei Quaestor, uitgenomen het breede: want hoe-\\nzeer de geest ook gesterkt is geworden gedurende deze twee\\ndagen, zijn zij toch vermoeijend geweest voor het ligchaam,\\nen ik ontveins niet dat ik naar huis verlang. Ik zal het\\nkort maken, zei nu Acilius, en slechts uwe vraag in een\\naanspraak paraphraseren. Een aanspraak kan u niet hinde-\\nren: het is geheel in den geest eener redevoerende en aan-\\nsprekende eeuw. Mij dunkt, gij spreekt aldus:\\n\u00e2\u0080\u009eMannen van geleerdheid, en gij, Heeren van het vak!\\ndie u niet alleen beijvert om wetenschap en kennis te bevor-\\nderen, maar die boven alles de wetenschappelijke kennis ver-\\nder uitgebreid wenscht te zien: het bekommert u buiten twij-\\nfel, dat het u zoo veel moeite kost, uwe wetenschappelijke\\nkennis aan elkander mede te deelen. Gij hebt daartoe uwe\\nmoedertaal, en misschien nog wel drie andere talen noodig,\\ndie gij v\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3r uw zestiende jaar onmogelijk magtig kunt zijn:\\nen hoe veel kostelijke tijd is er dan niet reeds verloopen\\ndien gij aan het mededeelen en verbreiden van wetenschap-", "height": "4360", "width": "2728", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0100.jp2"}, "101": {"fulltext": "53\\npelijke kennis zoudt hebben kunnen besteden Er woont aan\\nden oostelijken uithoek van Azi\u00c3\u00ab een groot volk, dat een\\nhoog punt van wetenschappelijke kennis bereikt heeft, en in\\nde kunst om die kennis uit te breiden alle andere volkeren\\novertreft. Men zegt, dat zij reeds sedert een paar duizend\\njaren op die hoogte staan; doch in dien tusschentijd heeft\\nnog geen enkel volk aangenomen, wat zij zoo gemakkelijk\\nen eenvoudig mededeelen. Het wordt tijd, M. H! dat wij\\nde voertuigen onzer gedachten, waarmede wij ons zoolang\\nbeholpen hebbea, op zolder zetten. Het volk, waarvan ik\\nspreek M. H heeft dit voorregt boven alle westersche vol-\\nken, dat het in de eerste beginselen van zijne beschaving,\\nhet zij door toeval of liever door een diep inzigt in de zaak\\neenen weg ingeslagen heeft die regtstreeks en in weinig tij ds\\neene hoogte doet bereiken boven welke men niet stijgen kan.\\nEen onwedersprekelijk bewijs hiervan is, M. H! dat zij se-\\ndert vele eeuwen reeds geen vorderingen meer maken, terwijl\\nbij ons daarentegen alle bestanddeelen en werktuigen der be-\\nschaving gebrekkig zijn, en steeds voor verbetering vatbaar.\\nZoo is het bij voorbeeld met de mededeeling hunner gedach-\\nten en uitvindingen gelegen (indien men verwachten kan, dat\\nbij hen nog vele uitvindingen mogelijk zijn, door de onbe-\\ngrijpelijke volkomenheid hunner verlichting). Hun schrift is\\nhet ideaal van alle schrift: het is de zuivere, juiste, ronde\\nmededeeling eener gedachte, die u als het ware voorgetooverd\\nen ingegoten wordt, zonder dat gij aan den klank van \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n\\nenkel woord, of aan deszelfs gebruik en plaatsing denkt. In-\\ndien het al (nu begin ik te spreken, wat een geleerde Duit-\\nscher zegt), indien het al eenige moeite en tijd kost, om\\nzich de 30 of 40 duizend Chinesche karakters in het hoofd\\nte prenten zoo is men daarentegen ontlast (let wel M.H!\\nman ut quit, zegt hij) van een nog veel grooter menigte woor-", "height": "4392", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0101.jp2"}, "102": {"fulltext": "54\\nden en van een versehrikkelijken bajert van buigingen, rege-\\nlen en uitzonderingen, die zich in andere talen aan ons op-\\ndringen en ons jaren bezig houden. De natuur, M.H! (ik\\nvat nu weder zelf het woord op) heeft ons beweegbare ge-\\nlaatstrekken geschonken en lenige handen en een buigbaar\\nligchaam, niet alleen opdat wij in onze behoeften zouden\\nkunnen voorzien, maar ook, vooral, opdat de mensch tot\\nzijnen evenmensch die taal der gebaren spreken zou, die zelfs\\nde geoefendste redenaar van onzen tijd niet ongebruikt laat:\\nzoo natuurlijk is zij en zoo veel krachtiger dan iedere andere\\nuitdrukking. Die spraak der ledematen, M. H! is bijna ver-\\nloren, en men meent ze geheel door de taal der klanken te\\nkunnen vergoeden. Men heeft ze verloren, doordien de be-\\nschaving een zijweg ingeslagen is, door een schrift uit te\\nvinden, dat die klanken teekent. Daarna is er een oneindig\\ngefutsel en geknutsel van woorden ontstaan terwijl hij die\\nop het papier spreekt, zich den tijd gunnen kan om zijn\\nwoorden te schikken en te verschikken, hier wat weg te\\nnemen, daar wat bij te voegen. Sedert dien tijd eerst is\\nopgekomen, wat men stijl en kunst van den redenaar en\\ndichtkunst noemt kunsten die ons streelen maar ons\\nsteeds verder van het hooge doel der wetenschappelijke ken-\\nnis, van de vulling des geheugens, doen afdwalen: even als\\nhet talent van den kok, die ons gehemelte kittelt door prik-\\nkelende sausen en door de toebereiding van \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ne en dezelfde\\nspijs op verschillende manieren, maar die ons somtijds min-\\nder verzadigd van tafel laat gaan, dan indien hij ons een-\\nvoudig toebereide graauwerwten en ossenvleesch voorgezet\\nhad. Ach, Mijne Heeren! indien ik het Chinesche schrift\\nof, ten minste, de theorie daarvan verstond, ik zou mijne\\novertuiging in u overgieten; maar gelooft mij, bij al de\\nspraakwendingen waarvoor eene westersche taal vatbaar is!", "height": "4364", "width": "2720", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0102.jp2"}, "103": {"fulltext": "het wordt eindelijk tijd, dat het menschdom. aflegge. wat\\nkinderachtig is en den man niet past. Slaat nwe oogen op,\\nen laat ze weiden over geheel Europa! Wordt gij niet wee-\\nmoedig, wanneer gij de geringe uitbreiding der wetenschap-\\npelijke kennis en haar moeijelijke mededeeling gewaar wordt?\\nIs het niet rampzalig, dat over de geheele oppervlakte van\\ndit werelddeel slechts duizend verschillende letterkundige en\\nwetenschappelijke Tijdschriften verspreid worden? Maar,\\nM. H! wanneer ik u aanspoor om de theorie van dat won-\\nderbare schrift op de westersche talen of op de meest bekende wes-\\ntersche talen, of op het westen, toe te passen, dan geschiedt dit\\nslechts om u door de grootheid dezer onderneming niet duizelig te\\nmaken. Om dit ongemak te mijden moet ik wel een kleine opoffe-\\nring van het gezonde verstand doen want van eene meer algemeene\\nuitbreiding der wetenschappelijke kennis sprekende denk ik er in\\nstilte bij dat zij daar het meest werken moet waar die kennis\\nhet zwakste is en waar is zij zwakker, dan in Azi\u00c3\u00ab (uitge-\\nnomen China) en in Afrika, en in een groot gedeelte van\\nAmerika, en in Australi\u00c3\u00ab, en in alle eilanden, die in den\\nOceaan verspreid liggen en door wilden bewoond worden? De\\nwetenschappelijke kennis zal tot de bewoners dier landen nooit\\ndoordringen, zoo lang men het klankschrift daartoe bezigt, en\\nieder der beschavers hun zijne eigene taal wil opdringen.\\nDan eerst zal het gelukken, wanneer het westen een algemeen\\nzaakschrift zal aangenomen hebben. Slechts 20 duizend karak-\\nters of figuren heeft een Chinees noodig te leeren, om uit te\\ndrukken alles wat zijn beschaving en letterkunde hem ingeven.\\nBekent nu (want men heeft deze rekening nog nooit gemaakt.\\nen men moet eerlijk wezen): rekent nu, dat onze beschaving\\nen letterkunde, hoe gebrekkig ook, misschien tot die der\\nChinesen staan, als 3 tot 1: dan krijgen wij voor ons zaak-\\nschrift, plus minus, 90 duizend figuren. Een geoefend taal-", "height": "4392", "width": "2660", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0103.jp2"}, "104": {"fulltext": "56\\nkenner, in Parijs, verzekert dat men het in de kennis van\\ndat schrift binnen drie jaren vrij ver brengen kan: rekent er\\nnog twee jaren bij, om die vaardigheid te verkrijgen, dat\\nmen door middel van dat schrift de wetenschappelijke kennis\\nkan uitbreiden. Indien ik hier alwederom naar evenredigheid\\nonzer beschaving en behoefte reken, dan zal ik voor het\\nwestersch zaakschrift krijgen de uitkomst van 3 maal 5, of\\nvijftien jaren. Doch dit schijnt overdreven: en wanneer men\\nde volkomen innerlijke kennis van het systema heeft, valt de\\nuitbreiding en toepassing op zaken, die de Chinesen niet\\nkennen, zeer ligt. Stellen wij dus 10 leerjaren voor een\\ngeoefend taaikenner, wiens leervermogens geheel ontwikkeld\\nzijn. Maar, M. H! rekent nu ook, aan de andere zijde,\\nhoe veel spoediger, b. v. een Australi\u00c3\u00abr het Chineesch-westersch\\nzaakschrift zal kunnen aanleeren: en stemt mij dan toe, dat\\nmen geen grootere weldaad aan het menschelijke geslacht\\nmededeelen kan. Nergens zullen wij dan broeders ontmoeten,\\nof wij zullen elkander verstaan: geen volkstam zoo wild in de\\nbinnenlanden van Afrika en Amerika, of gij hebt hun slechts\\nom penseel en Oost-Indische inkt te vragen, en zult hun de\\nwetenschappelijke kennis, zonder voorbereiding, mededeelen.\\nO zalig vooruitzigt! hier hield Acilius een oogen-\\nblik op want hij was bijna buiten adem. Zeg mij hervatte\\nhij kort daarop, waarde Quaestor, of ik niet geheel in den\\ngeest uwer prijsvraag ingedrongen ben. Begeert gij nu nog\\neen peroratie? want er zweven mij nog veel denkbeelden door\\nhet hoofd, en een zeer ver verschiet opent zich voor mijn\\nverbeelding. Neen, antwoordde Quaestor, ik schenk u de\\nrest en groet u beide. Nog even riep hem Acilius achter\\nna wat hebt gij toch overdacht dat wij niet raden konden\\nVan daag over een jaar, riep hij ons uit de verte toe, en\\nverdween. Willen wij \u00c3\u00b3\u00c3\u00b3k niet naar bed gaan? vroeg Acilius mij.", "height": "4360", "width": "2704", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0104.jp2"}, "105": {"fulltext": "III.\\nWanneer men tot n spreekt over de welsprekendheid, G. T!\\nen over de pligten van den spreker, en gij n herinnert dat,\\nzoo dikwijls er over de welsprekendheid gesproken wordt,\\neven dikwijls de spreker handelt over de pligten van den\\nspreker, rijst dan dat talent in nwe schatting niet al hoo-\\nger en hooger? het talent, dat door zoo veel pligten ge-\\nbonden is dat zich zoo gaarne verdiept in de beschouwing\\nvan zijn eigen wezen en beloften: dat zoo opregt is en zoo\\neerlijk, en u niet onkundig wil laten zelfs van de minste\\nschuld, die het aan u te betalen heeft. Doch is daarbij\\nuw geweten in rust, en herinnert gij u niet tevens, dat er\\neene vereffening van wederzij dsche rekening kan verwacht\\nworden? Want de ziel kan aan de stoffe iets schuldig zijn,\\nzonder dat de stoffe iets terugbetale, maar geen maatschappe-\\nlijke betrekking is er, die niet wederkeerig is; en daar gij\\nimmers bezielde ligchamen zijt, kan het meer dan waarschijn-\\nlijk wezen dat de toehoorder ook eenige betrekking tot den\\nspreker heeft, en iets aan hem schuldig is.\\nIndien het pligt of gewoonte was dat het gehoor eene\\nvraag van den redenaar beantwoordde, gij zoudt allen uitroe-", "height": "4364", "width": "2660", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0105.jp2"}, "106": {"fulltext": "58\\npen: \u00e2\u0080\u009eJa! ons geweten zegt het ons, en wij gevoelen het.\\nDaarom staan wij, of zitten wij, en hooren wij toe; doch\\nhiermede is de schuld vereffend. Vergeeft het mij dat ik\\neen antwoord mogelijk reken, dat z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 verkeerd is. Die kunst-\\ngreep zal ik meer dan \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ns moeten aanwenden: want indien\\nik u een beter antwoord in den mond legde, dan zou ik\\nnu reeds aan het eind van mijne rede zijn, en zelf zou ik\\nhet levensbeginsel vernietigen, waaruit zeer vele redenen en\\ngeschriften ontstaan.\\nEr is een tijd geweest dat de toehoorders zulk eene lijde-\\nlijke stoffe waren. In de oude dagen, toen de welsprekend-\\nheid bloeide, kon de toehoorder zeggen: \u00e2\u0080\u009eik sta: of, ik zit,\\nen ik hoor toe en meer wordt er niet van mij gevorderd.\\nDie levendige Grieken (zoo vraagt gij met verwondering\\nwant ik zal het woord voor u opvatten.) Die levendige\\nGrieken? Die sterk gezenuwde Eomeinen? Twijfelt er\\nniet aan Toehoorders met dat bewustzijn waren zij tevre-\\nden. Maar hun ongeduld, hunne verplettering; hun drift;\\nhun daverende toejuiching? Yan den redenaar kwam\\ndat alles; de spreker hield den teugel van alle die hartstogten\\nen hij zette ze in beweging of hij bragt ze tot kalmte terug.\\nHoe nu zijn wij zoo veel minder dan de Ouden wind ons\\nop! wind ons af! het staat aan u! Ik zal de waarheid\\nspreken: zoo handelbaar zijt gij niet meer. Misschien\\nspreekt gij ook zoo goed niet als de Ouden Die vraag\\nis treffend! voor zoo verre mij aangaat, heeft uw vermoeden\\nveel grond: en ik ben zelf, op mijne beurt, toehoorder geweest\\nen heb somtijds gedacht: zou men aldus gesproken hebben in\\nden ouden tijd?\\nVerbeelden wij ons eenen spreker van die dagen niet hem\\ndie plotselijk het woord moet voeren, maar hem die over\\nstaatszaken of in een burgerlijk geding zal spreken. De", "height": "4364", "width": "2712", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0106.jp2"}, "107": {"fulltext": "59\\nwelsprekendheid had zelden een ander tooneel en zij zou\\nzich belemmerd gevoeld hebben in de schaduw der scholen\\nen in iedere beperkte ruimte; evenzeer als de stem van den\\nzanger, die gewend is de grootste zalen tot aan het gewelf\\nte vullen, maar in een kleiner vertrek van hare veerkracht\\nen buigbaarheid verliest. Verbeelden wij ons dien spreker!\\nZijn onderwerp is bepaald, maar de hulpmiddelen zijn groot\\nin getal: even ruim begrensd als verstand en kennis en ver-\\nbeeldingskracht en zorgvuldige geoefendheid. Een twee\\nmisschien nog meer dagen neemt hij ter voorbereiding.\\nDe Ouden noemden dit overpeinzen: z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 krachtig was het\\ngeheugen, toen men het nog niet met ballasten van zaken\\nbevrachtte, en de overpeinzing genoegzaam was om het onder-\\nwerp levendig en onbeneveld zich voor den geest te houden.\\nOok de pen wordt gevoerd, niet door den overpeinzer; want\\nde stroom zijner denkbeelden zou ze overstelpen; maar door\\neen aantal slaven, tot dit handwerk afgerigt, die zijn luide\\ngedachten opvangen. Zoo verzamelt hij zich een overvloed\\nvan bouwstoffen; hij bereidt zich voor op iederen twijfel, op\\niedere tegenwerping op ieder ongeduld dat hij op de aan-\\ngezigten van volk of regters lezen zal en hij stelt zich in\\nhet bezit van het driedubbel vermogen waarmede hij zijne\\ntoehoorders zal moeten overmeesteren: leer en, onderhouden,\\nbewegen. Daar treedt hij uit het oefenperk, en zijn slaven\\nvolgen hem! Op zijn gelaat en in zijn houding is nog de\\ntrillling der laatste inspanning: op zijne slaven de pijnlijke\\nteekens van zijn ongeduld.\\nT Yaarom zouden wij hem naar de volks verga dering bege-\\nleiden? Gij weet het, T! al wie daarheen ging om hem\\nte hooren hoe krachtig zijn wil ook was hij wist niet met\\nwelk een meening, met welk een overtuiging hij naar huis\\nterug zou keer en.", "height": "4392", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0107.jp2"}, "108": {"fulltext": "60\\nZou het niet onbillijk zijn, tegen dien ouden redenaar den\\nhedendaagschen over te stellen: niet hem die in de raads-\\nvergadering spreken zal over eene vraag, die misschien reeds\\nbeslist is, of voor de regtbank over een beschuldigden, die\\nmisschien reeds veroordeeld is; maar hem die zijn talent naar\\nde Gehoorzaal overbrengt? Zou het niet onbillijk zijn,\\nterwijl deze schouwplaats dat talent zoo merkbaar aan banden\\nlegt, en hier eene geheel andere manier van wel te spreken\\ngevorderd wordt: eene manier, die de Ouden in hun roem-\\nrijke dagen niet kenden? Het kan zijn, T! dat deze\\nwaarschuwing gepast is; doch waarom is het nog zoo onbe-\\nslist, ik zeg niet, of, bij iedere gelegenheid, die plegtig kan\\nheeten, de taal van den spreker klimmen en de namen van\\nde grootste koningrijken op den aardkloot gehoord moeten\\nworden, en of het zijn pligt is, dat hij met een emmer\\nwaters en een blaasbalg een onweder op zee voorstelle, met\\nwindrukken en schuimende golven, maar of dit spreek-\\ngestoelte een strijdperk kan wezen voor die edelste krachten,\\ndie uit de ziel alleen geput worden de verhandelaar dringt\\nzich, mijn ondanks, aan mijne verbeeelding op.\\nWat hij behandelen zal, is niet bepaald, maar het is aan\\nzijne keuze overgelaten. Welk een voor r egt! zult gij\\nzeggen. Neen T! zegt liever: welk een nadeel! Want\\nzelfs dan wanneer hij zijn keus gedaan heeft, kan hij niet\\naltijd zijn krachten verzamelen, omdat zij verdeeld blijven, en\\ngedeeltelijk nog hangen aan iets anders, dat hij zou hebben\\nkunnen aangrijpen, en welks keus misschien gelukkiger zou\\ngeweest zijn. Hij zet zich neder: het moet rondom stil en\\nniemand mag er nabij wezen geen gedartel van kinderen\\ngeen huismoederlij k gestommel. De pen wordt vaardig;\\nmaar dikwijls wordt zij nedergelegd, wanneer zij, als een wer-\\nkelooze hevel der gedachten den o verpeinzer pp een hinderlijke", "height": "4364", "width": "2752", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0108.jp2"}, "109": {"fulltext": "61\\nwijze herinnert, dat zijne gedachten niet stroomen. Hij\\nraadpleegt een boek uit zijn verzameling; misschien veel boe-\\nken, en hij bevindt, dat, wat hij had willen zeggen, reeds\\nop allerlei manieren gezegd is. De pen wordt weder vaar-\\ndig, doch om door te halen, wat reeds geschreven was.\\nIs het wonder, T! dat zulk eene overpeinzing afmartelend is,\\nen dat gij den overpeinzer somtijds uit zijn studeervertrek zult\\nzien treden met een gemelijke vermoeidheid, niet met den ver-\\nhoogden blos van een innerlijk krachtgevoel maar betrokken\\nen moedeloos over zijn vergeefsche inspanning ten minste over\\nde onzekerheid, of het goedkeuring behalen zal, wat hij, aldus\\noverpeinzend, tot stand gebragt heeft.\\nVoeren wij hem eindelijk op, den moedeloozen! Wat er in\\nzijn binnenste omgaat: of hij denkt: \u00e2\u0080\u009evoor ditmaal zal ik den\\nsleur der gewoonte nog volgen, doch daarna niet meer; of:\\nn Wat heb ik begonnen? wie heeft er mij toe genoodzaakt?\\nom deze gedachten bekommeren wij ons niet: maar wij willen\\nzien wat hij kan uitwerken, en of er rede was om zoo moede-\\nloos te zijn.\\nHij zal onderwijzen! Weet gij, wat onderwijzen is, T?\\nZij, die de bestanddeelen der taal ontleden, leggen dit woord\\nop verschillende manieren uit, en houden het of voor een aan-\\ntcijzen door onder \u00e2\u0080\u00a2scheiding of voor een stil aantoonen van kun-\\nstenarijen en handgrepen, of voor nog iets anders; doch, let\\nwel! allen komen zij hierin overeen, dat het zamengesteld is\\nuit onder en tvijzen. Daarom houd ik een regt op mijn\\neigene uitlegging. Het is de leeraar, aan wiens voeten de\\nleerling zit, die onder, dat is, lager tv ijst, dan hij zelf geze-\\nten is. In dezen zin onderwijst ieder, aan wien het vergund\\nwordt dit gestoelte te beklimmen: want gij zijt veel lager.\\nAldus zou het zijn, T! indien de stand onzer ligchamen hier\\nalles afdeed. Ach! denkt niet, hoe vereenigd ook ziel en lig-", "height": "4364", "width": "2652", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0109.jp2"}, "110": {"fulltext": "62\\nchaam zijn, dat de ziel altijd met het ligchaam klimt. Zou\\nhet niet wel kunnen gebeuren, dat de ziel van den spreker\\nbeneden bleef, en die van den toehoorder oprees verre boven\\nzijn gestoelte? en aan wien van beide zou dan het onder-\\nwijzen voegen?\\nHij zal onderhouden! Het oude woord zegt eigenlijk ver-\\nmaken. Duldt \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n enkelen keer dat ondeftige woord, T!\\nDe Ouden hebben het ook verdragen: en hunne beste boeken\\nover de kunst van den spreker noemen het een der drie hef-\\nboomen die hij onder het gewigt eener gansche vergadering\\naanlegt: den sleutel waarmede hij de gemoederen opent, om\\nzijne waarheden of overtuigingen ingang te doen vinden.\\nDe deftigheid en het noordelijke klimaat dulden het nu niet\\nmeer: en waarom ook zou de spreker een ongelijken kamp\\nwagen met de norschheid onzer taal, zoo ongeschikt voor een\\nwandelende voordragt die soms een zijpad inslaat, om eens\\nrond te zien, denkende: toVj zullen er wel komen! maar zoo\\nbij uitstek behulpzaam aan die stuursche vooruitstrevende be-\\ntogen, waarin de eene zinsnede de andere voortduwt, en de\\nlezer, (ook de toehoorder, zoo hij het bij kan houden) naar\\nhet einde gestuwd en geperst wordt, zonder dat zijn traagheid\\nuitroepen mag: laten wij even rusten! Weet gij wat ernst\\nis, Toehoorders! Gij hoort iets hards en on vriendelij ks in\\nden klank van dat woord: doch dit moet ons niet afschrikken\\nvan het nasporen der grondbeteekenis. Het is snert, wan-\\nneer gij de letters op hare plaats zet: snert, snart van\\nwaar nog snar overig is, voor bits, vinnig: het woord is ver-\\nwant met snor en snorren: met nog eenvoudiger omzetting\\nis het nerst, neerst, ijver, werkzaamheid, die schoone\\nkaraktertrek der Noordsche volken, wier afkeer zoo groot is\\nvan het Zuidelijke beuzelen en luijeren! En zoo nu een\\nspreker te huis waarlijk werkzaam is geweest, om u te onder-", "height": "4364", "width": "2744", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0110.jp2"}, "111": {"fulltext": "63\\nhouden, zal hij zich tevreden moeten houden, wanneer gij zegt:\\nhij heeft geluijerd!\\nHij zal bewegen. Wat? Uwe zielen.\\nWanneer gij leest, en niet alleen rondom u geen gedruisch\\nis, maar ook in het boek de gedachten effen en kalm daar-\\nheen gaan, stil als vloeijende olie, zult gij dan niet blijven\\nzitten, en in de diepste rust geraken? Maar wanneer het\\nboek tot u spreekt, en u doet denken en antwoorden, en uwe\\nzenuwen doet trillen, en uwe hartstogten roert; zal hij,\\ndie u dan bespiedt, niet zien dat er iets in u omjaagt, en\\nzal hij u het boek niet neer zien leggen en rondwandelen in\\nuwe kamer, misschien met groote schreden, als of die bewe-\\nging het zoete spel der aandoening verlengen kon? Z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 is\\nhet T Er is geen groote beweging der ziel die zich aan\\nhet ligchaam niet mededeelt. En zoo nu een spreker, in\\nonze dagen, dat zeldzaam vermogen bezit, mag hij het doen\\nwerken? Mag hij vergeten, dat hij zijn gehoor niet kwellen\\nmoet? W^ant wat is er kwellender dan een beweeglust, die\\ngeen ruimte vindt? en moet de spreker niet wenschen dat er\\nweinig ruimte overig zal wezen? en moet hij niet bevreesd\\nzijn, dat hij, met zijne heftigheid, het beminnelijke gedeelte\\nvan zijn gehoor hinderen zou wanneer al de toebereidsels voor\\ngemak en koestering in de onstuimigheid der bewegingen ver-\\nloren gingen?\\nVergunt mij eene verpoozing, om u nog eens mede te\\ndeelen, dat ik spreek over de pligten van den Toehoorder.\\nDe beleefdheid vordert van den spreker, dat hij bijtijds en\\nduidelijk zegge, waarover hij het woord zal voeren, opdat\\nmen, v\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3r het einde, wete wat hij behandeld heeft. Die\\npligt weegt mij daarom nu zwaar op het hart, omdat ik nog\\nverder eenige oogenblikken spreken moet, als of ik nieuwe\\npligten van den spreker ontwikkelde. Zoo gij daarna eerst", "height": "4400", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0111.jp2"}, "112": {"fulltext": "64\\nvernaamt, dat het u zelve geldt, dan zou uwe teleurstelling\\nal te groot zijn. De verdeeling van het onderwerp was\\nniet in mijne magt, maar zij heeft zich van zelve aange-\\nwezen. Ik zou om verschooning vragen voor die overmaat\\nvan orde, indien zij zich niet opgedrongen had, en ik er\\nniet zelf onder leed.\\nKeeren wij terug naar den verhandelaar, die weifelend\\nvoor u staat; en toch zijt gij gekomen \u00c3\u00b3f om onderwezen\\n\u00c3\u00b3f om onderhouden, \u00c3\u00b3f om bewogen te worden. Mogt hij\\nslechts weten welke van die drie genoegens gij wenscht\\nWant hoe veel mogelijkheid is er niet, dat zijne opgestelde\\nrede strijden zal tegen den toestand, waarin uw verstand, of\\nuw geest, of uw hart zich bevindt!\\nIk stel mij voor dat gij komt met leerlust: gij wilt onder-\\nwezen worden, Waarom niet? Hoe uitgebreid uwe weten-\\nschap ook is, er blijft n\u00c3\u00b3g meer te leeren: en wie weet, of\\ngij van deze spreekhoogte niet dingen vernemen zult, waarover\\ngij nog lang zult nadenken? Gij komt, met deftigheid en\\nernst, en met dien ijver, welken gij, zelfs voor z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 kort\\neene poos, in uw studeervertrek niet hebt willen achterlaten.\\nWant al gebeurde het, dat de spreker op de oppervlakte van\\nzijn onderwerp bleef drijven, of zich inhield aan den rand\\nder diepte, waarin gij bereid zijt om met hem onder te\\n-duiken, zoo wilt gij wel erkennen, dat dit zijne beschei-\\ndenheid, zijn populariteit is, maar zelf wilt gij die diepte\\npeilen, en dankbaar zijn omdat hij ze u aangewezen zal\\nhebben. O! gij zult zoo veel leering naar huis dragen,\\ngeput uit de rede des sprekers, of uit uwe eigene medewer-\\nkende overdenking! De redenaar treedt op: en na het uit-\\nspreken van enkele zinsneden, niet ongelijk aan een scher-", "height": "4364", "width": "2672", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0112.jp2"}, "113": {"fulltext": "65\\ninutseling van voorposten, waarin wel eenige drukte is, maar\\ngeen dooden vallen, begint hij u te onderhouden.\\nVertelt het mij niet T ik weet het immers hoe het dan\\nin uwe ernstige zielen gesteld is Het is geklutste room\\naan een hongerigen toegediend! Het is een rietstaf overge-\\nreikt aan den zwaarlij vigen wandelaar!\\nIk stel mij voor dat gij eenen dag doorgesloofd hebt, die\\nvol was van de beslommering des levens, rijk in tijdingen\\nen geruchten die u geslingerd hielden tusschen hoop op een\\ngunstige uitkomst der zaken en bekommering over al wat\\nnog gebeuren kan, en waarop gij gearbeid hebt wat uw\\nhand te arbeiden vond. Uw geest wil de herinnering van\\nwerk en zorgen afleggen gij wilt ontspannen worden en\\ndaartoe hebt gij u naar de gehoorzaal begeven. De rede-\\nnaar treedt op: en naauwlijks hebt gij hem eenige woorden\\nhooren uitspreken, of gij bemerkt dat hij u gaat onderwijzen.\\nHet is u als of gij op een engen weg door een diep zand-\\nspoor, een wagen ziet naderen, zwaar beladen, sterk bespan-\\nnen, en krakend op as en raderen! O! denkt gij zoo\\nik het ditmaal nog ontkom, en niet verpletterd word!\\nIk stel mij voor dat gij hartstogtelijk zijt: in dien beweeg-\\nbaren toestand, als wanneer men de lente tegemoet ziet, en\\nhet eerste ontwaken der natuur ook den geest helderder\\nmaakt, en het bloed sneller loopt, en meer warmte door het\\nligchaam verspreid is. Ach! daar treedt de redenerende\\nredenaar op, en hij streelt uw gelaat met zijn koude hand, en\\nherinnert u den winter met zijn doodslaap en bevroren wateren", "height": "4396", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0113.jp2"}, "114": {"fulltext": "66\\nZegt mij, T! of liever, denkt bij u zelve na, aan welke\\nzijde de schuld ligt van die ongelukkige ontmoetingen.\\nNiet aan de uwe, maar ook niet aan die van den redenaar.\\nZiet wel toe, dat gij voor uwe aandacht niet overvraagt!\\nImmers zult gij niet van hem eischen dat hij drie opstellen\\ngereed hebbe en met zich op het spreekgestoelte brenge?\\nWant indien hij u daaruit eene keuze toestond, is het wel zoo\\nzeker dat gij allen eene en dezelfde zoudt doen? Of zoudt\\ngij wenschen dat bij stemopneming blijken mogt, welke ge-\\nmoedsgesteldheid de meerderheid had? Zeker niet! Immers\\nzoudt gij wars zijn van een toestel, waarmede men elders het\\nschoone talent van den improvisator vernedert tot de uiterlijk-\\nheid van een goochelspel? Gij weet het zeker, hoe veel\\narbeids \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n opstel kost, dat de spreker met eenig vertrouwen\\nzal voordragen: en gij kunt zoo begeerlijk niet zijn, dat gij\\nalle die drie opstellen zoudt willen aanhooren. Gij zoudt\\nvan den gastheer, die u een feest toebereid heeft, niet drie\\nvuurwerken verwachten. Het is genoeg dat er \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n vervaardigd\\nzij, met zorg en vlijt en met groote onkosten: op dat het\\neenige oogenblikken u bezig houde, wanneer het brandt en\\nsist, met donderwerk, zonnetjes en vuurpijlen: met afwisselend\\nlicht en duisternis.\\nIk kom nu nader tot de behandeling van uwe pligten. Ik\\nzal bescheiden zijn, T! en reken op uwe lijdzaamheid.\\nTwee dingen moet ik vooronderstellen: Eerstelijk, dat de\\nmededeelzaamheid van den spreker in overeenkomst is met de\\nbehoefte van het gehoor. \u00e2\u0080\u009eDan is het gewonnen! (wilt gij\\nuitroepen) dan zullen wij onophoudelijk goedkeuren: wij zullen\\nmet den spreker zamensmelten in allerlei geneugte: dan zal\\nonze pligt zich van zelven aanwijzen, zonder dat wij ons be-", "height": "4356", "width": "2704", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0114.jp2"}, "115": {"fulltext": "67\\nkommeren over regelen, die gij ons wilt voorschrijven!\\nNeen Toehoorders het is verkeerd Denkt er slechts over na\\nen hondt de verdeeling vast, aan wier lastigen leiband wij wandelen\\nGij zit: en door de voor uitgestrekte rigting uwer onderste\\nleden heeft het hoofd niet meer noodig den stand te bewaren\\ndie de zwaarte van den geheelen romp binnen de basis en in\\nevenwigt houdt. Het mag dus vooroverhellen, doch met\\nopgerigte tronie naar den spreker, op wien gij staroogt, terwijl\\nde mond die geslotenheid nog niet heeft waarmede bevredigde\\nleerlust en bevatting aangeduid worden. Het is de houding\\nder weetgierigheid T! gij wilt leer en. De spreker ziet het,\\nen zijn onderwijslust wordt sterker. Geen wonder! want de\\nliefdadigheid groeit aan, naar mate men zijn giften begeerd\\nziet. Hij verhaalt u, zoo gedrongen mogelijk, om tijd te\\nsparen: dat, en waarom, en de middelen waarmede, te gelijk\\nmet den weg waarlangs, en den tijd waarin, Jacob Cleyburg\\neen dichter geworden, en wordende gebleven, en blijvende ge-\\nstorven, en stervende verdwenen, en, in onze dagen, helaas!\\ndoor u, maar niet door hem, vergeten is. Wat gij nu te\\ndoen hebt, is eenvoudig: gij haalt de onderste ledematen\\nen het hoofd langzaam terug naar de regtstandige lijn van het\\nevenwigt gij sluit den mond en ziet regts of links van den\\nspreker, naar eenig ander voorwerp. Gij zijt dit aan den\\nspreker schuldig: want zoo gij het niet doet, zal hij een vol-\\ngenden keer optreden en u betogen, dat de beroeringen onzer\\ndagen uit verschil van uieeningen en begeerten ontdaan. Wei-\\nligt zal zijne eigenliefde hem doen gelooven, dat gij zijne za-\\nken niet op prijs weet te stellen en ze niet waardig zijt: maar\\nzijn verstand zal terugkeeren, en de zedelijke kracht van uwe\\neenstemmige, ofschoon slechts zigtbare, oordeelvelling zal zijn\\nhoogmoed vernederen: gij zult hem een dienst bewezen hebben.", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0115.jp2"}, "116": {"fulltext": "68\\nGij zit: en uw gelaat is open en vriendelijk. Door uwe\\noogen heen ziet de spreker tot in uw gemoed, dat opgeruimd\\nis en levendige indrukken verlangt. O! wanneer hij buiten\\nhet moeijelijke spoor geraakt, wat ik u bidden mag, breng\\ner hem in terug door strenge en onbewegelijke gelaatstrek-\\nken! opdat hij niet naderhand optrede en spreke wat bene-\\nden de plaats is, die hij de eer heeft te beklimmen, en bene-\\nden het gehoor, dat hem met zijne tegenwoordigheid begunstigt.\\nGij zit: en ik wilde zeggen: wanneer gij blijken geeft\\ndat uwe zielen, zelfs uwe ligchamen, bewogen willen wor-\\nden: doch hoe zoudt gij dit anders dan met woorden ken-\\nnelijk kunnen maken? maar ik wil toegeven dat de spreker\\nscherp van blik is, en dat hij het bemerkt, en al zijn werk-\\ntuigen aanvoert, om u te roeren. Ik smeek u, schreit dan\\nniet om iets dat zich wel schikken zal: wordt niet boos, noch\\nwoedend, om iets dat de spreker zelf zich zoo erg niet voor-\\nstelt, hoe verbitterd hij ook schijne. Want zoo gij dat doet,\\nzal hij verleid worden, om u te eeniger tijd tot een speelbal\\nte maken van zijne welsprekendheid.\\nIk moet nu, ten tweede, vooronderstellen: dat de mededeel-\\nzaamheid van den redenaar met de behoefte van den toehoor-\\nder niet in overeenstemming is.\\nZoo hij dan de overhand op u heeft, en gij dit gevoelt,\\nwaarom zoudt gij tegenstreven, uit lust tot weerbarstigheid, of\\nin u zelve zeggen: ik zal aan iets anders denken, ik wil hem\\nniet hoor en! Zoo zoudt gij de welsprekendheid niet leeren\\nkennen Geeft u gerustelijk over en hoort toe want die\\nkunst staat dan op haren grond. Als zij niet verder wil stre-\\nven dan hare tegenwoordige grenzen: indien zij hare eigene\\npligten kent, zal zij ook de aansprakelijkheid voor de uwe op", "height": "4364", "width": "2704", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0116.jp2"}, "117": {"fulltext": "ziek laden. Zij zal uw stroeve gemoederen lenigen; maar\\nook haar plegtige ernst zal de ligtvaardigheid van uwe luim\\nbedwingen, en haar kracht zal u schokken en doen rillen.\\nZij zal u het gebied over u zelve ontnemen en gelijk een oud\\nWijsgeer zeide, van u maken, wat haar belieft. Gij zult,\\nondanks u zelve, gedaan hebben naar den wil des sprekers,\\nen dan immers heeft hij u niets te verwijten!\\nDoch wanneer gij gevoelt dat hij de zwakkere is, en dat\\neven als in het magnetismus, uwe zenuwen sterker zijn dan\\nde zijnen: dan kunt gij niet meer onbekommerd zitten of\\nstaan, maar gij zult, nu of dan, reden hebben om te over-\\ndenken: wat moet ik mi doen? Hoe moet ik mij nu honden?\\nEr is een z\u00c3\u00a9kere bewustheid van wetenschap, T! Zij\\ngeeft vastheid aan den geest, en een vertrouwen op eigen\\noordeelvelling, een juiste schatting van al het nieuwe en\\nwetenswaardige, al wordt het slordiglijk voorgedragen, en\\nvan al wat ter zijde mag vallen, al vertoont het zich in een\\nnetten vorm, die de aandacht uitlokt en u telkens schijnt toe\\nte roepen: dat wist gij nog niet! Misschien komt gij met\\ndie volheid der kennis in de gehoorzaal, en de optredende\\nredenaar wil u onderwijzen wat gij reeds weet, of hij draagt\\nhet u zoo voor, dat gij het niet hoort of niet begrijpt.\\nHerinnert u, wat aan Plato eens gebeurd is. Hij las voor\\neen talrijke vergadering zijn samenspraak over de onsterfelijk-\\nheid der ziel. Er was eenige moeijelijkheid in dat opstel\\nmaar toch ook veel, dat zijn toehoorders zeker reeds wisten:\\nwant gij weet, hoe eenvoudig Platoos voordragt was, en hoe\\neenvoudig hij de waarheid zocht Maar hoort wat er ge-\\nschiedde Er sloop \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n der toehoorders weg hij werd\\ndoor een anderen gevolgd, en deze door nog veel meer: tot", "height": "4364", "width": "2648", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0117.jp2"}, "118": {"fulltext": "70\\ndat het (zoo wegslepend is het voorbeeld) geen sluipen meer\\nwas, maar een ruiterlijk wegstaken werd. De geschiedenis\\nzegt niet, of de uitgang juist tegenover den spreker was, en\\nof het knersen en gapen der deur aan den Wijsgeer telkens\\nde maat gaf van de aandacht zijner toehoorders. Maar zoo\\nhij die vermindering bespeurd heeft, (en, mij dunkt, hij moest\\nze bespeuren: want al de toehoorders verdwenen, min \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n)\\nhoe zal hij te moede geweest zijn Neen gij overtreft de\\nOuden in wellevendheid; gij zoudt allen blijven, even als\\nAristoteles die eenige toehoorder van Plato maar toch\\nhoudt u als of gij leert! misschien leert gij ook werkelijk,\\nzonder dat gij het weet: en er is immers in het kunstig\\nzamenstel uwer gelaatstrekken wel een plooi te vinden, die\\neen genoegelijke herinnering aanduidt, en die den redenaar\\nbevredigt, zonder dat hij zegepralend heenga, en zegge: Die\\nmenschen waren wit papier: ik heb er op geschreven!\\nEr is eene stemming van hart en geest, die ik reeds ver-\\nmeld heb. Het is de ernst, die in alle daden iets plegtigs\\nziet alle zaken diep doorgrondt het minste bedrijf met onzen\\ngeheelen toestand in verband brengt, alle gedachten aan een\\nstelsel van wijsbegeerte snoert, en zich bij iedere bevinding\\nafvraagt: ben ik wijzer geworden? heb ik de slotsom mijner\\nbeschaving vergroot? Misschien komt gij met die stemming\\nin de gehoorzaal. Mogt de redenaar het maar geweten heb-\\nben Hoe ruime middelen had hij niet kunnen medebrengen\\nom aan die stemming voedsel te geven Maar hij heeft het\\nniet geweten, en hij zoekt u te onderhouden. Toehoorders!\\ner is somtijds een krampachtige werking in het ligchaamsge-\\nstel: zij komt, zegt men, onder uit den buik op, en deelt\\nzich aan de ruggraat mede, van waar zij door armen en bee-", "height": "4356", "width": "2712", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0118.jp2"}, "119": {"fulltext": "71\\nnen trekt, en een lust gaande maakt bij den lijder, om die\\nleden nog langer te maken: hooger klimmende slaat zij over\\ntot de zenuwen en pezen van het hoofd: de trekkers, die op\\nhet kakebeen werken, spannen al hun vermogen in, en het\\nbovenste ooglid verliest zijn veerkracht Neen zoo heeft de\\nspreker u niet willen onderhouden! Ge\u00c3\u00aberde Toehoorders!\\nzou het u niet mogelijk zijn, te doen als of gij genoegen hadt,\\nal was het met den zedigen tranenlach van Andromache?\\nEr is eene andere stemming, of liever ontstemming, die \u00c3\u00b3f\\ndoor den inwendigen toestand van het ligchaam veroorzaakt\\nwordt, \u00c3\u00b3f door omstandigheden van buiten. Het is eene\\nloomheid van den geest die ieder gewigt te zwaar iedere in-\\nspanning te sterk, ieder genoegen vervelend rekent. Zij grenst\\naan onverschilligheid, T! en is bereid om tot afkeuring en\\nminachting over te slaan van alles wat haar tegenkomt.\\nEr is gevaar dat zij haren schimplust niet zal kunnen intoo-\\nmen, maar dien bevredigen zal, met oud-Zwitsersche een-\\nvoudigheid. Hoe ging dat? vraagt gij. Ik zal het u\\nverhalen T Gij weet dat Basel door den Rijn verdeeld\\nwordt in de kleine stad en de groote stad. Zij worden ver-\\neenigd door een brug over de schoone rivier, die, van den\\nhoogen Zwitserschen bodem afdalende, bij die stad nog veel\\nvan hare snelheid behoudt. In overoude dagen voerde Ba-\\nsel een binnenlandschen krijg: de kleine stad, aan de noord-\\nzijde, was in bezit van den vijand: de brug was gedeel-\\ntelijk afgebroken, en het overige verschanst. Doch er waren\\nsommigen in de groote stad, die met den vijand heulden\\nen verraad smeedden: op zekeren dag zou het uitbreken,\\nop het middaguur, en de aanval van buiten zou van bin-\\nnen ondersteund worden, Maar het verraad was ontdekt", "height": "4396", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0119.jp2"}, "120": {"fulltext": "72\\nen gestraft, en de aanval werd afgeslagen, toen de wijzer\\nvan den poorttoren, die naar de rivier en de kleine stad\\ngekeerd is, het middaguur aanduidde: want men had den\\nwijzer verzet, om tijd te winnen en de aanvallers te mislei-\\nden. Die gelukkige uitkomst is vereeuwigd, voor zoo lang\\nals hout en ijzer vereeuwigen kunnen. Naast de wijzerplaat, op\\ndien toren, kunt gij n\u00c3\u00bc nog een gebeeldhouwd manshoofd\\nzien, niet kunstig gearbeid, maar groot, en met hooge kleu-\\nren geverwd. Wanneer gij naar Basel reist, T! plaatst u\\ndan, wanneer de zon haar hoogste punt bereikt heeft, op\\nde brug, die ik beschreven heb, tegenover de groote stads-\\npoort, en ziet naar boven: want dat beeld drukt dan, een\\nhalf uur lang, de stemming der oude bevolking uit. Bij\\niederen slingerslag van het uurwerk vertoont het een lange,\\nroode tong, die gij zeer ver zien kunt. Begeeft u niet\\nnaar de gehoorzaal, wanneer gij in zulk eene stemming mogt\\nwezen! Doch als het ongelukkiglijk zoo treft, en de rede-\\nnaar u overmeesteren wil maar niet kan ach slaat dan\\nzijn aanval op uwe gemoederen niet af met oud-Zwitsersche\\neenvoudigheid! Beweegt u een weinig, en doet even alsof\\ngij van binnen geroerd zijt. Fluistert uwen nabuur een\\nenkel woord in; maar zacht, en niet te veel: want gij\\nmoet schijnen zoo weinig mogelijk te willen verliezen van het-\\ngeen gesproken wordt, en toch wat lucht te willen geven aan\\nuwe verrukking. Dan zal de spreker meenen, dat gij aan\\nelkander de roering mededeelt, die hij te weeg brengt. Het\\nzal hem immers niet bederven, zoo gij het daarbij laat berus-\\nten, en, wanneer hij uitgesproken heeft, stil heengaat en van\\nzijne redevoering niet meer spreekt.\\nIk heb een vreemd onderwerp behandeld, G. T! maar ik\\nheb niet al te veel gewaagd: want ik kende uwe goedheid en", "height": "4364", "width": "2728", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0120.jp2"}, "121": {"fulltext": "73\\nuwe toegenegenheid. Heb ik langer gesproken, dan welligt\\nuw geduld mij veroorloofde, ik heb evenwel minder gezegd,\\ndan het onderwerp zou opgeleverd hebben, indien ik betoogd\\nhad dat de redenaar door de toehoorders gevormd, maar ook\\ndoor hen misvormd kan worden: eene waarheid, waarvan\\nik slechts weinige trekken heb aangetoond. Vergunt mij eene\\nbreedere uiteenzetting te bewaren voor eene andere gelegenheid\\nen gelukkiger luim.\\nHet is mij echter nu wederom gebleken terwijl ik aan uwe\\nverpligtingen dacht, hoe veel meer pligten de spreker te ver-\\nvullen heeft, en hoe veel grooter zijne aansprakelijkheid is,\\ndan de uwe. Ach! vergeet dit niet: het is de laatste pligt,\\ndien ik u durf te herinneren. Immers kon ik geen onderwijs\\ngeven. Wat zou ik spreken, dat gij niet even goed of beter\\nwist? Onnatuurlijke pogingen om te onderhouden misluk-\\nken gewoonlijk: want wie niet spreekt, zoo als zijne geaardheid\\nhem te spreken geeft, die zal niet bereiken, wat hij najaagt.\\n\u00e2\u0080\u009eWat hebt gij dan eigenlijk willen doen? denkt gij. Bijna\\nniets, T! Ik heb een vereerend aanzoek ingewilligd: daarom\\nmeende ik vrijheid te hebben om op mijne beurt eenige ver-\\nzoeken tot u te rigten immers bevelen mogt ik niet want het\\nverzoeken, des noods het dringend verzoeken, dringt heden ten\\ndage langzamerhand het gebieden weg uit de beleefde maat-\\nschappij: en eerlang zal dit woord zelf, in Europa, nergens\\ndan in Turksche woordenboeken gevonden worden.\\n\u00e2\u0080\u009eIndien gij ons dan niet hebt kunnen onderwijzen, noch on-\\nderhouden (zoo denkt gij, voor het laatst), waarom poogt gij\\nten minste niet ons te roeren en ons aanleiding te geven om ons te\\nbewegen? Ik zal het beproeven, Ge\u00c3\u00aberde Toehoorders met drie\\nwoorden, die somtijds de roerendste zijn eener geheele verhandeling:\\nIk heb gezegd.", "height": "4388", "width": "2652", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0121.jp2"}, "122": {"fulltext": "IV.\\nGij hebt door een voorgaanden Spreker over het eenvoudige\\nhooren handelen, in een schoon geschreven zamenspraak. Indien\\nhet n daarbij en daarna gegaan is even als mij dan heeft uw geest\\ndien weldadigen prikkel gevoeld dien ieder goed geschrift in\\nbeweging brengt, wanneer het den lezer of den hoorder nog iets\\nte denken overlaat. Gij hebt zeker eene of andere bijzonderheid\\ndoor uw eigene opmerking van andere bijzonderheden bevestigd:\\nof er is een twijfel bij u opgerezen, die als een dunne nevel\\ntusschen u en het voorwerp uwer overweging heendreef zoodat\\nhet u een oogenblik schemerde; en wanneer de eenvoudigheid\\ndaarna helder en in stille majesteit zich aan u vertoonde,\\ndan was het weder als of een breede muur voor haar opge-\\ntrokken werd, dien gij moest doorbreken, om weder onbelem-\\nmerd te kunnen aanschouwen. Is dat het beeld der waarheid\\nen van het zoeken naar waarheid? Waarom niet, Toehoor-\\nders? Hiermede wordt immers aan de waarheid zelve niets\\ntekort gedaan! want in de ongelijkheid der menschelijke voor-\\nstellingen, in hare kracht of zwakheid, in haar gezondheid of\\nziekelijkheid, in hare opgewektheid of slaperigheid: daarin\\nimmers ligt het zien en het niet zien. Neen, zegt de", "height": "4364", "width": "2712", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0122.jp2"}, "123": {"fulltext": "75\\nGeleerde, dit weet ik, en ik weet dat, en dat derde weet\\nik er nog bij, en niemand kan maken dat ik net niet zie,\\nnoch wete en ik tart uwe dunne nevels en uwe dikke\\nmuren! Het gaat mij even zoo, zegt de Wiskundige: ik\\nheb gisteren iets geleerd dat onomstootelijk is, en heden heb\\nik geleerd wat noodzakelijk daaruit volgde, en ik weet nu\\nbijna reeds wat ik morgen zal leeren. Zoo gaat het voort\\ndoor eene aetherische ruimte, waar niet gedampt noch gemet-\\nseld wordt. O benijdenswaardig genot der zekere wetenschap,\\ndat geen letteren noch schoone kunsten opleveren! Want hier\\nis geen leidende hand, zoo het niet is een innerlijk gevoel,\\ndat door allerlei omstandigheden gewijzigd, nu eens inge-\\nkrompen, dan weder onmatig uitgezet wordt. Heden zegt\\nonze zekere overtuiging: \u00e2\u0080\u009edat is eenvoudig en schoon, en\\nanders mag het niet wezen; morgen beginnen wij ons zelve\\naf te vragen: \u00e2\u0080\u009eZou het wel eenvoudig en schoon zijn, en zoo\\nhet mijne taak ware het voor te stellen zou ik het niet anders\\nmaken?\\nIk gevoel mij niet geroepen, T! om eenig vak van weten-\\nschap en smaak te benevelen en te verduisteren of een geheele\\nMaatschappij, die daaraan toegewijd is, te doen wankelen.\\nVreest niet dat dit duurzaam mogelijk zou wezen want iedere\\nverdonkering is kortstondig, en er volgt weder licht op. Die\\ngolving der talenten en meeningen is niet een stroom die\\nvordert en voortspoedt, om zich misschien eens in een onbe-\\ngrensden Oceaan van wetenschap op te lossen; maar het is\\neen besloten zee, waar stille bogten zijn en moerassige gron-\\nden maar ook woelige diepten die het dan hier dan ginds\\naangeslibde somtijds overspoelen en reinigen. Zegt dus nooit,\\nbid ik u, dat gij hierover niet sp? ekm wilt, of dat gij daar-\\nover niet meer Jworen wilt, omdat het menigmaal ter sprake\\ngekomen, en (zoo drukt gij u gemeenzaam uit) omdat het af-", "height": "4388", "width": "2656", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0123.jp2"}, "124": {"fulltext": "76\\ngezaagd is. Want niet alleen hij verdient uwe erkentelijkheid,\\ndie u in stillen wellust doet wegsmelten, of die u verrukt en\\nvoortsleept, en u met zich op den hoogsten top voert, dien\\ngij meent dat het talent kan bereiken; maar gij zult ook hem\\nniet veroordeelen wiens pogingen minder vruchtbaar zijn.\\nWant door die pogingen zal weder een derde opgewekt en zijn\\ngeest zal levendig worden. Indien die laatste niet gesproken\\nof gearbeid, en zijne krachten niet ingespannen had, dan zou\\nook hij welligt gezwegen en de hoogte van den voorlaatsten\\nvoor onbereikbaar gehouden hebben. Doch nu ziet hij alleen\\nwat er tusschen hem en dat onbereikbare is, en hij spreekt of\\nhij arbeidt, en hij vergelijkt en meet zich, en de verborgenste\\nlevenskrachten van zijnen geest geraken in werking. Het be-\\ngint te gelukken, hij vordert, nog \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ne laatste inspan-\\nning, en misschien wordt hij op zijne beurt het onbe-\\nreikbare\\nAldus, G. T! zou ik in uwe gemoederen pogen binnen te\\nsluipen en uwe toestemming af te persen, indien ik wilde vra-\\ngen: \u00e2\u0080\u009emag ik, die mindere vermogens heb, die bijna onvoor-\\nbereid ben tot u die het opstel van den vorigen Spreker nog\\nlevendig voor oogen hebt, mag ik ook eens over de een-\\nvoudigheid het woord voeren? Welligt zou ik dat afgebeden\\nverlof ontvangen: vooral indien ik u zeide, dat ik reeds veel\\nvroeger eenige gedachten over dat onderwerp verzameld en, zoo\\nik ze tot een geheel kon brengen voor een spreekbeurt bestemd\\nhad. Ook zoudt gij al de gevolgen voor mijne rekening laten.\\nDoch zeer zeker zou die vorige Spreker zelf het mij vergunnen\\nen, hoe de uitslag ook ware, even vriendelijk en goedhartig\\njegens mij gezind blijven, als hij altijd is. Ik doe die vraag\\nniet: ik heb geen afgesloten betoog voor te dragen, maar ik\\nwenschte u te verhalen, (zoo gij het toegevend wildet aanhoo-\\nren) wat er sedert die laatste Voorlezing in mij omgegaan is.", "height": "4360", "width": "2720", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0124.jp2"}, "125": {"fulltext": "77\\nDie hooggeachte Spreker, en gij allen, zult misschien yeel af-\\nkeuren, en de schouders ophalende glimlagchen en denken:\\n\u00e2\u0080\u009eWat heeft hij het zich weer moeijelijk gemaakt welk een ge-\\nwoel! kon hij niet eenvoudig berusten in hetgeen hij gehoord\\nhad van het eenvoudige? Doch welligt vindt gij ook nu en\\ndan een eigene gedachte in de mijnen weder: en dat is mij\\ngenoeg: want indien ook deze verkeerd zijn, dan hebt gij ge-\\ndwaald even als ik, en wij zullen ons te zamen door een der-\\nden spreker teregt laten brengen.\\nIk dacht: (en ik dacht in gemeenzame taal: want wie is er\\ndeftig, wanneer hij denkt?) ik dacht:\\nHet eenvoudige is de bereiking van een doel langs den kort-\\nsten weg. Is het dus een regte lijn? Ja, in zeker op-\\nzigt. Maar een gebogen lijn is ook eenvoudig: want het is\\neen lijn en niets meer. Ja neen, want een kromme\\nlijn is niet regt. Gelooft gij dan dat het mogelijk is, een-\\nvoudig, dat is langs een regte lijn, van hier naar Japan\\nte reizen? Natuurlijk niet: want de aardkloot is rond,\\nen er zijn bergen en allerlei beletselen; daaraan heeft de rei-\\nziger geen schuld, en het eenvoudige is dus eigenlijk eene lijn\\ndie, naar de omstandigheden, zoo regt mogelijk is. Moed-\\nwillig zulke beletselen te scheppen, is eene afwijking van de\\neenvoudigheid. Maar hoe komt het dan toch, dat die la-\\nnen, waardoor men regt toe regt aan van het slaghek naar\\nde heerenhuizing wandelt, hoe komt het dat zij niet altijd\\nbevallen? Ja! wanneer gij een enkele reis haast hebt, zult\\ngij in u zelven knorrig worden, zoo gij eerst regtsaf moet,\\ndoor dat zijpad, en dan over gindschen vijver, baldadig met\\nmenschenhanden gegraven, en dan weer links door dat hak-\\nhout, en wie weet hoe dikwijls nog regts en links, eer gij", "height": "4388", "width": "2648", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0125.jp2"}, "126": {"fulltext": "78\\nhet huis bereikt en dan u zelven belooft, dien aanleg weldra\\nte zullen veranderen in een regte laan. Maar s anderendaags\\nis die luim verdwenen: gij hebt geen haast meer, en de sier-\\nlijke kronkelingen uwer slingerpaden bevallen u weder. Maar\\ndit is beuzelen: gij verwart, geloof ik, vermaak en nut.\\nGoed: maar mogen die slingeringen zoo sterk zijn, dat ik,\\nop het punt zijnde om het huis te bereiken eerst nog eens\\nterug moet, tot digt bij het slaghek: of hoe lang en hoe\\nveel mag ik keeren en slingeren? Ik weet het niet; maar\\nik weet wel, dat deze uitpluizing verleidelijk is en den\\nnadenker van den weg afbrengt. De waarheid is eenvoudig\\nen onopgesmukt: kijk maar naar de voorbeelden, en houd\\nu stil! Dat kan ik niet; maar, ik bid u, laat die op-\\nsmuksels en tooisels nu eens daar, en zeg mij: indien de\\nwaarheid eenvoudig is, is het eenvoudige ook waarheid?\\nMisschien niet altijd: maar als het een verdichtsel betreft,\\ndan kan het toch waar wezen. Gij hebt waarschijnlijk het\\noog op dat eenvoudige verhaal bij Homerus, hoe de God\\nMars door een sterveling in den buik gewond wordt, zoodat\\nhij het uitschreeuwt met een gil, als van tien duizend men-\\nschen. Waarom niet? want de Dichter was overtuigd dat\\nhet zoo kon gebeuren, en de Oudheid schijnt het met hem\\ngeloofd te hebben: een buik een buik, een wond een wond:\\ndat staat immers vast? En zoo het met de alleroudste po\u00c3\u00abzij\\nsomtijds wat scheef mag gaan, in de geschiedenis vindt gij\\nhet ideaal der eenvoudigheid, en daarin is Herodotus nog\\nniet overtroffen. Men heeft er altijd zoo over gedacht, en\\ngij weet immers hoe dikwijls men hem vergelijkt bij een\\ngrootvader, aan wiens knien de lezers, als kleinkindertjes,\\nstaan te luisteren? Zeer wel! daarom is er ook een klein-\\nkinderlijk gemoed toe noodig, om alles te gelooven wat hij\\nverhaalt. Ik geloof zelfs dat die laarzen van zeven mijlen", "height": "4364", "width": "2708", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0126.jp2"}, "127": {"fulltext": "79\\nDat is een oude, onbeschaamde laster! Herodotus bemerkt\\ndikwijls zelf, dat men hem voorgelogen heeft, en wanneer\\nhij dat mededeelt, dan zegt hij dat hij het zelf niet gelooft:\\nhij is een vriend der waarheid, en wat hij opmerkt en ver-\\nhaalt, deelt hij uit een reine en opregte ziel mede, met juist\\nzoo veel woorden als daartoe noodig zijn. Goed: ik wil\\nmij dan ook niet boos maken om dat gesprek tusschen Solon\\nen Croesus. Wat? boos maken? om dat heerlijke, eenvou-\\ndige, onopgesmukte gesprek, waarin Herodotus Een\\noogenblik! Herodotus heeft geweten dat Solon en Croesus\\neens zamen gesproken hebben, en tenna a stenbij waarover;\\nmaar het gesprek zelf is een opstel van den verhaler: dat\\nbeweer ik. Houd gij het nu voor eenvoudig, tot onnoozel-\\nheid toe; maar het is toch een leugen: een vroom bedrog!\\nGelooft gij dat men tegenwoordig de geschiedenis zou moeten\\nschrijven, even als Herodotus? Eigenlijk ja; maar het zou\\nslechts aan weinigen bevallen want de meesten hebben dien\\nkinderlijken zin verloren, waarmede de Ouden zijn verhalen\\naanhoorden. Gij bewondert, geloof ik, Thucydides ook,\\nom dat eenvoudige zeg mij zou Herodotus hebben kunnen\\nschrijven even als Thucydides, en Thucydides even als Hero-\\ndotus? want waarheid is waarheid: en wanneer zij beide in\\nde mededeeling eener waarheid niet meer woorden bezigen\\ndan noodig is, staan zij gelijk; en ondertusschen meent men\\neen zeer groot onderscheid te bespeuren tusschen beider\\nmanieren? Die vraag is moeijelijk te beantwoorden. Thu-\\ncydides, geloof ik, had meer en dieper gedacht: hij had meer\\noverwogen en vergeleken, maar wat hij schreef, was daarom niet\\nminder eenvoudig. Hij dacht noch aan zich zelven, noch aan\\nde versiering van zijn stijl, wanneer hij naar dat eenige doel\\nstreefde, de voorstelling der waarheid, zoo als hij ze in\\nzijn binnenste zag en gevoelde. Dat antwoord is waarlijk", "height": "4396", "width": "2664", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0127.jp2"}, "128": {"fulltext": "80\\nzoo verkeerd niet; maar die gedurige redevoeringen, doorhem\\nin zijn verhaal ingevlochten, die hij alle noch gehoord noch\\nvernomen kan hebben? Ik weet wel dat gij zeggen zult:\\n\u00e2\u0080\u009eontsnapt u dan de fijne opmerking, dat de Ouden bijna ge-\\nheel onder den blooten hemel en onder eene gestadige wisse-\\nling van woorden en redenen leefden? maar, zeg mij eens:\\nis er in onzen tijd een zoo merkbaar gebrek aan lange\\nHoud maar op! Ik weet waar gij heen wilt: men heeft dat\\nvraagstuk dikwijls gepoogd te beantwoorden; doch het is, naar\\nmijn inzien, nog niet gelukt: want men heeft zich niet her-\\ninnerd, dat t\u00c3\u00b3en reeds de meesters in de welsprekendheid\\nhunne scholieren oefenden door opgegeven onderwerpen van\\nredevoeringen. Uit die school mag aan Thucydides iets ge-\\nkleefd hebben; doch later heeft men gemeend dat die kleine\\nsmet een sieraad was, omdat een krachtige rede zoo veel luis-\\nter bijzet aan een verhaal: daarbij laat hij zijne menschen spre-\\nken, zoo als hij meent dat zij hadden behooren te spreken,\\nen daarom drukken zij ten deele de pragmatica en de politieke\\nbespiegelingen van den historieschrijver zei ven uit; en hiermede\\nkan men de eenvoudige zucht naar waarheid wel eenigzins\\novereenbrengen. Ik weet het niet: indien de verbeelding \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n\\nvoet zetten mag op den bodem der geschiedenis, wie kan dan\\naltijd naauw toezien, of zij met den anderen voet er wel bui-\\nten blijft? Zou een geschiedschrijver niet in de eenvoudigheid\\nzijns harten eene zaak of daad kunnen verhalen, zoo als hij\\nmeende dat zij had kunnen of behooren te geschieden? Ik\\nvind het veel eerlijker, wanneer men, even als een beroemd\\nschrijver onzer dagen zijn eigen levensverhaal noemt waarheid\\nen ver dichting Dat is mogelijk; maar wij verdiepen ons al\\nte veel in de pligten van den geschiedschrijver. Al dat ontle-\\nden en uitrafelen van een onderwerp geeft meer verwarring\\ndan orde in de denkbeelden. De geschiedenis moet eenvoudig", "height": "4364", "width": "2696", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0128.jp2"}, "129": {"fulltext": "81\\nzijn, dat is, onopgesmukt: kan men zich beter of duidelijker\\nen eenvoudiger uitdrukken? Ik weet niet: die smuk schijnt\\nuw geliefkoosd beeld te wezen: en geen wonder, want het is\\nnog al in zwang geraakt. Willen wij de Geschiedenis eens\\naankleeden? Wat zullen wij daarbij winnen? Help mij\\nmaar. De nacht der barbaarschheid is voorbij het begint te\\ndagen: de Geschiedenis is het eerst bij de hand in het huis-\\nhouden der wetenschappen. Zij stapt uit bed, en wrijft zich\\nde oogen uit: en daar staat zij in het gewaad der kronijk,\\nin het hemd. Dat gewaad is eenvoudig moet zij zoo rond-\\nwandelen? Dat zou onbetamelijk wezen, en zij zou aan-\\nstoot lijden. Dan spoedig wat ondergoed aangetrokken, en\\neen bevallig ochtendkleed is dat genoeg? Zoo zij te huis\\nmoest blijven: maar zij moet onder de menschen komen.\\nNu dan beginnen wij met een keurslijf. Volstrekt niet\\nMaar zij zal inzakken, en er zoo breed uitzien. Nu, een\\nlenig korset dan. Een kleed met een langen sleep? Maalt\\ngij? een sleep in den vroegen morgen! geen sleepen, verzoek\\nik u: het kleed moet rondom netjes afgeknipt zijn. Maar\\nzullen wij haar niet eerst kappen? Kappen! kam eenvoudig\\nhet haar en laat de lokken golven met eenvoudigen zwier.\\nJa, maar het hangt haar over de oogen. Nu 3 bindt het\\ndan wat op. Zie, die volle vlecht! Hoe heerlijk zou een\\neenvoudige parel Praat mij van geen paarlen\\nMaar zij moet in een fatsoenlijken kring verschijnen: op een\\nfeest. Nu, \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n enkele parel, maar met smaak geplaatst!\\nneem maar een valsche: zij zullen het niet merken. Een\\ndiamantje? Gekheid! Dan een frissche roos? Hoor\\neens! dat toilet verveelt mij: zoo gij met ernst over het een-\\nvoudige wilt nadenken, houd u dan aan de echte modellen,\\nwaar die stempel op gedrukt is, en beschouw den Oedipus\\nvan Sophocles. Sophocles? Toen hij schreef, was zijn kunst\\n6", "height": "4364", "width": "2656", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0129.jp2"}, "130": {"fulltext": "niet eenvoudig meer. Neen, toen Thespis met zijn troep op\\neen kar speelde, en zij veel voor de vuist spraken, toen ver-\\nbeeld ik mij, is het eenvoudig toegegaan. Dat verbeeld ik\\nmij ook; maar het is moeijelijk daarover te oordeelen, omdat\\ner niets van die stukken overgebleven is. En Aeschylus\\ndan? Ja, men spreekt wel dikwijls van Aeschylus, maar\\nhet komt meestal hierop neer, dat hij zoo zwaar en zoo duis-\\nter is: en al wat zwaar en duister is, kan niet eenvoudig\\nzijn. Hoe veel moeijelijker is hij wel dan Sophocles?\\nRuim viermaal. Indien gij dan eens ruim viermaal meer\\nmoeite aan hem besteedde, dan aan Sophocles, zoudt gij hem\\nbegrijpen? Ik denk ja. En dan zou hij niet meer duis-\\nter en zwaar voor u zijn: gij zoudt zijn somberder gemoed\\npeilen en hem even gemakkelijk verstaan als Sophocles en gij\\nzoudt zien hoe sterk ook op hem die stempel der eenvoudig-\\nheid gedrukt staat. Het is mogelijk; maar ik zou mij niet\\nkunnen ontdoen van de herinnering, hoe veel moeite het mij\\ngekost had. Ik zie het wel: gij hebt het slaghek en de\\nheerenhuizing al vergeten. Maar de koorzangen in Sophocles,\\nhoe gaat het u daarmede? Ik moet bekennen dat ik die\\nkoorgezangen in de oude Treurspelen lastige dingen vind.\\nGoed: zij staan misschien grootendeels buiten de handeling\\nvan het spel; maar zij zijn evenwel een onmisbaar deel van\\nhet kunststuk, en, met die handeling te zamen, \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n volledig\\ngeheel der bewerkte stoffe. Meent gij dat Sophocles het u\\nvergeven zou, indien hij wist dat gij zijn reizangen laat\\nliggen? \u00e2\u0080\u009eMan! (zou hij zeggen), voor u heb ik dat gewrocht\\nniet geschapen, maar voor mijne Atheners!\\nIs dan het eenvoudige onbestemd en betrekkelijk? Natuur,\\nwaarheid, niets anders dan natuur! wie kent haar geheel, en\\nal hare geheimen? en de diepte der gedachte, en het\\nscheppingsvermogen van het genie en de vlugt der phantasie", "height": "4340", "width": "2700", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0130.jp2"}, "131": {"fulltext": "88\\nT\u00c3\u00b3ch natuur, het roept alles \u00e2\u0080\u009enatuur! En de wandelaars in\\ndie gallerij zij bleven het langst 1 verwijlen bij dat kunststuk\\ndat zoo vreemd was! omdat het zoo vreemd was maar\\nhet trok hen zoo aan, en zij gevoelden wat zij niet konden\\nuitdrukken: den schemer eener teleurstelling, een genot onbe-\\nschrijfbaar, een wensch zonder voorwerp: het beeld eener\\nsluimerende vrouw: eene ongewone straalbreking van het dag-\\nlicht; het koloriet des hemels en al wat haar omringt, in een\\nrijk landschap, anders dan hier: een schepsel, een geheeie\\nschepping op eene andere planeet dwaasheid Ik zou\\nvoorbij gewandeld zijn naar de kopij van Dous kraamkamer,\\ndie er naast hing Maar het was zoo schoon Het verstand\\nzweeg, maar het gevoel trilde en tintelde! Dwaasheid, nog\\neens: ziekelijke verbeelding, krankzinnigheid der kunst! -Een\\nkoe haar Kalf lekkende het eenvoudige beeld der moederlijke\\nliefde en de Madonna van Eafa\u00c3\u00abl eenvoudig niet\\neenvoudig? beide eenvoudig?\\nAldus peinzende en suffende, werd ik mat. Het stoffelijk\\ndenken hield op in een zachten overgang tot dien toestand\\ntusschen slapen en waken, waarin de ziel, zonder bewustheid\\nvan het ligchaam, weder werkzaam wordt, maar het bestaande\\nmet het niet bestaande vermengt, het verledene en het tegen-\\nwoordige vereenigt, zich denkbeelden schept, door tijd noch\\nruimte gebonden, en, wie weet het\\nWie wandelt daar in die schoone streek? Ik herken het\\nbevallig oord niet. Maar wie is hij Hij schijnt zelf hier nog\\nvreemdeling te wezen. Hij ziet rond: maar het is een blik\\ndie verslindt: een vonkelend oog onder dien ruigen wenk-\\nbraauw. Over het geelbleeke gelaat zweeft een pijnlijke trek.\\nIs het ontevredenheid? is het eene onvervulde begeerte? is", "height": "4364", "width": "2652", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0131.jp2"}, "132": {"fulltext": "84\\nhet een rusteloos jagen van het genie, dat alles omvatten wil,\\nmaar geklemd wordt tusschen bewustheid van kracht en een\\nkwalijk onderdrukt gevoel van onvermogen? Luistert! hij zingt:\\nBe zucht ons ingedreven,\\nZe omvat het wijd heelal, in wezen en verband.\\nT is heerlijk, met het oog,\\nDoor t Meed, waarmee natuur haar werken overtoog,\\nTe dringen: t ingewand des aardrijks door te vroeten,\\nEn zonnen, op heur baan in t evenwigt te groeten.\\nMaar, onding in t heelal, in duisterhe\u00c3\u00a8n omwikkeld!\\nWat poogt gij? T is om niet, zoo u de w eetlust prikkelt.\\nWijsheid, kennis, kundigheden.\\nAch, wat klanken zonder zin\\nHoudt dit hoogmoedsspoooksel in!\\nWangedrocht met beestenleden\\nUn met holle lucht bezield,\\nWaar het onverstand voor knielt!\\nHij zwijgt langzaam schijnt zijn gemoed opgeruimder te\\nworden: hij ziet weder rond. Hoort! daar zingt hij:\\nT gemeen wane in een reeks van nagebootste trekken,\\nNatuur uw vorm ontleend, de schilderkunst te ontdekken;\\nJuich kleur, juich omtrek toe, die t argloos oog misleidt,\\nUn t doek zijn doorzicht geeft door t schrandre kunstbeleid;\\nHaar doel is niet, natuur als volgster uit te drukken;\\nT is, haar ten voorbeeld zijn t is schoonheid, t is verrukken.\\nGij schoonheid, Godlij k beeld! gij waarheid zelve, omhuld\\nMet menschelijk gewaad waar gij ons aanzien duldt,\\nMn om onze oog en door uw glans niet blind te stralen,\\nV zelve omnevelt in het stof beeld, dat wij malen:", "height": "4364", "width": "2696", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0132.jp2"}, "133": {"fulltext": "85\\nGij, die, wat is, vervult: Gij houdt den zijden hand,\\nDie ziel aan ligchaam huwt, in uw aanbidbre hand!\\nHet is Bilderdijk Maar het oord is niet onbewoond. Ginds\\nwandelen nog andere gestalten. Ik zie er eene naderen. Ziet\\ndien minder stroeven leest, die mildere gelaatstrekken: het\\nlevendig, maar teeder oog, dat alle voorwerpen zwelgt, die\\nzijn rijke geest tot dichterlijke grondstoffe verwerkt. Het is\\nzeker Schiller! Broeder (zegt hij tot Bilderdijk), gij hebt\\nden grondtoon aangeroerd, waarin mijn geest gestemd is:\\nOm het doode te bezielen,\\nHuwt zich geest en stof aan \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n,\\nEn de vlijt spant pees en zenuw,\\nWorstlend met den ruiven steen.\\nWaarheids diepe wel stroomt ruischend\\nVoor den ernst, nooit moe, noch Heek:\\nEn de zicare slag des beitels\\nBeukt het stuur sche marmer te eek.\\nMaar, stijgt tot de sfeer der schoonheid,\\nEn de zwaarte, log en stug,\\nBlijft, aan de aarde vastgeketend,\\nIn dat element terug!\\nLigt en levend,\\nSlank en zwevend,\\nHoog vere\u00c3\u00aald;\\nNiet met pijn aan H blok onticrongen\\nMaar als uit het niet ontsprongen,\\nTreft den glo\u00c3\u00aanden blik het beeld!", "height": "4388", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0133.jp2"}, "134": {"fulltext": "86\\nBilderdijk staat verwonderd. Hoe? heeft Schiller een groot-\\nsche gedachte kunnen opvatten, even als hij? Maar de uitwer-\\nking verschilt. Bij hem staat het denkbeeld helder, in een\\nzuivren omtrek het heeft schoone maar vaste lijnen. Bij den\\nanderen zweeft de uitdrukking even als de gedachte. Zij is\\nschoon, maar met een hulsel omgeven, waardoor de greep\\ndes verstands telkens mistast. Ik weet wat hij denkt: Ook\\nde dweeper heeft somtijds waarachtig gevoel, en niet altijd\\ndringt hij zich op, te gevoelen. Hij is mensch: en, hoezeer\\nverstompt van gevoel, door zijne verbeelding rusteloos, ten\\nkoste van het gemoed, waarmede hij haar verwart, te doen\\nwerken, daar zijn echter o ogenblikken waarin zelfs de meest\\nverkrachte natuur hare regten, en met die hare veerkracht,\\nherneemt. Maar in dat geval neemt het gevoel, bij al zijn\\nwarmte en waarheid, een valsche wijziging aan: het kan nooit\\ngeheel opregt nooit hoog eenvoudig wezen. Sch. Wat staat\\ngij te overdenken? Laat ons een ritselende lommer en een\\nmurmelende beek zoeken, en ons daar nederzetten, om over\\nonze idealen te spreken! Bild. Ga daar met Feith zitten,\\nof op een kerkhof! Ik dank u; liever wandel ik wat op en\\nneer; en wat onze idealen aangaat, zij zijn dezelfde en zij\\nzijn het niet: wij zouden er niets of al te lang over hande-\\nlen! S. Spreek duidelijker! B. Ik heb mij gewend,\\nmet het bloote oog de natuur zelve aan te zien. Gij kunt\\nhet aan mijn vasten blik wel bemerken. De oogvochten,\\ndoor de kleinzing der sappen zoodanig getemperd, dat de\\nkleur van het licht wanneer zij tot het netvlies geraakt\\nS. Het netvlies? Dat begrijp ik niet. Gij schijnt van alles\\nte weten; maar kijk mij zoo strak niet aan! B. Gij ziet\\ndoor een gekleurd oogglas, in een gekleurden spiegel. Gij\\nziet het voorwerp; maar zoo gij juist ziet, dan ziet gij het\\nanders dan het is; en omdat gij volgt, wat die spiegel en", "height": "4360", "width": "2704", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0134.jp2"}, "135": {"fulltext": "87\\ndat ooggias u toonen, is uw werk geen zuivere natuur, maar\\neene, mogelijk in de lijnen niet misvormde maar zeker in\\nhet koloriet vervalschte beeldnis. S. Gij bedriegt u. Zoo\\nmag ik in mijn jeugd gedwaald hebben; maar in mijn\\nrijpere jaren heb ik ingezien, wat den dilettant onderscheidt\\nvan het kunstgenie. Het verleidelijk aanloksel van het groote\\nen schoo?ie, het vuur, waarmede het de jeugdige verbeelding\\nontvlamt en het uiterlijk der gemakkelijkheid en eenvoudig-\\nheid, hebben reeds menigen onervarenen verleid om pallet of\\nlier aan te vatten en in gestalten of toonen uit te gieten wat\\nin hem begon te leven. In zijn hoofd zijn duistere idee\u00c3\u00abn in\\narbeid als een wordende wereld, wier chaotische woeling hem\\nschokt en hem doet gelooven, dat een hooger geest in hem\\ngevaren is. Hij neemt het donkere voor het diepe het wilde\\nvoor het krachtige, het onbestemde voor het oneindige, het\\nzinnelooze voor het bovenzinnelijke B. En het platte\\nvoor het eenvoudige; maar dat zijn mijne denkbeelden.\\nS. Xeen, de mijne. B. Onwaarheid! Gij hebt ze met uwe\\nwerken gelogenstraft Ach! waarom gaan zij twisten?\\nWanneer hun hartstogten gaande worden, hoe zal ik dan de\\nwaarheid vernemen? S. En hoe weet gij of er geen bederf\\nis in uwe oogvochten en in uw netvlies? In de bepaling van\\nhet duistere, van het wilde, van het onbestemde, van het\\nzinnelooze, verschillen wij. Een bekrompen verstand en een\\ntrage verbeelding zullen voor uitspatting bewaard blijven maar\\ndie onschuld benijd ik hun niet. Ik heb van Shakespeare\\ngeleerd, hoe veel men wagen mag. [Bilderdijk glimlacht.] Het\\nware genie weet de grootste werking voort te brengen met al\\nwat aan die vier hoofdzonden grenst. Van daar die hefboom\\nvan het schrikwekkende, dien de Ouden eigenlijk niet ken-\\nden. B. en waarmee gij en andere groote schrijvers den\\nsmaak uwer natie bedorven, en hen, in plaats van eenvoudig-", "height": "4400", "width": "2652", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0135.jp2"}, "136": {"fulltext": "88\\ngezond-gevoeligen tot snorrende zwermers gemaakt hebt*\\nS. Gij zijt in een ongunstige luim! Vergun mij, u met een\\nvoorbeeld duidelijk te maken wat ik bedoel gij zult het\\nzeker met mij \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ns worden. Gij ziet ginds die groene, lag-\\nchende vlakte, met dat rijke verschiet, niet waar? B. Ja.\\nS. Terwijl wij er op staren, geniet ons oog: het rust er met\\nwelgevallen op en ons gemoed wordt gestreeld. B. Goed.\\nS. Verbeeld u nu verder met mij wat ik ga beschrijven. Een\\nonbewassen wilde heuvel rijst in het midden op, en onder-\\nschept een deel van ons uitzigt. B. Verder! S. Wij\\nwenschen dien aardhoop weg, als iets dat het verrukkelijke\\nlandschap ontsiert. B. Geen wonder. S. Zie! die heuvel\\nwordt al hooger en hooger, zonder in vorm te veranderen:\\nbreedte en hoogte blijven in dezelfde verhouding. Onze onver-\\ngenoegdheid neemt toe want de toenemende grootte van den\\nheuvel maakt hem al merkbaarder en al hinderlijker.\\nB. Dat is zoo: hij begint mij merkelijk te hinderen. S. Hij\\ngroeit voort tot de dubbele hoogte van een toren. Voelt gij\\nniet dat ons ongenoegen reeds minder wordt, en voor een\\nander gevoel plaats begint te maken? B. Ja, ik voel iets\\naan mijn schouders. S. Nu is de berg zoo groot en z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3\\nhoog, dat onze oogen bijna niet in staat zijn, hem in \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n\\nenkel beeld zamen te vatten, maar hij is ons nu ook meer\\nwaard, dan die schoone vlakte rondom, en wij zouden den\\nindruk, dien hij op ons maakt, niet gaarne voor een ande-\\nren, hoe aangenaam ook, ruilen! B. Ei? S. Merk nu\\nop, hoe onze verbazing langzaam overgaat in schrik, maar\\nvermengd met de allerzoetste aandoeningen, terwijl het ont-\\nzaggelijke graauwe gevaarte met zijn kruin naar ons begint\\nover te neigen het waggelt nog \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n stormvlaag\\nB. Houd op het zal ons God beter t, nog op het lijf komen!\\nS. Het is niets! wij hadden het ons maar verbeeld!", "height": "4364", "width": "2676", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0136.jp2"}, "137": {"fulltext": "89\\nB. Ja, maar ik ben ontsteld: hebt gij het wel eens bijgewoond,\\ndat een berg zoo groeide? S. Vreemde vraag! zijt gij\\ndichter? B. Ik meende, ja; maar ik vrees, dat wij beide\\nmet onze verbeelding verschillend werken. S. De phantade\\nvan den dichter moet vrij werken, en zij heeft geen grenzen,\\ndan het lage en het afzigtelijke. B. Die grenzen (ik beken\\nhet) hebt gij zelden overschreden. Doch waartoe die onder-\\nscheiding van verbeelding en phantasie? En waar blijven uwe\\nandere uitersten? waar blijft de rede? waar het verstand? waar\\nhet zuivere hart Geloof mij Schiller wanneer deze de ver-\\nbeelding niet beteugelen, dan moogt gij geestdrijvers in hunne\\ndroomerijen voorthelpen, met onzin en belagchelijken wildzang;\\nmaar gij zult geen onbedwelmde hersenen en geen onver-\\nwrongen gevoel streelen. Het zullen wanklanken zijn voor dat\\nrigtige besef, dat de hoogste vlugt kan bijhouden, maar slechts\\neene veredeling duit der vormen eener bestaande stoffelijke en on-\\nstoffelijke schepping. Daarom blijft het schoone altijd eenvoudig\\nal kunnen stompe oogen het niet zien, zelfs niet in de wer-\\nken der Oudheid. S. De Oudheid? Had zij hare Furi\u00c3\u00abn\\nniet? Mij dunkt, ik zie ze: vel en been! de slangen kronke-\\nlen zich rondom haar schonkige B. Nu ja! schilder ze\\nmaar niet verder ik ken ze maar zij lagen binnen den kring\\nder oude denkbeelden, en daarom waren zij bestaanbaar met\\nde waarheid, even goed als de eenvoudigste zaak van het\\ngewone leven, die de kunst ook al behandelt maar zelden\\nongestraft. S. Bij de Ouden altijd ongestraft; wat is er\\ngewoner, dan het smeden van een schild? en lees echter de\\nbeschrijving van het schild van Achilles bij Homerus! Het\\ngeheim, dat de dichterlijke zijde van een onderwerp\\nTerwijl Schiller dat spreekt, hooren zij een flaauw en\\ngemoedelijk gezang: het is van een eerbiedwaardigen grijsaard,\\ndie op eenigen afstand voorbij wandelt. Wie is dat? vraagt", "height": "4388", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0137.jp2"}, "138": {"fulltext": "90\\nBilderdijk. Het is Hesiodus, antwoordt Schiller: maar\\nluisteren wij:\\nZoek het eerst voor u een woning zoek u stieren voor den bouw\\nVoor uw werk een kloeke dienstmeid; doch een* maagd vooral\\ngeen vrouw,\\nNiet met kinderzorg beladen, niet bezwaard, om over t veld,\\nVlug uw runders na te spoeden als het vee ter weide snelt.\\nBilderdijk kan niet zwijgen, maar zegt: Dat schijnt een\\ngoed man; maar hij is op een glibberig pad met zijn dienst-\\nmeid S. Zwijg een oogenblik Gij zult weldra hooren\\nwaar de dichterlijke zijde is.\\nHesiodus zingt, al verder wandelende:\\nGij t is tijd dan) scherp uw ijzer hak voor u in t wilde woud,\\nDrie voet lang den korenvijzel drie els lengte t stamperhout\\nZeven voet zal juist de maat zijn voegzaam voor een wagenas\\nT hout hebbe acht voet! De achste komt u voor een hamer\\nwel te pas.\\nWilt ge uw wagenrad in doorsnee.\\nZij kunnen niet meer opvangen: hij is te ver weg. Beide\\ngroote mannen staan stil: ieder met zijne eigene gedachten\\nbezig. Bilderdijk denkt gewis aan zijn eerste wereld. Al wat\\nhij bij de bewerking daarvan gevoeld heeft, wordt hem weder\\nlevendig. Hij gevoelt zeker, dat dit gedeelte van zijn mees-\\nl Het is gemakkelijk te begrijpen, waarom de oude Griek de ver-\\ntaling van Prof. Van Lennep opzong. Hij nam er waarschijnlijk de\\nproef van; want hij zong ze con amore, en hare zoetvloeiendheid\\nscheen hem te bevallen.", "height": "4364", "width": "2664", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0138.jp2"}, "139": {"fulltext": "91\\nterstuk genoeg was om hem onsterfelijk te maken, wat zij ook\\nredeneren mogen, die in het eenvoudige iets zoeken, dat het\\nongeoefendste verstand begrijpen moet. Schiller, geloof ik,\\nherinnert zich zijn diep doorwrocht vertoog over de aetheti-\\nsche opvoeding van den mensch. Ik heb het geraden! want\\nhij spreekt: Indien ik mij misschien in Hesiodus verzonnen\\nheb, dan bewijse hij, met zijn Boeotischen landaard, dat hij\\nternaauwernood overgegaan is uit den lijdelijken toestand der\\ngewaarwording in den werkzamen van denken en willen, om\\nin zijn phijsiek leven aan den vorm onderworpen te zijn, zoo\\nver het gebied der schoonheid reikt, en aesthetisch te worden.\\nB. Ik begrijp dezen snippel van uw wijsgeerige stelling niet.\\nS. Dat komt van dien mist van uw Hollandsen Boeoti\u00c3\u00ab. Die\\nnevel belet uwen landaard, iets anders te zien dan het ma-\\nteri\u00c3\u00able: daaraan houden zij zich allen vast, in letteren en in\\nkunst. Van daar die gemeene vorm in meest alle hunne wer-\\nken: want een gemeen talent zal de edelste stofFe door een\\ngemeene behandeling onteeren; maar een groot talent, en een\\nedele geest, znllen het eenvoudige, zelfs het gemeene, weten\\nte veredelen. Een alledaagsch geschiedschrijver zal de nietigste\\nverrigtingen van eenen held even zorgvuldig opteekenen als\\nzijn verhevenste daden, en even lang vertoeven bij zijn ge-\\nslachtslijst en huishouden, en bij de knoopen van zijn rok,\\nals bij zijne ontwerpen en ondernemingen. Zoo doet hij, om\\ndat hij een gemeenen smaak heeft, even als een smakeloos\\nschilder, die zich op de gemeenste voorwerpen met zijn naauw-\\nkeurig teekenkrijt afslooft, en zoo hij er, bij toeval, een edeler\\ngekozen heeft, alle waardigheid er van wegpenseelt. En dit\\nzult gij mij toestemmen, hoe gramstorig gij ook schijnt te\\nworden: want het geheele geslacht, waarmee gij geleefd hebt,\\nhebt gij altijd gevloekt en verwenscht. Gij hebt niets goeds\\nin hen gevonden, en zelfs hen, die uwe werken bewonder-", "height": "4400", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0139.jp2"}, "140": {"fulltext": "den, en daardoor ten minste toonden dat zij op den goeden\\nweg waren, ook die hebt gij van u gestooten.\\nDie hevige uitval verwondert mij in den vriendelijken Schil-\\nler. Zou hij een oogmerk hebben, dat mij ontsnapt? Ik\\nvrees voor onaangename gevolgen: want Bilderdijk geraakt in\\neen groote beweging: het komt los\\nB. Ja! ik heb ze verstooten, omdat zij zingenden dansend\\nuwe landslieden bij zwermen inhaalden, die zich gouden en\\nzijden dagen in ons Schlaraffenland beloofden, en ze vonden!\\nIk heb ze verstooten, die hunne kinderen naar uw vaderland\\nter opvoeding zonden, om ze als ganzen terug te ontvangen,\\nen opgeblazen, en vervuld met minachting voor alles wat\\nHollandsen was. Yan daar die verwoesting van den goeden\\nsmaak en van onze schoone moedertaal, tot onkenbaarheid toe\\nverbasterd. Yan daar die verknoeijing in uitspraak en stijl,\\ndie tot brakens toe walgen doet. Toen alles rondom mij\\nflets en flaauw werd, en het vergif der sentimenteele wartaal\\ndoordrong, heb ik toen het geneesmiddel niet toegediend?\\nHeb ik ooit die zieken ontzien, of hen door een weekelijke\\nbehandeling bedorven? Heb ik den standaard niet opgehouden,\\ntoen allen wankelden omdat zij ongewoon geworden waren op\\neigen beenen te staan, en, beschaamd over hetgeen van de\\nFransche Dichtkunst geworden was aangrepen wat zij konden\\nDoch wat heeft het geholpen Een gering getal hoorde mij\\nwaanwijzen, die mij niet begrepen, beoordeelden mij: die mij\\nnavolgden, werkten zonder kennis der taal, zonder diepte van\\nstudie zonder rijkdom van gedachten. Men zou tot de natuur\\nterugkeeren! die meende men in de werken der Ouden, mis-\\nschien ook in de mijne, te zien. Alweder dweepen: dweepen\\nmet natuur, dweepen met eenvoudigheid! Maar hunne een-\\nvoudigheid was een dom en laf gebeuzel een miskenning van\\nde oneindige verscheidenheid en heerlijkheid der natuur: een", "height": "4360", "width": "2660", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0140.jp2"}, "141": {"fulltext": "93\\nmisselijk kaauwen en herkaauwen van opgewarmde en ver-\\nmufte en weder opgewarmde spijs. Wat zij verbeelding noem-\\nden, was een onnoozel kinderspel: het kwikkwakblazen van\\nvorschen in een poel. S. Waartoe maakt gij u zoo boos?\\nwij zijn het immers \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ns? B. Eens? dat is onmogelijk!\\nS. Wel, ik heb op nwe landslieden gescholden: gij ook; ik\\nheb hen flets genoemd; gij dom: ik alledaagsch gij laf: ik\\nheb hnn droomerigheid verweten; gij hebt hnn een nachtmuts\\nopgezet\\nZij staan weder stil en zwijgen. Zou hun gesprek hier\\neindigen? Schiller ziet rond: hij spreekt. S. Is hier nie-\\nmand die voor uw volk pleiten wil? Bilderdijk zwijgt.\\nS. Mijn hart werd zoo warm, toen ik dat oude tijdperk uwer\\ngeschiedenis te boek schreef, en mij verbeeldde geschiedschrij-\\nver te zijn omdat ik zulk een heerlijke stoffe bearbeidde\\nDat tijdperk van kracht en hooge eenvoudigheid hebt gij\\nmenigmaal bezongen, niet waar? Uw hart stroomde er altijd\\nvan over. Gij hebt het beschreven en geschilderd. Is het\\nniet zoo? Bilderdijk zwijgt. S. Uw volk is magtig en\\nrijk geworden: het heeft aan overvloed en weelde den tol\\nbetaald. Maar het is ongelukkig geworden, en het heeft\\nzoo geleden Toen hebt gij hen getroost hebt gij niet\\nToen hebt gij geleden met de lijdenden en uwe zangen waren\\nbalsem voor hunne smart? B. Willen wij niet wat voort-\\nwandelen? S. Gij hebt bestraft; maar gij hebt ook min-\\nzaam vermaand en geholpen: niet waar? want gij tastte in uw\\neigen boezem, waar gij den hoogmoed en de eigenliefde on-\\nderdrukte. Maar toen een gunstiger lot hun ten deele werd,\\nen uw vaderland eer genoot, toen hebt gij gejuicht?\\nhebt gij niet? want gij hadt een groote ziel, die kleine\\nteleurstellingen kon vergeten, en vrolijk kon zijn met de vro-\\nlijken? B. Het lang staan wordt mij moeijelijk. S. Gij", "height": "4364", "width": "2680", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0141.jp2"}, "142": {"fulltext": "hadt gevoel: want gij hebt het dikwijls betuigd: en gij hebt\\nhet nooit aan uw schitterend kunsttalent ten offer gebragt. Het was\\ndie weldadige warmte die koestert en kweekt die het harde ver-\\nzacht, en de scherpte der ijzerkleur tempert met bevallige tinten. Gij\\nhebt nooit aan anderen opgedrongen dat gij den smeltenden om-\\ntrek eener Yenus voorstelde wanneer de gespierde Hercules u voor\\nden geest was. De afdwalingen der kunst hebt gij nooit met\\nmagtspreuken gewraakt, maar met helder onderrigt hebt gij\\nteregt gebragt die doolden: want gij deedt het uit liefde voor\\nde waarheid! Nooit heeft in uw hart de wangunst gewrokt:\\nnooit hebt gij geveinsd te weten, wat gij niet wist. Aan het\\nedele, dat in uwe ziel was, hebt gij een vrije werking gelaten;\\nen dan trok het u heen, waar \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n zelfde neiging, een ont-\\nmoeting der gedachten een gelijkheid der geestvervoering was.\\nDat noemdet gij geen dweepen, neen, maar eene overstorting\\nvan het gemoed, die liefde wekt\\nWat zie ik? een traan van Bilderdijk!\\nHet gezigt was verdwenen.\\nEen man van vernuft, die te veel tijd had en deze Voorle-\\nzing aanhoorde zeide mij \u00e2\u0080\u009euw onderwerp loopt als een dunne\\ndraad door dat opstel. Toen hij zag dat ik mismoedig\\nwerd: want ik meende dat mijn zaken aan een kabeltouw ge-\\nsnoerd waren: zei hij weder, \u00e2\u0080\u009emaar de draad loopt door een\\nklomp kandij suiker. 5 De kritiek was verzoet: en hij heeft\\ner de schuld van, dat het opstel niet met veel andere ver-\\nscheurd is.", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0142.jp2"}, "143": {"fulltext": "V.\\n\u00e2\u0080\u009eVoor arbeid verkoopen de Goden ons alle aardsche goede-\\nren: \u00e2\u0080\u009ehet leven geeft niets zonder arbeid: r/ gij zult\\nniets schoons of nuttigs vinden, dat de stervelingen zonder\\narbeid verkrijgen. Deze spreuken, die in beteekenis niet\\nsterk verschillen, kan men met nog meer verscheidenheid van\\nvorm opgeteekend vinden, reeds bij de ondste dichters, rede-\\nnaars en wijsgeeren. Ik wil alle die vormen niet optellen:\\nwant Enhnkenins heeft, in eene aanteekening op Xenophon,\\ngezegd, dat wie niet bot van geest is, iederen dag de op-\\nmerking kan maken, in die wijze gedachte vervat.\\nZij moet dns wel waarheid bevatten; en uitzonderingen vind\\nik nergens aangewezen, hoe verschillend ook de vermogens\\nder arbeiders zijn, waarvan de eene, dien wij vlug noemen,\\nwel met minder, maar niet geheel zonder arbeid, verkrijgt\\nwat aan den trageren zoo veel meer moeite kost.\\nMaar ik bid n noem eens in een gezelschap po\u00c3\u00a8zij en\\narbeid in \u00e2\u0080\u00a2\u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n adem Gij zult bij weinigen goedkeuring\\nbij velen bevreemding, bij sommigen verontwaardiging opwek-\\nken. De weinigen, die goedkeuren, zijn voor het grootste\\ngedeelte dezulken, die niet juist weten wat po\u00c3\u00abzij is, en vol-", "height": "4388", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0143.jp2"}, "144": {"fulltext": "96\\ngens den regel, onbekend maakt onbemind, er niet veel om\\ngeven, maar evenwel, wanneer zij een diclitstuk zien of hoo-\\nren, in stilte denken: wat moet dat een moeite kosten! of:\\nhoe krijgen zij het zoo bij malkaar!\\nZij die n hnnne bevreemding toonen, hebben wel achting\\nvoor de dichtkunst, maar zij loopen niet hoog met de dich-\\nters. De dichtstukken lezen zij gaarne in oogenblikken van\\nverpoozing en uitspanning; maar de dichters houden zij ten-\\nnaastenbij voor doenieten, wier talent zoo vreemd is van werk-\\nzaamheid, dat zij dikwijls onbruikbaar worden in de indus-\\ntri\u00c3\u00able maatschappij en datgene verzuimen wat zeker niet zon-\\nder arbeid verkregen wordt, levensonderhoud voor hen en\\nde hunnen.\\nDe verontwaardiging, eindelijk, zult gij op het gelaat van\\nsommige enthusiasten lezen. Het woord arbeid voert hun al\\nwat ligchamelijk stoffelijk, aardsch, vergankelijk is, voor de\\ngedachte; en de po\u00c3\u00abzij is geestelijk, aetherisch, onvergan-\\nkelijk!\\nOf er nog een vierde soort is, die gaaf en talent in zich\\nzelve weten te onderscheiden, en, wanneer zij deze vereenigd\\nin zich werkzaam voelen, van het denkbeeld eener matige\\nwerkzaamheid niet huiveren, dit durf ik n\u00c3\u00bc nog niet\\nte beslissen; maar met de eerden wensch ik niets te doen\\nte hebben. De zin, waarin zij het woord arbeid opvatten,\\nis aanstootelijk en onedel. Men kan er zelfs het denkbeeld\\neener beweging van armen en beenen en van het zweet des\\naanschijns niet van afscheiden.\\nZij die ik in de tweede plaats genoemd heb zouden ligt\\nte bestrijden zijn, indien zij het verdienden. Zoo* men hun\\ntegenwierp, dat zij dichtstukken lezen in oogenblikken van\\nverpoozing, en daarom, met een onnoozele gevolgtrekking,\\nbesluiten dat die kunststukken in oogenblikken van verpoozing", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0144.jp2"}, "145": {"fulltext": "97\\ngemaakt worden zij zouden niets te antwoorden hebben\\nen, daarom bemoei ik mij met deze liever niet.\\nMaar ik heb dikwijls bevonden, dat de derde soort, die\\nzich zelve voor enthusiasten houden, moeijelijke en gevaarlijke\\ntegenstanders waren, zoo dikwijls ik beweerde, dat po zij niet\\nvreemd is van arbeid. Ik wil verhalen, wat mij eens met\\niemand van deze derde soort wedervaren is. Hij was van\\nelders, en hield zich eenigen tijd in deze stad op.\\nWij ontmoeteden elkander op een wandeling, en de opge-\\nruimde stemming, waarin wij beide waren, deed ons spoedig\\neen gesprek aanknoopen, en de wandeling^ te zamen vervolgen.\\nHoe verschilt toch de toestand van onzen geest, zeide\\nhij van den een en dag tot den anderen Gij weet dat ik\\nsedert eenigen tijd, een dichtstuk onder handen heb, en dat\\nik er mede bezig blijf, zelfs wanneer ik van huis ben. Gis-\\nteren was ik stomp: ik had geen doorzigt in het onderwerp,\\nen ik kon in de uitdrukking mijner denkbeelden geen verhef-\\nfing brengen. Zoodra ik eenige regels nedergeschreven had,\\nkeurde ik ze terstond weder af, en haalde er de pen door.\\nVandaag is het gansch anders gegaan: ik overzag een geheele\\nrei van gedachten in eens, en alle die gedachten zweefden als\\nin een mimischen tooverdans voor mijne oogen. zoodat mijn\\nvoordragt beeldspraak werd, en mijn geest opgetogen, verre\\nboven het ondermaansche. Mijne ontboezeming heeft dan\\nook dezen ochtend een paar honderd verzen op het papier ge-\\nbragt.\\nlucundi acti labores, antwoordde ik: met mijn werk heeft\\nhet dezen ochtend ook nog al gevlot: ik heb het onbekende\\ndrukjaar van verscheiden incunabelen ontdekt.\\nNeen maar, zeide hij, ik bedoel, dat mijn verbeeldings-\\n7", "height": "4364", "width": "2660", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0145.jp2"}, "146": {"fulltext": "98\\nkracht levendiger werkzaam was, en dat ik het onderwerp door\\neen echt po\u00c3\u00abtisch prisma bekeek.\\nJa wel, antwoordde ik: ik begrijp n zeer goed. Zonder\\neen gunstige stemming van den geest kan geen letterkundig\\nwerk van de hand gaan. Met mij was het ook als of iemand\\nachter mij stond en mij influisterde: nu moet gij dit geschrift\\ninzien nu moet gij dat boek naslaan nu moet gij in dat re-\\ngister zoeken: en al scheidende en verbindende kwam ik tot\\nde waarheid, en die wezenlijke arbeid kostte mij bijna geen\\nmoeite.\\nEr volgde eenige oogenblikken stilte zoodat ik in mijne\\neenvoudigheid, de zaak al voor afgedaan hield, en een ander\\ngesprek over de laatste nieuwstijdingen wilde beginnen.\\nOch neen zei Melissus eindelijk gij weet dat ik achting\\nheb voor de soort van studi\u00c3\u00abn, waarvan gij spreekt en waarin\\ngij zoo voorspoedig gewerkt hebt: maar ik verwachtte van u\\nniet, dat gij ze op \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ne lijn zoudt stellen, met de (hij\\nzocht een woord) met de werking van het po\u00c3\u00abtisch vermogen.\\nDie soort van verwarring heeft een noodlottig misverstand doen\\nontstaan omtrent het wezen der po\u00c3\u00abzij. Yan daar de verzen-\\nmakers en verzenlijmers en de zinspreuk van een po\u00c3\u00abtisch ge-\\nzelschap: kunst wordt door arbeid verkregen: eene uitvinding\\nder flaauwhartige XYIII de eeuw, toen men dichtstukken zat te\\nmaken, omringd van spraakkunsten, woordenboeken en rijmlijs-\\nten, en zelfs het mechanismus der prosodie vergeten had,\\nwaarvan Yondel en de dichters van zijnen tijd zich zoo mees-\\nterlijk bedienden. Maar er ontbrak geest en ziel aan de ge-\\nwrochten der voorgaande eeuw. Of zijn de twee groote ingre-\\ndi\u00c3\u00abnten der po\u00c3\u00abzij niet verbeelding en gevoel? En is verbeelding\\neen werk? Zij is evenmin een arbeid, als iedere gemoedsaan-\\ndoening, als iedere verrukking, als ieder gezigt: want de ver-\\nbeelding is een gezigt: zij is een blik van den .geest in zich-", "height": "4352", "width": "2652", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0146.jp2"}, "147": {"fulltext": "99\\nzelven: in wiens verhoogden toestand allerlei vormen van\\nkennis en wetenschap en rede zich schakeren tot beelden en\\ngroepen, die het oog des verstands aanschouwen moet, en\\ndaarom nog minder werkzaam is dan het ligchamelijk zintnig\\ndes gezigts want uwe o ogen moet gij open houden zoo lang\\ngij een voorwerp buiten u aanschouwen wilt. Of is het gevoel\\nmisschien een arbeid? het gevoel, dat geen werking hoegenaamd\\nkan aanduiden, omdat het eene vatbaarheid, prikkelbaarheid,\\neen lijden of een genot is! Het verwondert mij dat gijlieden\\nde dichters zegt te begrijpen: juist omdat gij zelve geen dich-\\nters zijt, begrijpt gij het wezen der dichtkunst niet.\\nIk beken dat deze redevoering, die bijna in \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9nen adem\\nuitgesproken werd, mij onthutste. Het viel mij zoo onverhoeds\\nop het lijf: en (om de waarheid te zeggen) het vernederde mij\\ndat ik zoo werken en zwoegen moest, om iets gerings tot stand\\nte brengen terwijl eene andere kunst of gaaf of talent dat de\\nwereld in verrukking brengt, geen moeite hoegenaamd kostte.\\nMijn lieve Melissus! zeide ik. ik benijd u die echte Itali-\\naansche weelde, dat chic e f ai- titeri\u00c3\u00af\u00c3\u00a8 der kunst. Ik wil gaarne\\nover dit onderwerp met u spreken; maar dan moet gij niet\\nzoo veel achtereen zeggen want dat brengt mij in de war.\\nWel ja, antwoordde hij: misschien wilt gij een Socratisch\\ngesprek met mij op touw zetten hier op een buitensingel Ik\\nlaat mij liefst niet voor den gek houden: en daar zou het\\nligt op uitloopen, zoo gij Socrates nadeedt. Mogelijk wilt gij\\nzelfs ons gesprek opschrijven en in uwe Maatschappij voorle-\\nzen! Z\u00c3\u00b3o gij iets over dit onderwerp te schrijven hebt, maak\\ner een betoog van; maar moei er mij niet in. Ja maar,\\nMelissus! zeide ik: wanneer ik een betoog schrijf, dan heb\\nik zeker gelijk en dan is het nog erger. Hebt gij ooit iemand\\niets hooren betogen en te gelijk bekennen, dat hij het niet\\ngoed wist r ongelijk had? Nu, dat mag zoo wezen, ze\u00c3\u00af", "height": "4364", "width": "2648", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0147.jp2"}, "148": {"fulltext": "100\\nMelissus; maar ik vind het toch verkeerd, dat gij de dialogen\\nzoo in de mode brengt: zij passen in onze tijden niet. Wij\\nzijn, in onze eeuw van vastere kennis en zekerder wetenschap,\\naan betogen gewend: en ik geloof dat gij aan een dialoog\\nden voorkeur geeft, omdat zulk een opstel u minder moeite\\nkost. Dit is eene andere vraag, antwoordde ik; maar hoe\\nminder werk, des te nader bij de po\u00c3\u00abzij niet waar? Gij\\nbeuzelt, zeide hij; ik heb bezigheid in de stad en ik verlaat\\nu bij deze poort. Dat is onmenschelijk, Melissus 1 riep ik:\\ngij slaat mij dood, en wilt mij niet \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ns begraven! Wandel\\nnog ^.\u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n singel met mij. Ik beloof u dat ik niet Socratisch\\nmet u spreken zal of het moest bij ongeluk en door uw\\neigen schuld, zoo uitvallen. Socratische gesprekken kan iedereen\\nhouden en maken: en ik houd van het uitstekende. Melis-\\nsus liet zich overhalen.\\nWat is het mooi weer! zeide ik. Ja, antwoordde Melis-\\nsus: er volgde een korte stilte. De wolken komen goed\\nte pas, als erj geen lommer is, zei Melissus. Dat is ook\\nzoo, antwoordde ik: er was alweer stilte. Het ging met\\nons gesprek, als met een wagen, die in eens buiten het\\nstaande spoor, in het rulle zand geraakt: het wilde niet voort.\\nIk geloof dat het door verlegenheid kwam dat ik het zonder-\\nlinge voorstel deed om op een bank aan den kant van het\\nwater te gaan zitten.\\nIk vertrouw u niet, zei Melissus: gij wilt weder een\\ntooneel uit Plato vertoonen, met een Ilissus achter ons, en\\nplatanussen boven ons hoofd. Wel nu, antwoordde ik:\\nindien onze woorden niet beter uitvallen dan de decoratien,\\ndan hebt gij niets te vreezen. Van de wandelaars zekerlijk,\\nantwoordde hij: zoodra ik er in den omtrek zie, sta ik op.\\nHet is immers hier geen gewoonte, dat men aan den weg op\\neen bank zit? Zit maar gerust, zeide ik, en laat uw oog", "height": "4356", "width": "2652", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0148.jp2"}, "149": {"fulltext": "101\\neens weiden over die ruime vlakte. Over die grasvelden?\\nvroeg Melissus, met een weinig bevreemding: en op die brug,\\ndaar in de verte? Ja, mijn lieve Melissus! door zulke\\ngezigten werden Poot en meer andere dichters bezield en ver-\\nrukt. Of houdt gij landbouw en veeteelt voor ondichterlijk\\nZoo iets zult gij mij niet ligt hooren zeggen antwoordde hij\\nieder onderwerp, mits het niet onedel en laag zij, is dichter-\\nlijk voor den waren dichter. Maar, in allen gevalle, hoe\\nmiddelmatig schoon dit natuurtooneel ook zij ik adem hier\\ntoch vrijer, en het is mij een genot, dat ik met den rug\\nnaar de stadswallen gekeerd zit. Ik wist wel Meiissus\\nantwoordde ik, dat gij op deze bank nog genieten zoudt: het\\ngaat mij even als u indien ik geen stedeling was zou ik een\\nbuitenman wezen. Dat laat zich hooren, ze\u00c3\u00af Melissus; maar\\nvoor hem wiens geest hooger gestemd is wiens hart behoefte\\nheeft aan edel genot, is het eeuwig aanschouwen van men-\\nschenwerk met al zijn bekrompen vormen, met al zijn kinder-\\nachtige sieraden, met al zijn wanstaltigheden een walg. Het\\ngewoel het gekruis van bezigheid en beroep in de week het\\nrazen en hameren en rammelen van een hoop menschen, die\\nop elkander gepakt leven en op de feestdagen de wansmaak\\nvan het wandelende gemeen, dat zich opschikt en in dien\\nopschik zoo regt gemeen is en linksen in al zijn bewegingen\\noch neen op die grasvlakte en op die koebeesten rusten mijn\\noog en mijn gemoed!\\nGij spreekt ook van niets dan van kalmte en rust\\nwaarde Melisssus! zeide ik: komt dat van de po\u00c3\u00abzij, die geen\\nwerk voor u is Gij hebt mij beloofd antwoordde hij\\ndat wij dat onderwerp zouden laten rusten. Zeer zeker zou\\nhet landleven voor mij geen ideaal van luiheid Avezen. Er is\\nploegen, eggen, zaaijen, poten, planten, snoeijen. Ja, er\\nis veel! riep ik: dus zoudt gij geheel landman worden en uw", "height": "4364", "width": "2648", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0149.jp2"}, "150": {"fulltext": "102\\nletterkundige liefhebberij vaarwel zeggen? Ik zie niet waarom\\nbeide niet te zamen kunnen gaan, zei Melissus: waarlijk, de\\nlandbouw, in zijn geheelen omvang, is als studie een belang-\\nrijk vak: zij zou anders in het Academisch onderwijs niet op-\\ngenomen zijn. Die studie staat immers met geologie, physica,\\nchemie, astronomie en mechanica in het naauwste verband? Is\\ner niet, van de oudste tijden af, een geheele bibliotheek over\\ngeschreven door mannen, die de natuur in hare werken en\\nwetten poogden te bespieden? Dat bespieden en beloeren\\nmoet arbeid en vlijt kosten dunkt mij Melissus zeide ik.\\nNu ja, men neemt er tijd toe, antwoordde hij: vooral,\\nging ik voort, wanneer men er over schrijft, wanneer men\\nvoorschriften opstelt, den tijd voor ieder veldarbeid aanwijst,\\nhet verband tusschen den aard van ieder getij en dien van\\niedere vrucht of plant opgeeft, den invloed van zon, maan en\\nstarren, en wat er verder aan den hemel is, aantoont, en de\\nhulp waarmede wij de natuur te gemoet kunnen komen, wan-\\nneer het saizoen ongunstig is, of onze moedwil haar dwingt\\ntot ontijdige vruchtbaarheid. Er is iets edels in die studie,\\nMelissus Dat is er ook antwoordde hij van Varro en\\nColumella af, tot op onze tijden toe, heeft zij mannen van\\ngroote talenten bezig gehouden. Maar Melissus! zeide ik,\\nwanneer men dat onderwerp in po\u00c3\u00abzij behandelt, wordt dan\\nalles gemakkelijker, of heeft men dan minder talent en zoo\\nveel kennis van de zaak niet noodig? Melissus kraste in\\nhet zand met zijn wandelstok. Mij dunkt, ging ik voort,\\ndat er in de Georgica van Yirgilius veel studie is, en dat een\\ndichtstuk, dat wij dikwijls moeite hebben om goed te begrij-\\npen ook aan den Dichter eenige moeite kan gekost hebben.\\nDat wil ik wel gelooven, ze\u00c3\u00af Melissus; maar dat ding is toch\\neigenlijk geen po\u00c3\u00abzij. Hierover wil ik gaarne op een ande-\\nren tijd met u spreken, antwoordde ik; maar Bilderdijk zou", "height": "4352", "width": "2656", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0150.jp2"}, "151": {"fulltext": "103\\nvreemd opgezien hebbeu, zoo gij hem verteld hadt, dat zijn\\nnooit genoeg geprezen, maar ook al te weinig gelezen, Ziekte\\nder Geleerden geen po\u00c3\u00abzij was! Hij toont er zoo veel kennis\\nin zeggen deskundigen hij had er zoo veel voor nageslagen zoo\\nveel vooral in zich zelven opgemerkt om al die akelige kwa-\\nlen zoo uitvoerig te kunnen schilderen. Ja maar, zei Me-\\nlissus, de episoden zijn eigenlijk het po\u00c3\u00abtische gedeelte.\\nWil dat zeggen Melissus vroeg ik dat hij aan het geheele\\ngedicht gewerkt heeft behalve aan de episoden dat hij som-\\ntijds dacht: \u00e2\u0080\u009enu zal ik eens uitblazen, en dan eene episode\\nin zijn gedicht maakte? Ik kan het niet goed beoordeelen,\\nMelissus! omdat ik geen dichter ben; maar mij dunkt, dat\\nhij ten minste aan de twee eerste en twee laatste verzen\\nvan zulk eene episode een weinig moet gewerkt hebben, om\\nze in verband te brengen met het onderwerp. Zou men wei-\\nligt eene uitzondering moeten maken, en zeggen, dat het\\nleerdicht, de didactische po\u00c3\u00abzij 3 een po\u00c3\u00abtische studie een po\u00c3\u00abti-\\nsche arbeid is?\\nIk geloof waarlijk dat daar iemand aankomt, zei Melissus,\\nopstaande: wij zagen toe.\\nAch neen riep ik ga maar zitten het is een bleekers-\\nhond: dat beest zal niet rondvertellen, hoe wij hier gezeten\\nhebben. Zit maar gerust en wees niet bang. Gij zit ook op\\nden sprong, alsof gij ter sluip buiten de belegerde stad, bij\\nde voorposten der Spanjaarden, gekomen waart. Ik twijfel,\\nantwoordde Melissus of deze bank hier toen reeds gestaan\\nheeft. Indien zij er toen reeds gestaan heeft, zeide ik,\\ndan is zij eene antiquiteit: en zoo zij eerst beroemd moet\\nworden nadat wij er op gezeten hebben dan zal men er in\\nlatere eeuwen nog mee dweepen. Ik verkies op deze bank\\nniet aan het nageslacht overgeleverd te worden, antwoordde\\nMelissus. Gij kunt het niet weten, zeide ik: zoo gij slechts", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0151.jp2"}, "152": {"fulltext": "104\\neen kalme houding aanneemt. Meent gij dat de oude lieden,\\ndie over den muur van Troije zaten te kijken naar het leger\\nvau de Grieken, ook zoo bevreesd waren dat de wandelaars\\nhen zien zouden? en denkt gij dat Socrates, die, zoo lang\\nals hij was, in het gras lag Dat waren ook an-\\ndere tijden en andere gebruiken, viel Melissus mij in de\\nrede: misschien zijn ook hier, 250 jaren geleden, de zeden\\neenvoudiger geweest. Thans zou niemand u gelooven, indien\\ngij te boek schreeft, dat wij hier hadden zitten te keuvelen\\nen op de grasvelden en tuinhuisjes te kijken. Men zou zeg-\\ngen: dat is een verdichtsel, en hij heeft tegen het costuum\\ngezondigd. Dat zien wij wel meer gebeuren, mijn lieve\\nMelissus antwoordde ik wanneer de verbeelding de weten-\\nschap vooruit- of voorbijloopt. Ik bewonder altijd de schrij-\\nvers die een verdicht verhaal zoo juist passen in den tijd,\\nwaarin het verhaalde door hen geplaatst wordt. Dat ge-\\ndeelte der fraaije letteren, zeide Melissus, staat tegenwoordig\\nop een veel grootere hoogte dan tevoren. Nu moet er gereisd\\nworden, om het land te leeren kennen, waar het geval ge-\\nbeurd is, dat men wil verhalen: men moet de zeden van\\nhet volk bestuderen: en wauneer het verhaal naar verloopen\\neeuwen teruggeschoven wordt, dan zijn de moeite en de arbeid\\nnog veel grooter. Oude kronijken en geschiedenissen moeten\\nnaauwkeurig gelezen worden flaauwe wenken en terloops ge-\\nmaakte aanmerkingen gezocht en opgeteekend om ze te zamen\\nte stellen, en aldus zich eenig denkbeeld te maken van het\\nvolksleven, zonder kennis waarvan het verhaal gevaar loopt\\nvan in de lucht te hangen of zich hier of daar tegen te spre-\\nken en onnatuurlijk te worden. Uit dit oogpunt beschouwd,\\nheeft het verdichte verhaal inderdaad eene historische waarde.\\nMaar de schrijver heeft een groote verantwoordelijkheid, om-\\ndat de aangename inkleeding en levendigheid van zijn verhaal", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0152.jp2"}, "153": {"fulltext": "105\\nzoo aanlokken en treffen, zoodat het tafereel van de zeden en\\ngebruiken van den tijd, dien hij voorstelt, misschien nog\\ndieper zich prent in het geheugen der lezers, dan de lotgeval-\\nlen der personen. Dit is een stil getuigenis van den lezer,\\ndat het historische nog hooger waarde heeft dan het verdichte.\\nDaarom verwijt men ergens aan W. Scott, dat hij rijker was\\nin kennis van oude legenden, dan van den toestand van het\\noude Engeland.\\nDat is opmerkelijk, Melissus! antwoordde ik: en gij maakt\\ndat mijne bewondering van dat talent nog hooger stijgt. Is\\ner nog zoo veel af te dingen op dat van eenen man die ge-\\nzegd wordt zoo veel jaren gestudeerd te hebben, eer hij die\\nreeks van verdichte verhalen begon te bewerken, waarvan\\nEuropa thans weergalmt? Maar, mijn lieve Melissus! het\\neerste gedeelte van die reeks was po\u00c3\u00abzij en sommigen zeggen\\ndat in zijn latere prozastukken ook veel po\u00c3\u00abzij is. Wat\\nmaalt gij riep Melissus en wat gaat het mij aan hoe som-\\nmigen hun oordeel uitspreken? De studie en de arbeid belioo-\\nren tot de voorbereiding: daardoor verheft zich de dichter op\\nhet standpunt, van waar zijn verbeelding hare vlugt nemen\\nkan. Maar Melissus vroeg ik wanneer de dichter al is\\nhet maar een klein deel van de vrucht dier voorbereiding ver-\\nloren heeft, (en hoe dikwijls kan hem zulk een klein deeltje\\nniet ontslippen moet dan zijne verbeelding ook dit gebrek\\naanvullen; of moet hij, voor een oogenblik, uit zijn vlugt\\nnaar dat hooge standpunt afdalen, en van dat hooge stand-\\npunt verder naar beneden, om den foliant zijner aanteekenin-\\ngen even na te slaan, en daarna weder te kunnen opklimmen\\nen zijn vlugt nemen? en dan vervolgens zoo telkens op en neer,\\nvan de studie naar de vlugt, en van de vlugt naar de studie?\\nJa wel ik zie het al zei Melissus gij speelt weer voor So-\\ncrates Het staat u goed, altijd van uwen Homerus te spre-", "height": "4388", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0153.jp2"}, "154": {"fulltext": "106\\nken, die geen enkele letter van zijn lange gedichten opgeschre-\\nven heeft!\\nWaar staat dat, Melissus? Wel, ik heb het hooren\\nzeggen. Hooren zeggen! Nu goed, ging Melissus voort,\\nindien dat niet bewezen kan worden, weet gij ten minste niet,\\ndat Silvio Pellico zelf verhaalt, dat hij, in zijne gevangenis,\\nhonderden van verzen maakte, en toch niets had om ze te\\nkunnen opschrijven? En heeft hij ze onthouden? Wel\\nzeker, van woord tot woord. Dat is zonderling, Melissus!\\nzeide ik: men zegt anders dat de Improvisatori wanneer hun\\nvlugt gedaan heeft, bijna niets weten van hetgeen zij ont-\\nboezemd hebben. Hebt gij ooit eene improvisatie gehoord?\\nWel zeker! het was goddelijk: est Beits in nobisf Dat is de\\nware po\u00c3\u00abzij het is een stroom van gevoel die alles mede-\\nsleept. Zeer goed, Melissus! hebt gij er ooit eene opge-\\nschreven en nabij bekeken? Neen! daar ging het te gaauw\\ntoe. De beelden snellen elkander achterna: en de toehoorder\\nmerkt slechts den schoonen loop op, die als een lichtstraal\\nvoortschiet of in zich zelven terugkeert. Weet gij Melis-\\nsus! vroeg ik, waaraan gij mij denken doet? Wel nu?\\nWanneer men een of ander voorwerp, waar een weinig glans\\naan is, b. v. een sleutel, een koperen dekseltje, aan een touw\\nbindt, met een luts aan het eind, en wanneer men de vinger\\ndoor die luts steekt en het touw snel ronddraait, dan maakt\\ndat sneldraaijende voorwerp een cirkel van glans, die het oog\\nstreelt. Is dat de improvisatie? Dat is eene ellendige ver-\\ngelijking! Nu goed, Melissus! maar Silvio Pellico onthield\\nzijn verzen? Ja. Dus was het geen improvisatie?\\nEigenlijk niet. Dus ging het langzamer dan eene impro-\\nvisatie? Nu, dat spreekt van zelf. En waarmede vulde\\nSilvio Pellico den tijd aan, die er overschoot, omdat het\\nlangzamer ging? Improviseerde hij misschien een of twee", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0154.jp2"}, "155": {"fulltext": "107\\nverzen te gelijk en deed hij dan weder wat anders en zoo\\nvoorts Dat is eene onnoozele vraag zei Melissus Lij dacht\\naan zijn gedicht. Dacht hij Melissus Dan moet of Pellico\\nniets van die lange gedichten onthouden hebben, of de ver-\\nhalende en schilderende po\u00c3\u00a8 zij is een po\u00c3\u00abtische studie, een\\npo\u00c3\u00abtische arbeid. Kies maar uit\\nIn \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ns hoorden wij schuins achter ons, aan den water-\\nkant, een geritsel, zoodat Melissus opvloog, als of hij een\\nslang had hooren schuifelen.\\nDaar zijn menschen! riep hij. Maar Melissus! vroeg ik\\nhem, jaagt een visscher u zulk een schrik aan? Bij ons zijn\\ndat vreedzame menschen: ga maar weer zitten.\\nIs de vangst goed? vroeg ik den man, terwijl hij ons\\nvoorbijging. Nain, waere heer. Is er nog al visch in\\nden singel: Jae! Hoe komt het dan dat gij niets\\nvangt? T is te vuyl an de kant.\\nGij hebt hier een vreemd dialekt, zei Melissus, toen de\\nvisscher ons voorbij was. En hebt gij wel opgemerkt, vroeg\\nik hem, hoe kort en zakelijk zijn antwoorden waren, en dat\\ner karakter in was? Wat meent gij met karakter? vroeg\\nMelissus. Wel, dat er harmonie is tusschen den man en\\nzijn antwoorden: indien iemand ze verdicht had, men zou\\nzeggen: \u00e2\u0080\u009ehij kent de Leidsche visschers, hij heeft ze bestu-\\ndeerd. En meent gij dan, vroeg Melissus, dat gij uit het\\nkorte en krachtige gezegde van iemand opmaken kunt, wat\\nzijn karakter is Mij dunkt ja antwoordde ik. Welnu\\nhervatte Melissus, ik zal er u een opzeggen; maar komt er\\nook iemand aan? Ik keek rond, en, \u00e2\u0080\u009ega maar voort,\\nzeide ik.\\nMelissus riep, dat het klonk: Soldats! souvenez vous que du\\nhaut de ces Pyramides quarante si\u00c3\u00a8cles vous regardent.\\nDie woorden, zeide ik, schijnen wel in Egypte gesproken", "height": "4396", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0155.jp2"}, "156": {"fulltext": "108\\nte zijn, voor het leveren van een gevecht. Juist geraden, ant-\\nwoordde Melissus. En na de hieroglyphische ontdekkingen van\\nChampollion ging ik voort omdat de spreker zoo op een haar die\\n40 eeuwen heeft kunnen berekenen. Dat doet niets tot de zaak,\\nzei Melissus: die hieroglyphen vertrouw ik nog niet; maar het is\\nons nu om het karakter van den man te doen. Wel, zeideik,\\nindien het met de chronologie uitkwam, dan zou ik denken\\ndat een rhetor uit de Asiatische school die woorden uitgespro-\\nken had. Melissus begon hartelijk te lagchen. Nu, lach\\nmaar zoo niet! zeide ik: het is bombast, en er ligt in die\\nwoorden dezelfde verwaande domheid, die men bij die rhetoren\\nvond. Melissus schaterde. Dat het bombast is, zal ik\\nbewijzen. Het klinkt mooi, maar het zegt niets. De tijd gaat\\nimmers voorbij de eeuwen rollen weg en zij zien niet meer\\nom. Maar verbeeld u, indien het dan zoo moet, dat die 40\\nEgyptische eeuwen daar boven zaten toe te kijken, en dat zij\\nde Egyptische geschiedenis van dat tijdverloop voorstelden; had\\ndie geschiedenis dan zoo veel reden om trotsch te wezen en\\nte denken nu zullen wij eens toezien of die soldaten daar\\nheneden onzer waardig zijn? Of moeten zij den tijd in het\\nalgemeen aanduiden? Maar die spreker kon overal gezegd\\nhebben: Soldaten! onze aardbol heeft zeker reeds 6000 jaren\\nbestaan iveest dapper Of wilde hij zeggen Boldaten daar\\nstaan overoude steenhoopen die de menschen opgestapeld hebben\\nzij hebben 40 eeuwen lang onwrikbaar gestaan: houdt u \u00c3\u00b3\u00c3\u00b3k zoo\\ngoed? Hoe gij het draait, het zijn klinkende woorden zonder\\nzin, en dat noem ik bombast. Dat het dom was, zal ik \u00c3\u00b3\u00c3\u00b3k\\nbewijzen. Verbeeld u eens, mijn lieve! hoe veel misverstand\\nen verwarring er kon ontstaan In de open lucht kan niemand\\nzoo schreeuwen dat hij door duizenden verstaan wordt. Die\\nhet naastbij zijn hooren het goed die iets verder staan\\nmissen een woord: \u00e2\u0080\u009ewat heeft hij gezegd? vragen de anderen,", "height": "4364", "width": "2652", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0156.jp2"}, "157": {"fulltext": "109\\ndie nog verder af zijn en zoo gaat het rond, met gissingen,\\nweglatingen en aanvullingen, geheel ontaard en verknoeid: en\\nhet zon mij daarom ook niet verwonderen, indien het groote\\ngetal er van gemaakt had, dat er 40 kanonnen van den vijand\\nboven op de Pyramiden stonden, en dat die post eerst moest\\ningenomen worden. Daarom Melissus indien gij deze aan-\\nspraak niet verzonnen hebt, dan hebben de soldaten van dien\\nspreker in dat gevecht zeker te kort geschoten.\\nMelissus gierde zoo onbedaard, dat hij dreigde achterover\\nvan de bank te vallen. Met \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n been in de hoogte, riep hij:\\nHet was Napoleon, v\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3r den luisterrijken veldslag van de\\nPyramiden en de Franschen hebben die aanspraak altijd be-\\nwonderd als een model van po\u00c3\u00abtische krijgs-bevelhebbers-wel-\\nsprekendheid\\nIk kan het niet helpen, Melissus! zeide ik, een weinig\\nbedeesd. Maar gij ziet dat de studie der karakters hoogst\\nmoeijelijk is. Dat heb ik nu duidelijk gezien, antwoordde\\nhij. Wie weet wat ik nog leeren kan, hernam ik, wanneer\\nik blijf voortstuderen Men is er nog niet, al spreekt men\\ngedurig van karakterkunde en menschenkennis. Het hoogste\\ndier wetenschap schijnt voor den o verrijpen leeftijd bewaard te\\nwezen nadat men zich zelven zoo ongeveer in allerlei stand\\nen zit en ligging heeft waargenomen. Want de karakterkunde\\nschijnt van zich zelve te moeten uitgaan. Daaruit zou vol-\\nl Ik heb ergens in een Fransch boek de tessera van Napoleon\\novergesteld gezien tegen die van Nelson, v\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3r den slag van Trafalgar.\\nZij was, meen ik, England e.rpects tliat ever// man shall do Jiis duty.\\n,Zoo kan ieder Corporaal (zegt de slimme Franschman) zijn soldaten\\naanspreken, die bij drilt. Dat is waar ook; maar in het eene geval\\nis het duty de gezwinde lading goed te leeren; in het andere was het\\nduty, de Spanjaarden en Franschen te slaan, dat er geen stuk van te\\nregt kwam; en dat hebben de Engelschen toen vrij goed gedaan.", "height": "4384", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0157.jp2"}, "158": {"fulltext": "110\\ngen, ze\u00c3\u00af Mclissus, dat men zelf een soort van Proteus zou\\nmoeten zijn, en allerlei karakters in zich yereenigen, om die\\nvan al de anderen te kunnen beoordeelen. Ik weet het niet,\\nMelissus antwoordde ik de beantwoorder van eene of andere\\nprijsvraag zal die zwarigheid misschien oplossen. Maar ik\\nvraag u, of gij kans zoudt zien om een karakter te verzinnen\\nen in allerlei omstandigheden te plaatsen, waarin gedacht en\\ngesproken en gehandeld moet worden, en dan uw verzonnen\\nkarakter zoo te laten denken, spreken en handelen, dat het\\neen volkomen en natuurlijk geheel maakte zoodat iemand die\\nwerkelijk een zoodanig karakter had en uw verzinsel las, of\\naanhoorde, zeggen zou: \u00e2\u0080\u009ewaarlijk, zoo zou ik ook geproken\\nen gehandeld hebben? Ik heb het nooit beproefd, ant-\\nwoordde Melissus; maar ik geloof dat ik verbazend zou moeten\\npeinzen en dat ik mij zelven telkens zou moeten afvragen: \u00e2\u0080\u009estemt\\ndie gedachte met die vorige handeling overeen? is die daad niet in\\nstrijd met dat vorige overleg? Ik word nu reeds bang van\\nden arbeid, dien zulk een verdichtsel kosten zou! Ja, dat\\nkomt er van zeide ik als men zoo verwend is door de po\u00c3\u00abzij\\ndie gemakkelijk daarheen rolt. Maar, mijn beste Melissus!\\nzulke verdichtsels worden er menigmaal in po\u00c3\u00abzij gemaakt!\\nIk bemerk nu eerst dat de bank vochtig is door de laatste\\nregenbui, zei Melissus. Ik ging voort: gij moet mij hier,\\nop deze bank, een Tragedie of Comedie van het goede slag\\nontboezemen of bekennen dat de dramatische po\u00c3\u00abzij een po\u00c3\u00abti-\\nsche studie, een po\u00c3\u00abtische arbeid is.\\nNeen, ik word te nat, ze\u00c3\u00af Melissus; laat ons eindelijk\\nopstaan; ook geloof ik dat in de verte iemand aankomt.\\nWelnu, zeide ik, terwijl wij voet voor voet heenwandelden en\\nsomtijds stil stonden: wat krijg ik van u, een Treurspel of\\neen Blijspel?\\nGij zijt een lastig mensch, ze\u00c3\u00af Melissus, half schertsend:", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0158.jp2"}, "159": {"fulltext": "111\\nwanneer ik eens in een goede lnim ben dan zal ik een scherp\\nhekeldicht op n maken! Dat is niet vriendelijk, Melissus!\\nantwoordde ik; maar wanneer gij in een goede luim zijt,\\nvallen die dingen dan nooit stomp uit? Een enkelen keer,\\nbekende Melissus maar men is er bij en wanneer het u\\ngeldt, dan zal ik er aan versnijden en slijpen, tot dat het\\nsteekt.\\nMijn lieve Melissus! riep ik uit, dan is de Satyrische po\u00c3\u00abzij\\neen po\u00c3\u00abtische studie, een po\u00c3\u00abtische arbeid\\nHoor eens! zei Melissus, ik had u verzocht dat wij over\\ndat onderwerp op deze wandeling niet verder spreken mogten;\\nen toch komt gij er telkens op terug. Ik weet niet wie van\\nons beide schuld heeft, antwoordde ik; meg ik niet eene\\nonnoozele gevolgtrekking maken? Ja maar, zeide hij, uwe\\ngevolgtrekkingen zijn een weinig haastig die dingen laten\\nzich op een wandeling niet afdoen, en eigenlijk vooral niet\\nmet iemand die geen dichter is en dus geen onderscheid weet\\nte maken tusschen een redenerende of geleerde en een dich-\\nterlijke beschouwing van een voorwerp. Gij beperkt het\\ngetal uwer lezers. Melissus! zeide ik; want hoewel wij geen\\ngebrek aan dichters hebben onze bevolking telt er geloof ik\\nnog meer die geen verzen maken. Gij maakt van uw vak een\\nwaar gild. Wat maalt gij van vakken riep Melissus iedere\\nwetenschap behoort tot een vak; maar de po\u00c3\u00abzij is een gaaf:\\nen wanneer ik u met de didactische de epische, de dramatische\\nen de satirische dichtsoorten heb laten omspringen, het was\\nomdat zij eigenlijk vakken van wetenschap zijn, die door de\\npo\u00c3\u00abzij verfraaid worden. De dichtkunst is niet bestemd om\\nde wetenschap te doen vorderen, met studie en arbeid, maar\\nom haar in een bevalligen tooi niet meer tot het verstand\\nalleen, maar tot het gemoed te doen spreken. Zoo gij wilt,\\nzulk eene po\u00c3\u00abzij is de ge\u00c3\u00afdealiseerde schoonheid van den arbeid.", "height": "4400", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0159.jp2"}, "160": {"fulltext": "112\\nDie definitie treft mij, Melissus! zeide ik, maar gij behoudt\\ndan ook geen regt om op den gemeenen man te schelden, die\\n\u00e2\u0080\u009ezoo regt gemeen in zijn opschik is, en linksch in al zijn\\nbewegingen wanneer hij des zondags rondwandelt, als de\\nge\u00c3\u00afdealiseerde schoonheid van het handwerk. Laat mij uit-\\nspreken, zei Melissus: ik bedoel de po\u00c3\u00abzij der vier genoemde\\ndichtsoorten maar zij is de eigenlijke poe zij nog niet. Zij is\\nslechts een po\u00c3\u00abtische voorstelling van zaken, van daden, van\\nwetenschap. Maar de po\u00c3\u00abzij kan zich afsluiten in haar zelve,\\nen van de voorwerpen tot eeuwige denkbeelden opklimmen,\\nzoodat de verbeeldingskracht in het gevoel opgelost wordt.\\nDan ontdoet zij zich van kunst en wetenschap, en haar vaart\\nis onbeperkt. Van \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n voorwerp van \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ne gedachte zich\\nopheffende, doorzweeft zij het onmetelijke ruim der aandoe-\\nningen, en verliest zich in het oneindige. Dat is de lyrische\\npo\u00c3\u00abzij: de po\u00c3\u00abzij bij uitnemendheid.\\nMaar komt zij dan niet weerom? vroeg ik. Wat bedoelt\\ngij met die vraag? zei Melissus, Wel, uwe definitie brengt\\nmij een vuurpijl voor den geest. Wanneer die lichtstraal zoo\\nschitterend oprijst en zich in de donkere ruimte verliest, dan\\njuichen wij die beneden staan; maar wanneer zij, nog sis-\\nsend en snorrend, nederkomt en op den grond valt, dan\\nzeggen wij dat zij niet deugt. Is dat uwe lyrische po\u00c3\u00abzij?\\nEn wanneer zij daar boven zich verloren heeft, maar de stok\\nnedervalt, is die stok dan zooveel als de dichter, die zijn\\npo\u00c3\u00abzij daar boven gelaten heeft, en in het duistere nederploft?\\nKom! zei Melissus, laat ons dezen singel maar gaauw af-\\nwandelen! Er is met u geen spreken over po\u00c3\u00abzij. Buiten het\\ngevoel over gevoel te willen spreken, is even ongerijmd en\\ndwaas als buiten het geloof over het geloof te oordeelen. Gij\\ndeedt beter, ronduit te bekennen dat gij de po\u00c3\u00abzij minacht,\\nof, nog liever dat gij ze voor niets houdt. Neen Melissus", "height": "4352", "width": "2652", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0160.jp2"}, "161": {"fulltext": "113\\ngeen van beide! Maar, zeg mij, hoe dom mag men wezen,\\nom toch een lyrisch gedicht te kunnen maken? Hoe dom\\ndat weet ik niet; maar ik weet wel dat geleerdheid een nekslag\\nis voor po\u00c3\u00abzij. Daarover kunnen wij op een anderen tijd\\nhandelen, Melissus! zeide ik; maar zeg mij, bid ik u: wan-\\nneer gij een lierdicht schept, en uw gevoel laat vliegen, in\\nwelk een voertuig plaatst gij het dan Wel in eene gedachte\\nnatuurlijk. En hoe zult gij die gedachte verneembaar\\nmaken Ja dat weet een kind met woorden met de\\ntaal. Hoe beter dus de taal is Melissus des te beter\\nwordt de gedachte uitgedrukt, en hoe beter de gedachte uit-\\ngedrukt is, des te duidelijker spreekt het gevoel: of is dit\\nniet zoo? want ik vrees dat het gevoel, in geen taal gedacht\\nof uitgedrukt, een bijster verwarde aandoening is. Tot uw\\ndienst zei Melissus daar hebben wij Socrates al weer\\nNu goed Melissus ik zal voor u antwoorden De echte\\ndichter moet zijn taal volkomen magtig wezen, en hce dieper\\ngedacht en rijker de vorm dier taal, des te rijker en dieper\\nzal zijn gevoel kunnen spreken. Maar dien rijkdom en die\\ndiepte der taal moet hij kennen; en dat vereischt langdurige\\nstudie Melissus en ernstigen arbeid. Dat is het oude\\nargument, zei lAlelissus, dat het proza ten koste van de po\u00c3\u00abzij\\nverheft. Al stemde ik u toe dat het arbeiden aan de taal\\nde lyrische vlugt van den dichter vergezelt, dan zou daaruit\\nnog niet volgen dat zijne verbeelding en gecoel belemmerd\\nworden, en arbeiden moeten. Melissus zeide ik, het valt\\nmij zoo moeijelijk die taai van dat gevoel af te scheiden!\\nGij houdt van varen, niet waar? Ja wel, maar minder van\\nuwe vergelijkingen. Xeen maar, ging ik voort, wanneer\\nmen zoo langs het water wandelt, dan denkt men ligt aan\\nschuitjevaren. Wanneer gij met uw gezin een togtje op liet\\nwater wilt doen, en met hen ingescheept zijt in een gemakke-\\n8", "height": "4392", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0161.jp2"}, "162": {"fulltext": "114\\nlijke boot, zegt gij dan: Ziezoo, kinderen! daar zitten wij,\\nzonder iets meer? of slaat gij handen aan de riemen, en\\nroeit gij zoo lang gij last hebt om voort te gaan en wan-\\nneer gij in een loopend water zijt, stnnrt gij dan ten minste\\nhet roer niet, om niet in het riet te raken? Nu komt het\\ner maar op aan dat wij de rollen goed verdeelen. De boot\\nen de riemen zijn de taal; uwe kindertjes zijn nw gevoel en\\nverbeelding: het water is de diclitstoffe hoe ruimer, des te\\nschooner vaart; maar wat zijt gij? Het raakt mij niet,\\nzei Melissus omnu comjparatio claudicat. Dat is vreemd\\nMelissus hernam ik wilt gij niet weten dat gij en uw gezin\\neen zijt? Ik weet het immers dat het roeijen voor u zulk\\neen genot is, en dat de denkbeelden van roeijen en vorderen\\nin uwe ziel tot \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n denkbeeld van varen zamensmelten.\\nMelissus werd stil en aangedaan; want hij houdt veel van zijn\\nkindertjes en van roeijen. Nu goed, zei hij eindelijk, breng\\ndie boot maar weer aan wal. Maar gij zult toch niet beweren\\ndat de taal alleen den lyrischen dichter maakt? Neen,\\nMelissus! antwoordde ik: neen! Wel nu, hernam hij, laat\\ndan, zoo als ik reeds, zeide, de bewerking der taal zijnen\\nzang begeleiden maar die zang is vrij als de adelaar in het\\nzwerk. De loop der aandoeningen laat zich door geen gram-\\nmatisch taalgeknutsel stremmen. In haren gang nemen zij\\ntelkens iets op van de voorwerpen, die zij rakelings voorbijgaan.\\nVan daar die rijkdom der lyrische gedachte; van daar die\\nafwisseling van kracht en teederheid, van zoete harmonie en\\nbruischend Titanisch geweld. Het is de Pindarische bergstroom\\ndoor Horatius zoo heerlijk geschilderd. Wilt gij dien stroom\\ndoen terugkeeren? Neen, mijn vriend! ik heb nu ook mijne\\nvergelijking: hij glijdt of hij loeit, naarmate de bedding is;\\nmaar hij keert niet terug. De laatste uitkomst zijner wateren\\nis in het ruime, in het onafzienbare, in den Oceaan. Zoek", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0162.jp2"}, "163": {"fulltext": "115\\nhem daar, zoo gij lust hebt! Dat uit gaan en niet weer te\\nJuds honien wil mij niet bevallen, Melis sus zeide ik. Ik heb\\nwel eens gemeend op te merken dat het bruischend geweld van\\nPindarus, en de verhevenheid van Demosthenes twee sterk\\nbereden hobbelpaarden waren en ik vrees dat men er niet\\ndikwijls aan gedacht heeft dat een bergstroom altijd stroomt\\ndewijl er altijd water is; maar dat het namaaksel op de Wil-\\nheluish\u00c3\u00b6he niet stroomt dan zoo lang er water is: en als dat\\nop is, dan zijn het kale en drooge steenbonken, en weg is de\\nstroom! Dat wil zeggen? vroeg Melissus. Wel, dat het\\nwater weg is. Hebt gij Pindarus gelezen Wel zeker.\\nHebt gij hem goed gelezen? Np ja, zoo goed ik hem\\nbegrijpen kon. Gij zijt voorzigtig, Melissus! Ik wil\\nzeggen hernam hij dat zijn vlugt dikwijls buiten het bereik\\nvan mijn oog gaat, en dat ik mij dan verlies Xu,\\nwaarin? In het oneindige! Xeen, Melissus! ik vrees,\\nin misverstand. Indien ik een gissing mogt wagen, zou ik\\naldus spreken: Het misverstand van Pindarus heeft eene\\nmeening verspreid en gangbaar gemaakt, dat die Dichter, op\\nzijn best genomen, een onderwerp had, wanneer hij zong: maar\\ndat hij zijn onderwerp spoedig uit het oog verloor, en van de\\neene gedachte op de andere overspringende, die met de eerste\\nin een schijnbare aanraking was, al verder zich verloor, zoodat\\nhij in het eind van zijn gedicht op een gansch ander stand-\\npunt was dan in het begin. Dit, zei men toen, was eene\\neigenschap van het Lierdicht, en het werd een wet, dat de\\nverbeelding alle breideling van het verstand moest afschudden.\\nIk wil gaarne gelooven, Melissus! dat iemand die verbeel-\\ndingskracht heeft en een gevoelig hart, wanneer zijne aandoe-\\nningen in beweging geraken voortdichten kan en zich verbeelden\\ndat hij dat alles zoo ontboezemen moet, en dat de dichterlijke\\nlezer, of toehoorder, zich dat alles zoo met hem verbeelden,\\n8*", "height": "4364", "width": "2648", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0163.jp2"}, "164": {"fulltext": "116\\ndat alles z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 met hem gevoelen zal. Maar ik zou wenschen dat\\nhij die verbeelding en dat gevoel in zijnen boezem besloten hield\\ntot dat zijn verstand, zijne kunst hem een redelijken vorm voor\\nden geest bragt want in de kunst regeert eenheid. Zonder deze\\ngeloof ik, is zij geen kunst. Of is de lierdichter geen kunstenaar?\\nSchaf anders het woord dichtkunst af, en wacht u voor het woord\\npo\u00c3\u00abzij want het beteekent maaksel. En wat zoudt gij van\\nden beeldhouwer zeggen die nadenkende over het ideaal\\nder schoonheids vormen, in geestvervoering geraakte, en wiens\\nverrukking overging van den arm eener Yenus op de heu-\\npen van een Hercules, van die heupen op een Dorische\\nkolom en van die kolom op een vaas en nu een klomp\\nklei nam en een gewrocht ontwierp waarin a?\u00c2\u00b0men en\\nheupen en vasen en kolommen door elkander lagen en zoo\\nhij u dan zeide \u00e2\u0080\u009eZie daar hebt gij een vrucht van\\nmijn verbeelding en gevoel die dingen schep ik zonder\\narbeid! Ik zou, natuurlijk, denken dat hij raaskalde,\\nzei Melissus, er staat reeds iets dergelijks in de Ars Po\u00c3\u00ab-\\ntica van Horatius die evenwel zeker het lierdicht niet\\nbedoeld heeft want in zijne Oden is hij zelf in het\\ngeheel niet vrij van hetgeen ik dacht een vereischte te\\nzijn, en gij voor een gebrek schijnt te houden, der lyrische\\npo\u00c3\u00abzij! Wacht maar, Melissus! antwoordde ik. In de\\nkunst regeert eenheid: het zoekeri of herstellen of terugroepen\\ndier eenheid, dat is een gedeelte van den arbeid, waarover\\nwij spreken. Het koel beraad der geleerdheid, Melissus! heeft\\neindelijk moeten ontdekken wat de dichters voorbijzagen\\nof niet uitleggen konden, dat Pindarus menigmaal, in zijne\\nOden zelve, op de regelen en wetten doelt, waar zijn po\u00c3\u00abzij\\naan onderworpen was. Sedert dien tijd begint men scherper\\ntoe te kijken, en zie! nu bemerkt men dat er een leidende\\ngedachte door ieder van zijne gezangen wandelt, en (het sniert", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0164.jp2"}, "165": {"fulltext": "117\\nmij bijna, het te beweren) dat hij dikwijls heeft moeten over-\\nleggen, hoe hij zulk een schoon geheel zamen zou stellen.\\nMaar het verwondere u niet dat de waarheid dikwijls laat aan\\nden dag komt, en vreemd uitvalt! Hoe lang heeft het niet\\ngeduurd, eer die verhevenheid van Demosthenes, die men\\nmet geraas en gedonder zocht na te doen, eer zij bleek niets\\nanders te wezen dan de taal eener eenvoudige, diepe over-\\ntuiging\\nDit laatste hadden wij stilstaande gesproken en niet\\nbemerkt dat Acilius ons te gemoet kwam. Nog niet geheel\\ngenaderd, riep hij ons toe \u00e2\u0080\u009eHebt gij den Horatius al\\ngezien? Welken? vroegen wij beide. Wel, antwoordde\\nAcilius, de lang gewachte Leidsche uitgaaf. Ik heb ze\\nsedert dezen ochtend. Terstond heb ik het boek opgeno-\\nmen en met moeite nedergelegd. Zoo zei Melissus\\nmen heeft voorspeld dat er vreesselijk in gehakt zou wor-\\nden. Het moet een snoeijersbaas wezen, die Uitgever!\\nDat is hij ook antwoordde Acilius het is een baas\\nmaar het groene hout heeft hij laten zitten; de o crre takken,\\ndie hij aangewezen heeft, kunt gij, voor mijn deel, afhakken\\nen op het vuur smijten; en er u bij warmen. Ik heb nog\\nmaar drie Oden gelezen, die ik, bij voorkeur, opzocht,\\nomdat ik er nog nooit licht, maar wel een vreemd gehaspel\\nen gebrek aan plan in gezien had. Met een verstandige\\nkritiek snijdt de Uitgever hier en daar iets weg, dat reeds,\\nop zich zelf beschouwd, (ik moet het nu bekennen) lam of\\naanstootelijk was of tegen taal en zaken zondigde en\\nzie wat er overblijft is Horatius die zelfde fijne Horatius\\ndie in zijne Ars Po\u00c3\u00abtica zulk goed onderrigt gaf, hoe het\\nwezen moest. Maar gij zult het boek nu wel op uwe tafels\\nvinden liggen: ik moet, voor mijn gezondheid, wandelen.\\nen o;roet u.", "height": "4388", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0165.jp2"}, "166": {"fulltext": "118\\nHij ging den Haagschen weg op, en wij traden de stad\\nbinnen. Melissus moest links en ik regts. Vaarwel zei hij\\nik zal dien Horatius bestellen.\\n\u00e2\u0080\u009eEn lees dan uw eigen tweehonderd verzen nog eens over!\\nriep ik hem achterna.", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0166.jp2"}, "167": {"fulltext": "VI.\\nIn eene Maatschappij van Nederlandsche Letterkunde, wier\\nleden zich. ijverig op die studie toeleggen, en daardoor, uit\\nden aard, allen beroemd of bekend zijn, of zullen worden,\\nis het eigenlijk de pligt der leden, dat zij geen andere onder-\\nwerpen ter spraak brengen dan die de Xederlandsche Letteren\\nraken. Indien gij G. T nu of dan getwijfeld hebt of die\\nwet heilig was, dan lag waarschijnlijk de schuld aan uwe\\nzijde, en gij dacht niet genoeg na over den baad van alle\\nwetenschappen, die eene onbegrijpelijke rekbaarheid heeft.\\nEen tweede wet is dat de spreker zijn onderwerp neme zoo\\nals het is; dat hij het fragment der wetenschap, dat hij be-\\nhandelt, niet poge te verfraaijen met sieraden, die er niet\\naan passen; dat hij het dagelijksche niet verheffe als iets bui-\\ntengewoons en vreemds dat hij in s hemels naam van proza\\ngeen po\u00c3\u00abzij niake: naardien het brood, waarmee gij s ochtends\\nu ontnuchtert, geen bloem- en lofwerk van den pastijbakker\\ngedoogt en eene verhandeling over de zes naamvallen en over\\nde tijden der werkwoorden, geen ziels verheffing of geestver-\\nvoering. Met \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n woord, wat dor is, moet droog blijven.\\nMisschien hebt gij somtijds gemeend te bespeuren dat een", "height": "4364", "width": "2632", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0167.jp2"}, "168": {"fulltext": "120\\nspreker zich niet genoeg aan dien regel hield. Doch vergeeft\\nmij ook hier hebt gij gedwaald. Het was of de groote maat\\nuwer toegevendheid, of uwe eigene ingenomenheid met het\\nonderwerp. Op deze beide reken ik, wanneer ik, zoo als\\nnu mijn voornemen is, u eenige gedachten mededeel over den\\nstijl. Yoor de dorheid van het onderwerp vraag ik geen ver-\\nschooning. De wet veroorlooft mij het te kiezen. Zoo mijne\\ngedachten u minder gesloten toeschijnen dan gij ze wenscheu\\nzoudt, wijt het aan den omvang van het onderwerp, waarvan\\nhet zeer moeijelijk is weinig te zeggen en aan de bekrompen-\\nheid mijner vermogens, bij veel goeden wil.\\nDe stijl is een dun of dik houtje, ge\u00c3\u00abvenredigd naar de\\nhand van hem die het hanteert. Aan het eene eind is een\\nscherpe stift gehecht, aan het andere einde loopt het vlak en\\nbreed uit, in den vorm van een spatel. Zulk een werktuig\\nnoemden de Romeinen stilus. Ieder fatsoenlijk Romein droeg\\neen tafeltje bij zich. dun met was overtogen. Wanneer hij\\nspoedig iets boeken wilde, wat uit zijn geheugen ontslippen\\nkon eene opmerking eene gedachte dan grifte hij het met\\nde scherpe punt van zijn stilus op het was van zijn tafeltje.\\nWanneer hij zich verzonnen had, of iets veranderen wilde,\\ndan keerde hij den stilus om, en streek met het platte eind\\nhet gegrifte weder glad. Dit was evenveel als de natte vinger\\nvan onze cij fermeesters en hunne leerlingen op de lei. De lei\\nM. H is een voortreffelijk schrijftuig Zij staat tegenover ons\\npapier, even als bij de Ouden hun wastaf eitje tegenover hun\\nparkeinent. Het schijnt dat de Homeinsche jeugd zeer lang\\nop was schreef, en dat haar geen parkement verstrekt werd,\\nvoordat de hersenen gesloten waren, en de geest vast en ge-\\nvoed met wetenschap, en de smaak goed gevormd. Daar nu\\nhet Eomeinsche publiek meer gesteld was op weinige maar\\ngoede schriften, dan op vele die minder goed waren, gaven", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0168.jp2"}, "169": {"fulltext": "121\\nhunne geleerden en mannen van gezond verstand aan hunne\\nschrijvers den raad, dat zij hun stilus dikwijls ornkeeren moes-\\nten. Het is alsof men bij ons zeide Jonge lieden maakt\\nuwe vingertoppen dikwijls vochtig!\\nHet zal dus wel eene onomst\u00c3\u00b6otelijke etymologie wezen,\\ndat ons woord stijl van het latijnsche stilus afstamt. Doch\\nreeds bij de Ouden had de beteekenis zich verder uitgebreid,\\nen was van het schrijftuig op het geschrevene overgegaan.\\nZij spraken veel meer dan zij schreven. Maar zij meenden\\nop te merken dat hij die altijd voor de vuist spreekt, ligt\\nonjuist en onzuiver spreekt, somtijds zelfs hoe rijker des te\\nonzuiverder, even als een gezwollen stroom, die van zijn\\nbedding aardschollen afschuurt en lange taaije draden van\\nslibbe en slijm. Daarom beweerden zij dat de stijl de beste\\nleermeester in het spreken was. Dus was de stijl bij hen\\neene oefening, die de vlugtige woorden als in de lucht greep,\\nen ze vestigde, om ze daarna te bekijken en te onderzoeken,\\nze anders te schikken met andere te verwisselen. Wie zich\\nhierin oefent, dachten zij, zal eindelijk spreken alsof hij schrijft.\\nIn onze hed_eiidaagsche beschaving is het met deze zaak\\ngedeeltelijk anders gesteld. Er zijn er die onnoemelijk veel\\nschrijven, en weinig spreken: er zijn er ook tusschen wier\\nschrijven en spreken men bijna geen onderscheid bemerkt;\\nmaar terwijl men het denkbeeld dier n nauwgezette oefening\\nmin of meer losgelaten heeft is de beteekenis van het woord\\nstijl alweder ruimer geworden, Yan andere zaken gebezigd,\\ngeldt het voor manier. In de spraak is de stijl niet meer\\neen bloot middel van oefening, maar zelf doel geworden, en\\nde spraakkunst wordt als het middel beschouwd. Telen, die\\nde spraakkunst goed verstaan meenen stijl te hebben. Zij\\nhebben er eenen, maar misschien niet in dien zin, waarvan\\nik later spreken zal. Stijl nu wordt bij uitsluiting gebezigd", "height": "4364", "width": "2656", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0169.jp2"}, "170": {"fulltext": "122\\nvan het geschrevene. Van een redenaar die wezenlijk spreekt,\\nzal men nimmer hooren zeggen dat hij dezen of dien stijl\\nheeft. Dit schijnt nog een overblijfsel der oude opvatting van\\nhet woord te zijn, en min of meer aan te duiden dat het\\nvoor de vuist gesprokene dikwerf zonder stijl is. Of dit\\ntaalgebruik met de waarheid overeenkomstig is, deze vraag\\nzou een onderzoek op zich zelf vereischen, waaruit blijken\\nzou hoeveel deel de gemoedsbewegingen van den spreker, de\\nuitdrukking van zijne oogen en gelaat, en van geheel zijn\\nwezen aan zijnen stijl hebben en of er een zeker getal woorden\\nnoodig is, voordat de stijl zigtbaar worde, dan wel, of men\\nstijl vindt in ieder eenlettergrepig woord b. v. ja of neen\\nnaar gelang dat het met geduld of met vuur uitgesproken\\nwordt, zich in verteedering fluisterend uitrekt, of een vraag\\nmet een scherpen snaauw onderschept.\\nDoch, zoo als ik zeide, den stijl vindt het gewone spraak-\\ngebruik in de geschreven rede: en daarom hoort men dikwijls\\nvan schrijftrant spreken, dat eigenlijk schrijf gang zou wezen:\\nwant trant is een deelwoord van het verouderde tra-en voor\\ntre-en, en dus verwant met trein: vergelijkt hiermede het\\nfransche tran tran ons slof slof Schrijftrant is dus de volgorde\\nen aaneenschakeling der woorden, zoo als zij neergeschreven\\nworden, het zij dat die gang, volgens een thans gebruikelijk\\nwoord, gesacadeerd zij, of in een trein en sleep zich uitrekke.\\nWanneer men de zaak aandachtig beschouwt, schijnt schrijf-\\ntrant verre te verkiezen boven stijl. Deze laatste benaming\\nbeteekent de zaak niet: zij is dood. Welk een sprong moet\\nmen niet doen, om van het schrijftuig, welks naam ons\\neerder aan een kolom of staanden balk of deurpost doet den-\\nken, tot de verschillende schrijfwijzen te geraken? Werpt\\nmij niet tegen dat ons pen het zelfde uitdrukt als het Eomeinsche\\nstijl: want om iedere wijziging van het schrijven uit te druk-", "height": "4360", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0170.jp2"}, "171": {"fulltext": "123\\nken, zou het zelfde in de pen zigtbaar moeten zijn. Die man heeft\\neen fijn versneden pen zegt men, en wij weten wat dit beduidt:\\neen fijne pen, een fijne stijl; maar wie spreekt ooit van een slappen\\nstijl, van een stijl met een scheeven bek? ofschoon dit laatste\\nin zeer enkele gevallen van toepassing zou kunnen wezen.\\nDe benaming schrijftrant voldoet evenwel slechts ten deel e.\\nHet is wel waar dat een winderige schijftrant ons iemand\\nvoorstelt, die met zwaaijende armen en groote stappen spoed\\nmaakt, wanneer er geen haast is: want dit schijnt inderdaad\\nhet onderscheid te zijn tnsschen spoed en wind, dat het eerste,\\nook volgens zijne afleiding, met ernst en ijver verbonden is,\\nterwijl wind eene onnoodige drukte voorstelt, en een orkaan\\nons altijd een hinderlijke overdrijving toeschijnt. Even zoo\\nverbeelden wij ons, bij een deftig en schrijftrant, iemand die\\nbedaard wandelt, zelfs iets langzamer dan noodig is: die niets\\nte huis laat van al wat aan zijne kleeding en geheel uiterlijk\\nwaardigheid bijzet die wanneer de natuur hem een gullen\\nlach wil gaan afpersen zijn mond tot een pijnlijken trek plooit.\\nDat wekt nog meer ontzag bij de voorbijgangers.\\nDoch in de meeste andere gevallen voldoet het woord schrijf-\\ntrant niet: en het allerminst, wanneer men spreekt van een\\nstijl, waarin volstrekt geen gang is, en die vunzig is als een\\nstilstaande poel.\\nHet beste zal dus wezen dat wij het woord stijl voor lief\\nnemen. Beter een benaming die niets uitdrukt, een ledige\\nlijst, waarin men allerlei schilderijen plaatsen kan, dan dat\\nwij de voorstellingen verwarren en, b. v. aan den gang toe-\\nschrijven, wat eene eigenschap is van de kleeding, van het\\nhumeur, van het karakter, of van iets dergelijks.\\nGij verwacht ongetwijfeld, G. T! dat ik, over den stijl\\nhandelende, van de verschillende stijlsoorten spreken zal. Ik\\nzal ze kortelij k vermelden.", "height": "4392", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0171.jp2"}, "172": {"fulltext": "124\\nMen neemt een historucken stijl aan, dat is, een verzame-\\nling van woorden, waarmede iets verhaald wordt.\\nIndien deze stijl een kunst is, geheel Imiten den mensen\\ngeplaatst, en de verhaler tegenover het gebeurde staat, even\\nals de kopist tegenover zijn model: of, nog duidelijker, indien\\nde verhaler eener gebenrtenis een werktuig is, dat de teekenaars\\neen verkleinaap noemen, dan is het ligt eenige voorschriften\\nop te stellen, en wij bezitten zulke voorschriften. Maar de\\nverhaler is een mensen, en geen werktuig. Hij heeft zijn\\nwaarheidsliefde, maar ook zijn hartstogten en afwijkingen, zijn\\nvernuft en zijn gevoel. Ik bewonder den man die dat alles\\nafleggen kan, en zeggen: \u00e2\u0080\u009egeef mij een muzijkstuk, ik zal\\nliet afspelen als een draai-orgel.\\nMen neemt een betoogstijl aan, dat is, een verzameling van\\nwoorden waarmede een zaak eene waarheid echt of die men\\ner voor houdt uitgelegd en bewezen wordt. Het eerste voorschrift\\ndat gij overal hoort prediken, is duidelijkheid. Ik heb er\\neerbied voor, en ik haat, met u, alle gezochte duisternis.\\nMaar wat is helderheid en wat is duisternis, en wat zijn de\\novergangen der graden, die tusschen beide uitersten liggen?\\nIk geloof dat men zich de zaak meestentijds met dit beeld\\nvoorgesteld heeft: De betoogstijl is een spiegel waarin men\\nde waarheid ziet, die aan de andere zijde geplaatst is wan-\\nneer er naden en scheuren en blazen in het glas zijn\\ndan vertoont zich het onderwerp aan uw oog in eene on-\\nnaauwkeurige gedaante: wanneer het dof is, dan ziet gij\\nmoeijelijk, en wanneer het mat is, dan ziet gij niets. Het\\nbeeld is niet onbevallig; maar men schijnt niet genoeg te\\ndenken aan de verschillende geschapenheid der voorwerpen aan\\nde andere zijde, noch aan hun verschillenden stand, noch aan\\nde oogen der kijkers; en terwijl men evenwel de kenspreuk\\nniet wil laten varen, moet de stijl tegelijk een vlak glas, en", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0172.jp2"}, "173": {"fulltext": "1:25\\neen hol geslepen glas, en ik weet niet welk maaksel van een\\nterugkaatsenden verrekijker wezen. Ik zwijg van de wezenlijke\\nduisternis aan de andere zijde. Hond uwen helderen spiegel\\neens tegenover de schemering! Is het de schuld van het\\nglas zoo gij lang turen moet om de voorwerpen eenig-\\nzins te onderkennen? Ik wilde dit zeggen: ieder onderzoeke\\nden aard van het onderwerp, de kracht zijner eigene\\nbevatting, en zijn eigene wetenschap van de taal. eer hij\\nhet wage eens anderen stijl van onduidelijkheid te beschuldigen.\\nMen neemt een redekunstigen stijl aan, dat is, een verzame-\\nling van woorden, doch ik zal er niets meer van zeggen,\\nomdat ik eigenlijk nog niet weet wat het is.\\nMen neemt een briefstijl aan. Misschien zal deze stijl eens\\nalgemeen onder ons geoefend en gepleegd worden wanneer ge-\\nnegenheid en vriendschap en liefde in Hollandsche woorden\\nvertrouwelijk zich uitstorten zullen, ook onder die klasse der\\nmaatschappij, waar men de meeste levensbeschaving zoekt: en\\nwanneer men niet meer meenen zal dat het veel fatsoenlijker\\nis een geleend werktuig gebrekkig te hanteren, dan een eigen\\nte leeren meester worden; dat het gevoel van eer beter gestreeld\\nwordt, wanneer men van vreemden bedelt alsof men arm was,\\ndan wanneer men zijn eigen schatten opdelft. Bij voorraad\\nis het goed dat er een rubriek voor den briefstijl besta.\\nTVelligt zijn er nog andere stijlen, die zich insgelijks naar\\nden verschillenden aard van het onderwerp des schrijvers laten\\nafzonderen. Doch er bestaat nog eene andere verdeeling,\\ndie niet het verschil van onderwerp maar de verscheidenheid\\nvan gaven en talenten der schrijvers volgt. In deze verdeeling\\nvinden wij een lossen stijl een str duimen stijl een sierlijken\\nstijl, een slordig en stijl, een eenvoudig en stijl, een gewrongen\\nstijl, een gesjjierden stijl, een lammen stijl, en zoo voorts;\\ndoch ik verzoek u bij deze benamingen te willen opmerken", "height": "4364", "width": "2656", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0173.jp2"}, "174": {"fulltext": "126\\ndat zij aan het uiterlijke doen denken, en niet den inneiiijken\\ninensch als beeld voorstellen maar zijn ligchaam en houding\\nen kleeding. Dit verschijnsel kan niet toevallig zijn, maar\\nhet moet zijnen grond hebben in een begrip, juist of onjuist.\\nVergunt mij dat ik er een oogenblik naar zoeke. Er is\\ngeen langdurige ondervinding noodig om op te merken dat\\nde gelaatstrekken, zoo dikwijls de spiegel der ziel genoemd,\\neen bedriegelijke spiegel zijn. Hoe veel meer zou men niet\\nwagen indien men de overige leden van het ligchaam en\\nde wijze hoe de inensch ze beweegt en met kleederen dekt\\nen tooit, als een maatstaf of toetssteen van het gemoed aan-\\nnam? Mag men als onfeilbaar besluiten dat iemand een ver-\\ndraaide ziel heeft, omdat zijn ligchaam misvormd is? of dat\\nhij trotsch is, omdat zijn blik altijd iets hooger gerigt schijnt\\ndan zijn horizont? of is hij die veel naar den grond ziet,\\njuist daarom nederig? of is het een z\u00c3\u00a9ker teeken van ijdelheid\\nin den man, die groote zorg besteedt aan de netheid en ver-\\nsiering zijner kleedij Z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 vroeg men waarschijnlijk. Baar nu\\nevenwel de benamingen der eigenschappen van den stijl van\\nden uiterlijken mensch ontleend zijn, blijkt het duidelijk dat\\nmen den stijl als iets uiterlijks beschouwt, als eene houding,\\neene bekleeding, in tegenoverstelling aan iets dat daar binnen\\nbesloten is. Bit laatste kan niets anders wezen dan de gedachte\\nen wat wij zochten schijnt gevonden. Be vroeger opgetelde\\nbenamingen van den stijl zijn voortgesproten uit een strenge\\nscheiding van vorm en inhoud. Be gedachte is de inhoud,\\nen de stijl is de vorm. Beide heeft men afzonderlijk behan-\\ndeld men heeft voorschriften opgesteld voor den inhoud, alge-\\nmeene voorschriften bij voorbeeld\\nVan evenredigheid zoo als wanneer gij een boek schrijft\\nlaat uwe voorrede de kleinste helft zijn.\\nVan orde, zoo als: schrijf het eerst, wat uw lezer het eerst", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0174.jp2"}, "175": {"fulltext": "1-27\\nweten moet. Geen voorrede achter het boek zelfs niet midden\\nin het boek, of gij moest een tweede Sterne wezen: doch\\nhiervan is niet veel gevaar.\\nVan plaats of gelegenheid zoo als spreek in vergaderingen\\nover zaken van hoog belang, en in de keuken over snuis-\\nterijen.\\nVan betamelijkheid, zoo als wanneer gij uwen lezer fees-\\ntelijk noodigt, dien hem geen hutspot voor.\\nGij bemerkt, G. T! dat deze inhondslessen alweder een zweem\\nvan vormvoorschriften hebben. Zoo waar is het dat de gedachte\\nhet eigendom van den denker is en door geen voorschriften\\ngeschapen of uitgelokt kan worden. Wie voorschriften geeft,\\nhoe men stoffe maken moet, ach! waarom schept hij zelf niet?\\nHij weet het zoo goed, en de tijd is zoo kostbaar, en er is\\nzoo groot een gebrek aan nieuwe stoffe\\nDe voorschriften voor den vorm zijn menigvnldiger en in\\nhet hoogere gedeelte van het spraak- en taalonderwijs opge-\\nnomen. Zij worden ons van de jengd af aan ingescherpt\\nen blijven ons in verderen leeftijd vergezellen: waarvan dan\\nook het gevolg is, dat wij allen, met weinige nitzon deringen\\n\u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n stijl schrijven. Deze regelmatige gelijkheid van stijl, als\\ngevolg van een regelmatig onderwijs zon ons knnnen verleiden\\nom te denken aan eene regering, die beval dat alle bnrgers\\neen gelijke ligchaamslengte moesten hebben en dat alle onge-\\nlijkheid, naar eene vaste maat. door uitrekking of inkorting\\nhersteld moest worden; doch wanneer zij bespeurde dat deze\\nmaatregel ongeriefelijk was voor de gezondheid der burgers,\\nhaar bevel wijzigde, en voorschreef dat allen met even groote\\nschreden langs straten en wegen gaan en niet meer dan een\\nbepaald getal in \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ne minuut doen moesten, zoodat de lang-\\nsten schoorvoetende gingen en de kleineren zich met sprongen\\nhielpen. Gij werpt mij welligt tegen, dat uit zulk een", "height": "4396", "width": "2616", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0175.jp2"}, "176": {"fulltext": "128\\nzoeken naar gelijkheid een wezenlijke ongelijkheid en verschei-\\ndenheid geboren zou worden. Ik geef dit toe, namelijk\\neene onnatuurlijke, ongerijmde verscheidenheid. Want indien\\ngij in zulk een stad kwaamt, zoudt gij opmerken dat de\\nmeeste wandelaars een gedwongen gang hadden, zoodat gij\\nmisschien van iemand, dien gij zittende in kalme rust hadt\\nleeren kennen, wanneer gij hem daarna op de straat ont-\\nmoette, denken zoudt: mijn hemel, heeft die man zulk een\\ngang! Yolgens deze vergelijking zal het u wel eens gebeuren\\ndat gij iemand kennen leert, en in stilte denkt: als die man\\naan het schrijven raakt wat zal zijn stijl er vreemd uitzien\\nAch neen, als hij de schrijfpen in zijn hand neemt, wordt\\nhij een ander mensch: hij zal zich uitrekken of inkrimpen,\\ntotdat hij de maat heeft, en zijn stijl zal er uitzien als die\\nvan honderd anderen. Maar wilt gij dan dat iedereen in\\nhet wilde schrijve? Niemand zal in het wilde schrijven, die\\ngedacht heeft, en wiens gedachten ontsproten zijn uit een ge-\\noefend brein, en de vrucht en slotsom zijn van zijn verstands-\\nen zielsbeschaving, en den man zelven voorstellen. Maar\\nhoe onderscheidt gij dan toch den vorm van de stof e?\\nHinder mij nu niet met die afgehobbelde woorden! De ge-\\ndachten zijn geen blok steen, en geen balk, en geen klomp\\nklei. Kier, in dezen toestand, is de ziel niet denkbaar bui-\\nten het ligchaam: want al hare werkingen, de bewijzen van\\nhaar bestaan, uiten zich door ligchamelijke werktuigen. Even-\\nzoo zijn gedachte en stijl onderscheiden maar \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n in werking\\nen zoo lang de gedachte, hier in dezen toestand, zich in geen\\nmenschelijke woorden opdoet, besloten in de overdenking, of\\nmet den klank der stem naar buiten uitgebragt, is zij geen\\nstoffe zonder vorm, maar zij is niets. Ja, maar eene onbe-\\nstemde gewaarwording, een opwellend, zwevend gevoel is dik-\\nwijls de kiem eener gedachte, die later met woorden uitgewerkt", "height": "4356", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0176.jp2"}, "177": {"fulltext": "129\\nen voorgedragen wordt. Ach, al dat onbestemde gezweef\\nheeft reeds zoo veel grillen en grollen verwekt! Het heeft de\\nwijsbegeerte in de nevelen geheschen, de ontboezemingen van\\nhet hart tot een zware nachtmerrie gemaakt, en de wetenschap\\nvernederd tot eene mijmering. Een gedachte zonder woorden\\nis niets: met woorden hebt gij leeren denken, van uwe wieg\\naf: want men had geen ander middel om uwe verstandelijk-\\nheid te ontwikkelen en te voeden, en met die woorden denkt\\ngij en volmaakt gij u voortdurend en geloof mij bij al de\\nhoogte van geleerdheid en beschaving, die gij nu bereikt hebt,\\nindien de spraak, de taal, de stijl, uw gedachtevorm in eens\\nuit uw geheugen gewischt konden worden, zoodat gij daar\\nstondt, met al de stoffe uwer gedachten zonder vorm, gij zoudt\\nondervinden, hoe moeijelijk neen, gij zoudt /fiets onder-\\nvinden: een voorwerp mogt een uwer zintuigen, het rnogt uw\\ninstinct aandoen, maar gij zoudt het opmerken als een rede-\\nloos dier.\\nWanneer ik. G. T! het tot nu toe gesprokene, of voor-\\ngelezene, in weinig woorden zamenvat dan komt het hierop\\nneder\\nIn eene Maatschappij van Letterkunde weten, alle de leden,\\nwat stijl is; maar tot onderlinge oefening herinnert men elkander\\ndikwijls bekende dingen. Daarom de stijl was bij de Ouden\\nin het eerst iets anders dan bij ons bij ons is de stijl geen\\nmiddel, maar doel. Men maakt eene verdeeling van den stijl,\\nnaar de onderwerpen die behandeld worden men maakt nog\\neene andere verdeeling, naar de eigenschappen van den stijl\\nzelven; maar die eigenschappen betreffen iets uiterlijks. De\\nreden hiervan is. dat men den stijl voor enkelen vorm houdt.\\nDit nu is verkeerd: want geen stoffe der gedachte is denkbaar\\nbuiten dien vorm. Terwijl men dus dien stijlvorm naar vaste\\nregelen wringt, verknoeit men den mensch die in den stijl\\n9", "height": "4392", "width": "2648", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0177.jp2"}, "178": {"fulltext": "130\\nverborgen ligt i want de stijl is de gedachte de gedachte is\\nde mensch: dus is de stijl de mensch.\\nDit alles had ik noodig, G. T! om een schrede verder te\\nkomen. Vergunt mij dat ik uwe vriendelijke oplettendheid\\nnog een oogenblik bezig houde.\\nDe vroeger opgetelde benamingen van den stijl wensch ik\\nniet te veroordeelen en af te schaften; want die eigenschappen\\nbestaan. Ik bedoel die, welke, uit den mensch voortkomende,\\nzijn stijl wijzigen: niet die buiten den mensch van elders\\nontleend zijn, door dwang van gebruik of mode. Ik wenschte\\ndie benamingen te behouden voor zoo verre zij in staat zijn\\neen toestand der ziel uit te drukken of een neiging van het\\nkarakter. Ik kan mij, b. v. eene opgeschroefde ziel verbeelden,\\nen een karakter met papillotten en krullen; maar het spraak-\\ngebruik wettigt zulke uitdrukkingen niet; en evenwel hebben\\nwij gezien dat de mensch in zijnec stijl zich vertoonen moet,\\nzoo als hij is. Dus ontbreekt ons nog eene karakterkunde\\nvan den stijl. Wij zoeken nog naar eene verdeeling van den\\nstijl, regtstreeks uit het karakter van den mensch afgeleid.\\nHier ziet gij Gr. T een ruim veld van onderzoek geopend de\\npsychologie der menschelijke spraak in de verschillende talen ge-\\nwijzigd naar het verschillend karakter der nati\u00c3\u00abn, en ieder dezer\\ntalen verschillend gewijzigd in stijl, naar het verschillend karakter\\nder schrijvers of sprekers. Het is een onafzienbaar veld, waarop\\nik slechts \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ne schrede met u wagen zal. Het afgetrokken gramma-\\ntische ter zijde latende zal ik in onze taal een proeve nemen op\\nvier stijlkarakters op een onopregten stijl een goedhartigen stijl\\neen hnorrigen stijl, en een ijdelen of verwaanden stijl.\\nWeest zoo vriendelijk, Gr. T! te vooronderstellen dat ik\\nniet zeker ben van mijn betoog, en dat ik hier geroepen ben\\nom het openlijk te bekennen. Zoudt gij mij voor opregt houden\\nindien ik mij aldus uitdrukte?", "height": "4352", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0178.jp2"}, "179": {"fulltext": "131\\n,/Zal een bewijs den stempel van eene uit eene onder eene\\ngestadige wikking van voor en tegen, opheldering der denk-\\nbeelden gesproten innerlijke overtuiging van den betoger\\nzelven dragen, moet de betoger zelf (er zijn er die dit vergeten\\nhebben) niet vergeten dat twee maal twee vier is en dat de\\nmaan kleiner schijnt dan zij is: omdat er zich in het rijk der\\nwetenschappen en der overdenking schijnen, en derzelver gren-\\nzen schijnen, aangezien de menigvuldigheid der voor- en onder-\\nwerpen, die zich in de door de behoudens de wonderlijkste\\nketen van een onzigtbaar verband onloochenbare verscheidenheid\\nvan hare hetzij zigtbare of onzigtbare verschijnselen ik zeg\\nniet rijke, maar onuitputtelijke natuur, vertoonen of doen\\nopmerken niet af te zien al te veel zwarigheden op te doen\\ndan dat wie geroepen is, of eene roeping gevoelt, of zich on-\\ngeroepen roept om een betoog in de meeste gevallen niet\\nin alle, een soort van bewijs te noemen, in den vorm eener\\nleering als hij die thans de eer heeft tot u te spreken te\\nschrijven, een nog niet van alle zijden beschouwde stelling\\nvoor stevig zou houden, de uitkomst van een nog niet door\\nal de slingerpaden der redenering achtervolgd onderzoek: terwijl\\nhet natuurlijk is dat eene levendige hoop dat men de waar-\\nheid gevonden heeft, en de zucht der mecledeeling eenigzins\\nsneller gaan dan de overtuiging.\\nEekent het niet voor afgedaan, G. T wanneer gij dezen stijl\\nduister genoemd hebt. Hij eischt aandacht: men moet er bij\\nop zijne hoede wezen. Maar duister zou hier, gelijk in vele\\ngevallen, eene onjuiste, gebrekkige benaming zijn, een behulp\\nder gemakkelijkheid, waarmede het psychologisch onderzoek\\nder spraak gestuit wordt. De schrijver of spreker wist zeer\\ngoed wat hij zeide hij heeft tegen logica noch syntaxis gezon-\\ndigd en zoo de toehoorders hem minder gemakkelijk begrijpen\\nhet is omdat zij slechts met hunne woord voegende aandacht", "height": "4360", "width": "2684", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0179.jp2"}, "180": {"fulltext": "132\\nnaar hem luisterden, en vergaten den onopregten mensch in\\nzijn kronkelende en hobbelige perioden te volgen.\\nHoe veel eenvoudiger is de goedhartige stijl! Hij gunt aan\\nieder wat hem toekomt, en voegt daarom bij ieder zelfstandig\\nwoord een ander bijvoegelijk waar het regt op heeft. De\\nvoornaamwoorden hij, zij liet zijn hem te scherp, te kantig;\\ndaarom bezigt hij meest het gladde dezelve. Hij maakt alles\\nduidelijk: zijn numerus is dikwijl troclia\u00c3\u00afsch, vooral op het slot\\nder perioden, en daardoor stil, gematigd, bescheiden, tevreden,\\nprijzend. Den toehoorder, of lezer, wil hij niet kwellen, en\\nhij gebruikt zeiden leenspreuken dan die bekend en dagelijksch\\nzijn. Dewijl zijne natuur eenvoudig is, maakt hij geen jagt\\nop verscheidenheid of afwisseling. Zijn volzinnen, wel bezien,\\nhebben een groote gelijkvormigheid. Zij zijn zeer lang, en\\nbevatten gewoonlijk eene gedachte, met eene andere gedachte\\ner tusschen ingelascht.\\nIn het geschiedschrijven zal hij aldus te werk gaan:\\n\u00e2\u0080\u009eHet is eene ontegenzeggelijke waarheid, door de leerrijke\\nondervinding van alle tijden gestaafd, dat groote kundigheden\\nen rijke talenten, wanneer dezelve geenerlei aanmoediging on-\\ndervinden, gevaar loopen van in de eerste geboorte te verstik-\\nken, en niet tot die ruime ontwikkeling geraken, waardoor\\ndezelve of in het stille boekvertrek, of op het woelige tooneel\\nder menschelijke zamenleving, met schitterenden luister zouden\\nhebben kunnen uitblinken. Wij vinden hiervan een allertref-\\nfendst voorbeeld geboekt in de levensgeschiedenis van Hein\\nKnap, wiens groote kundigheden met regtmatige bewondering\\nverdienen opgemerkt, en aangezien dezelve, ten gevolge een er\\nzonderlinge verwaarloozing der oorkonden, steeds minder en\\nminder herdacht worden aan de vergetelheid ontrukt te worden.", "height": "4340", "width": "2652", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0180.jp2"}, "181": {"fulltext": "133\\nOp den ll den van Grasmaand des jaars 17 63 aanschouwde\\nHein Knap liet eerste levenslicht in een klein dorp, midden\\nin eene bekoorlijke landstreek van Bohemen, welker aangename\\nligging en fraaije omstreken allezins geschikt waren om het\\njeugdige hart van onzen Knap, wiens aanleg van dien aard\\nwas, dat dezelve vatbaar gerekend mogt worden om de indruk-\\nken van streelende gewaarwordingen te ontvangen en te bewa-\\nren, tot vurige bewondering der rijke natuur te stemmen, en\\nzijnen lust tot een gezet onderzoek van derzelver geheime wer-\\nkingen aan te sporen. Uit behoeftige ouders geboren, wier\\ndeugd en braafheid allezins onbesproken waren, doch wier\\nmiddelen eensdeels door vele huisselijke rampen en weder-\\nwaardigheden, die hun echter buiten hunne schuld overge-\\nkomen waren, anderdeels doordien zij met handwerk den kost\\nvoor zich en voor hun talrijk gezin verdienen moesten, al te\\nbeperkt waren om aan hunne kinderen eene naar ieders aanleg\\nberekende opvoeding te geven toonde onze Knap reeds in\\nzijne vroegste jeugd wat hij worden kon, indien zijne oplei-\\nding aan daartoe bevoegde en in het ontdekken van den\\naanleg bedrevene leermeesters toevertrouwd werd, maar moest\\nhij niettemin van dit onschatbaar voorregt, welks gemis hij\\ntot in zijnen hoogsten ouderdom gevoeld en menigwerf aan\\nzijne vrienden, volgens het eenparig verhaal van geloofwaardige\\nmannen, betuigd heeft diep te gevoelen, verstoken blijven.\\nNaauwelijke drie jaren oud zijnde, wilde het toeval op eenen\\nwarmen dag van Hooimaand, in den jare 1766, terwijl zijn\\nvader en s mans andere zonen nog bezig waren met hunnen\\nnoesten arbeid in het opene veld, en deszelfs ochtendtaak nog\\nniet voltooid hadden, dat onze jeugdige Knap, ten gevolge\\nder vermoeijenis, veroorzaakt door lang spelen, of welligt door\\neen al te lang verblijf in de open lucht, waarin hij aan de\\nbrandende hitte der zonnestralen blootgesteld geweest was,", "height": "4392", "width": "2648", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0181.jp2"}, "182": {"fulltext": "134\\nzijne moeder verzocht op haren schoot te mogen zitten, die\\ndan ook al aanstonds aan zijnen wensch voldeed, en onzen\\njeugdigen Knap op hare knie plaatste, terwijl zij, volgens eene\\nvaste gewoonte, die reeds sedert vele jaren in hare geregelde\\nhuishouding stand hield, bezig was met koffij drinken. Slechts\\nweinige oogenblikken had onze Knap deze rust genoten, toen,\\nhetzij dat het toeval zulks wilde, of dat het diertje door de\\nzwoele uitdamping van den warmen drank aangelokt, onder\\nhet lesschen van deszelfs dorst, op den natten en glibberigen\\nrand uitgegleden was, eene vlieg in den koffijkop der moeder\\nvan onzen Knap nederstortte en niettegenstaande de spoedig\\naangebragte hulp der goedaardige vrouw, hetzij dat het insect\\ndoor plotselinge uitputting van krachten of door de hitte van\\nde koffij (en dit is mij althans steeds als het waarschijnlijkste\\ntoegeschenen) bezweken zij, den dood moest vinden. Terwijl\\nnu de vlieg op eene drooge plek van de tafel op haren rug\\nlag, en, uitgenomen eene geringe beweging harer pooten, die\\nwelligt niet meer dan eene stuipachtige trilling of koortsige\\nzenuwtrekking was, geen bewijs van leven meer gaf, nam onze\\nKnap dezelve in zijne kleine vingeren, en was, hoezeer ook\\nzijne moeder, hoogstwaarschijnlijk bezorgd, dat de jongen, zoo\\nals kinderen van dien jeugdigen ouderdom meest plegen te\\ndoen, het doocle insect naar zijnen mond brengen en inslikken\\nzoude, alle pogingen in het werk stelde, noch door beloften\\nvan lekkernijen, noch door bedreiging met eene gepaste straffe,\\nte bewegen om hetzelve weg te werpen; maar hij hield de vlieg\\nvast, en bezag dezelve aan alle zijden, en hetzij dat dezelve\\nreeds bij de eerste geboorte verminkt ter wereld gekomen was,\\nof (hetgeen mij ten minste aannemelijker voorkomt) dat der-\\nzelve in het webbe eener spin of door eenig ander toeval\\neen ongeluk wedervaren was wat haar ontbrak ontging onzen\\njeugdigen Knap niet, en hij gaf, in zijne stamelende taal, aan", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0182.jp2"}, "183": {"fulltext": "135\\nzijne moeder, die de opmerkzaamheid van den schalkschen\\nknaap met teedere aandacht gadesloeg, te kennen dat de vlieg\\n\u00c3\u00a9\u00c3\u00a9nen poot minder had dan alle de andere vliegen.\\nIk mag n niet langer met dit verhaal bezig honden. Het\\neind zon waarschijnlijk geweest zijn, men kan het in den\\ntragen gang aan zien komen dat van den jeugdigen ento-\\nmoloog, even als van vele jonge wonderen, naderhand ge-\\nzvegen is.\\nVan een geheel tegenovergestelden aard is de gemelijke m\\nknorrige stijl. Hij gebruikt de letter r zeer veel de d en t\\nniet zelden de perioden zijn ongelijk. De koppelwoorden mis-\\nsen veelal. Van tijd tot tijd komt een vlaag van eenletter-\\ngrepige woorden. De numerus breekt somtijds in anapaesteu\\nuit. Gaarne laat hij de stem op voorzetsels horten. Het ge-\\nheel heeft iets onaangenaams.\\nIk verbeeld mij dat hij eene aanmerking nederschrijft op het\\ngoedhartige verhaal, dat gij gehoord hebt:\\nt Zijn misschien waardige menschen (zegt hij) die door hun\\ningenomenheid met, hun overdreven liefde tot, en hun onop-\\nhoudelijk streven naar lof en prijs van al wat onder hun pen\\nvalt het gebrek verbloemen het kwaad vergoelijken wat goed\\nis, ophemelen; maar wat wordt de historie, als het hart nim-\\nmer warm wordt door toorn over, door afkeer van de ondeugd?\\nwanneer men een nietigheid in een stijl van water verzuipt,\\nt geen groot is voorbijziet? Schrijf mij liever de historie in\\neen schralen kronijkstijl daar vind ik kern en kracht, als\\nt feit spreekt, deugd deugd, trouw trouw is, een treek een\\ntreek blijft; het oordeel, het wikken van goed en van kwaad\\naan den lezer verblijft. Is er in Hein Knap en zijn vlieg iets\\ngroots dat door, iets vreemds dat onder de lektuur den lezer\\nmeer trekt treft streelt dan zoo de verhaler geschreven had\\nHein Knap had aanleg om een natnuronderzoeker te worden;", "height": "4392", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0183.jp2"}, "184": {"fulltext": "136\\nmaar zijn vuur, zijn drift tot, zijn vordering in een vak dat\\ntijd en geld eischt, werd gesmoord in den draf, waarin t lot\\nhem smeet.\\nHet is bijna even moeijelijk dezen stijl te lezen als met den\\nman om te gaan. Men behoeft niet naauw toe te zien,\\nom op te merken dat het korte afgebrokene stooterige daarm\\nverschillend is van de zelfde eigenschappen, die de verwawde\\nstijl somtijds aanneemt. Aan dezen ontbreekt innerlijke ge-\\nhalte bij veel uiterlijk vertoon en schittering der verbeelfiings\\nkracht in vergelijking en tegenstelling en verbinding. De pe-\\nrioden zijn gemani\u00c3\u00abreerd. De woorden springen meer dan zij\\nrollen: de voordragt wemelt van beelden, met oostersshe pracht\\nen pedanterie. Alles treft bij de eerste lezing, minder bij de\\ntweede bij de derde ziet een geoefend lezer door den stijl heen\\nen hij gevoelt er leed van, dat de schrijver of zijn stijl (want\\nbeide zijn \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n) er zoo onophoudelijk op uit is om te treffen,\\nmisschien anders zich vertoont dan hij van nature is dat hij\\nliever een valsche manier van elders ontleent, en andere on-\\nbedrevenen, op zijne beurt, doet wankelen of besmet, dan zijn\\neigen karakter te ontplooijen. De schijnbaar al te groote rijkdom\\nvan dezen stijl is geen weelderigheid, die de tijd besnoeijen\\nzal, maar een levensgevoel, voor oogenblikken slechts verhoogd\\ndoor sterken dronk of magnetische handgrepen. Dat geeft\\ngeen gezonde kracht. Verhalen kan hij eigenlijk niet. Het ver-\\nhaal wordt in zijne handen een woelige vertooning van hetgeen hij\\nzelf denkt of wil schijnen te mijmeren. Daarom schrijft hij aldus\\n\u00e2\u0080\u009eIn Bohemen leefde een kind en zijn naam was Hein\\nKnap, en zoo de jeugd altijd de profetes der mannelijke\\ntoekomst was, dan moest die spruit een breed getakte boom\\nworden die vonk een schitterende vlam die vlok bevroren", "height": "4364", "width": "2620", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0184.jp2"}, "185": {"fulltext": "137\\ndamps een rollende sneeuwberg, die drop zeepwaters een\\nveelkleurige bal. Maar de profetie zijner jeugd was een\\nlogengeest. Kwam het zoo uit, omdat bij een tafelschui-\\nmende plant was, en geen voedsel ontving uit den moeder-\\nlijken schoot eener uitgebreide grondige wetenschap, maar\\nuit een welig gewas, waaraan hij zich vastklemde en dat hij\\nuitzoog, of een zeekwab, door den storm hoog op het strand\\ngesmeten, of bedierf en vernielde hem het geslacht, waar-\\nmede hij verkeerde, als het dier dat zijn jong van vertee-\\ndering dooddrukt? Ja, zoo was het! Eekent mij niet uit,\\nwat hij had kunnen worden Het is het plan van een ge-\\nbouw, onder het timmeren omvergehaald, het argument van\\neen tooneeistuk, dat verbrand is, de omtrek eener voorbij-\\ngaande schaduw op den wand, de interest van een verkwist\\nfortuin op het papier. Het is te laat: het is de opborreling\\nvan het water, waar een man verdronken is. Hoe kon hij\\ngroot worden? Hij wenschte het misschien: zij wilden het\\nniet. Want zij riepen dat hij reeds groot was, toen hij nog\\ngroeijen moest. Dat was hun zwak! Hoe veel planten\\nhebben zij niet gezengd in liet Jieete zonnelicht, op den vollen\\nzomermiddag, toen de schaduiv eener stroomat heilzaam geweest\\nzou zijn! Die dwazen!\\nEen weinig ruimte als ik verzoeken mag of wilt gij onder\\nden voet geraken? Ziet gij dien hoop niet aanrukken? Wat\\nslepen en duwen zij voort, jong en oud? Het is Hein\\nKnap! Gaat hij naar de geregtsplaats wat heeft hij mis-\\ndaan? Daar staat een paard. Hij moet rijden. Ach Hein!\\nhet gaat te wild. Smeek hen dat zij u met eigen kracht\\nlaten opstijgen. Ach Heinl Hein! Gij zult het leeren: ik\\nbeloof het u; maar laat u door dien druischenden drom niet\\nin de hoogte helpen. Daar rijst hij! Hein! vertrouw\\nhet spel niet!", "height": "4364", "width": "2608", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0185.jp2"}, "186": {"fulltext": "138\\nAch! hij is al over het zaal! wie weet waar hij aan den\\nanderen kant ingevallen is!\\nIk zal de Maatschappij verzoeken mijn ontwerp eener nieuwe\\nstijl ver deeling in overweging te nemen.", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0186.jp2"}, "187": {"fulltext": "VII.\\nHagel en sneeuw en regen vallen uit de lucht, zonder dat\\nwij er iets toe doen; maar geen heldendichten, noch treur-\\nnoch blijspelen, noch lierdichten, noch eenige van al die soorten\\nvan verdichting, die wij onder den naam van fraaije letteren\\nbevatten. Waar komen zij dan van daan? Ik begrijp\\nligt dat de eerste mensch die honger gevoelt, naar voedsel\\nzoekt en hij wien koude of hitte hindert naar deksel of\\nschaduw; want de behoefte wijst hem den weg. Maar welk\\neene behoefte dringt hem om een heldendicht te maken, of\\neen treurspel of al die andere kunststukken Indien iemand\\nmij medelijdend antwoordt dat ongetwijfeld ook die dingen uit\\nbehoefte ontstaan, maar uit eene behoefte der ziel, die beschaafd\\nis en haren wensch naar het schoone bevredigen wil, dan\\nzal ik beweren, dat dit een petitio prindj)ii is, en dat die be-\\nhoefte niet werken noch eene begeerte wezen kan, dan na een\\nvoorafgaande kennismaking met de vormen van het schoone, en\\ndat aldus in deze redenering de geestelijke behoefte en het\\ngeestelijk voedsel in een eeuwigen kring ronddraaijen zonder\\ndat men zeggen kan wat het eerst bestaan heeft, de behoefte\\nof het middel om ze te voldoen. Is het genoeg, dat men", "height": "4356", "width": "2624", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0187.jp2"}, "188": {"fulltext": "140\\nbeschaafd is en vatbaar voor den indruk van het schoone, om\\nal deszelfs vormen uit te vinden? wel nu, verbeeld u dan een\\nvolk, dat alles in overvloed heeft, maar geen steengroeven, en\\nzeg mij of het behoefte zal hebben om zijne denkbeelden van\\nhet schoone in standbeelden, of paleizen, of tempels uit te\\ndrukken. Yerbeeld u den bewoner der woestijn, die nooit iets\\nanders gezien heeft, zal hij behoefte hebben om zich in\\nhet aanschouwen van een rijk en prachtig landschap te ver-\\nlustigen? Yerbeeld u den Chinees nog veel beschaafder dan\\nhij is, of den Japanner, of den Mexicaan, en reken nu uit\\nwanneer zij hunne gruwelijke gedrogten, die hunne Goden\\nzijn, voor Apolloos en Vernissen zullen verruilen. Yerbeeld u\\neindelijk iedere maatschappij van het edelste menschenras, maar\\ngesplitst in familieregeringen, aartsvaclerlijk, zonder steden of\\ntalrijke zamenleving, en overdenk dan eens welke kunsten daar\\nhet meest bloeijen zullen. Indien gij met alle deze verbeel-\\ndingen en uitrekeningen niet komt waar gij wezen wilt, beken\\ndan dat de wensch naar het genot van het schoone zich niet\\nontwikkelen noch bevredigd worden kan, zonder bijkomende\\ngunstige omstandigheden van tijd of plaats, historisch of locaal.\\nIk verbeeld mij ook iets het zal niemand geheel vreemd\\nzijn; want de nacht der middeleeuwen is een bekend beeld.\\nIk verbeeld mij Europa, waarvan een deel het volle middag-\\nlicht der beschaving genoten had, en andere deelen een meer\\nof minder naauwen straal van dien glans. Maar ik stel mij\\nvoor dat het langzamerhand in een volkomene duisternis geplaatst\\nis. Het begint dof en duizelig te worden, en de denkbeelden\\nverwarren zich; het geraakt in slaap. Dit is eene allegorisch\\nhistorische voorstelling, die gij reeds dikwijls aanschouwd hebt.\\nMen schijnt gewoonlijk aan dat sluimerende Europa eenig\\nbewustzijn in den slaap, een naauwe herinnering van vorig\\nwaken, eenige verwarde droomgedachten toe te schrijven. Maar", "height": "4352", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0188.jp2"}, "189": {"fulltext": "141\\ndat doe ik niet. Yoor mij ligt het daar, mat en bewusteloos,\\nin eenen slaap die alle vorige denkbeelden uitwiseht terwijl\\nalle voorwerpen, die een vroegeren toestand herinneren kon-\\nden weggenomen en verdwenen zijn. Nu moet het ont-\\nwaken, of omdat het uitgeslapen heeft, of omdat het gewekt\\nwordt, door ik weet niet wien. Maar wint het daar iets bij?\\nHet is donker, en er is nergens een vonk onder de assche,\\nnergens tintel of vnnrslag, waarnaar men rondtasten kan.\\nZnllen wij dat Europa maar niet weder laten inslapen? want\\ndit is even goed als zulk waken.\\nIndien ik vooronderstelde dat de Grieksche beschaving ver-\\nloren was gegaan, zonder een spoor achter te laten, en dan\\nbeweerde dat Europa, na znlk een ontwaken, tot op heden\\ntoe zon gedommeld cf rondgetast hebben; of, met andere\\nwoorden, dat het die vormen van het schoone, door de\\nGrieken geschapen, maar vernietigd, nooit zon teruggevonden\\nhebben dan twijfel ik niet of velen zonden mij aantijgen en\\nmij vermetel noemen, omdat ik beweerde wat ik niet bewijzen\\nkon. Maar indien ik van hen vergde dat zij mij het tegen-\\novergestelde bewezen? De trotschheid der tegenwoordige\\nbeschaving zon het zoo gaarne; maar zij kan het niet, en\\nzoolang zij dit niet kan. is hare stelling hypothetisch, en de\\nmijne historisch. Aan dit laatste twijfelt men misschien, en\\ndaarom moet ik het bewijzen.\\nIk zal nn nog niet spreken van het opgeruimd karakter\\nder Grieken van den Ionischen stam, noch van al die gaven\\nen vatbaarheden waarmede de natuur hen begiftigd had. Ik\\nzal er naderhand op terugkomen; maar ik moet eerst den\\nloop en de geleidelijke ontwikkeling hunner uitvindingen\\nopsporen.\\nEr is een oud tijdvak in hunne geschiedenis hooger dan\\nhetwelk wij niet kunnen opklimmen waarin hun geloof aan", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0189.jp2"}, "190": {"fulltext": "142\\neen veelgodendom zuiver en opregt is. Het toeval neen,\\nwaarom niet de wil eener hoogere Wijsheid? vergunde\\nhun den hemel te bevolken met wezens, gelijkende naar\\nhunne eigene voortreffelijke gestalte. Het moesten hoogere\\nwezens zijn, en daarom veredelde zich het beeld dier schoon-\\nheid, en zelfs datgene, wat schrikwekkend moest zijn, verviel\\nnooit in het afzigtelijke. Ik geloof dat men nooit te veel\\nhierop letten kan; het is misschien de sleutel tot vele raad-\\nsels in de geschiedenis hunner beschaving. Geef eens aan\\nJupiter den kop van een buffel, en aan Juno een olifants-\\nsnuit, weg is het Olympische beeld, en al die schoone\\ngedachten die het in de kunstenaars opgewekt heeft weg de\\nschoonheid van de Godin der Goden, waarom zij met Venus\\nwedijveren, of den gordel der bevalligheden van haar ont-\\nleenen kon Misschien hebben zij de symbolen van eene\\noudere natuur-filozofie vernietigd of onkenbaar gemaakt. Ik\\ndank er hun nog voor, en ik wil de geleerdheid met hare\\nwanstaltige gedrogten voor het schoone en aanminnige gezel-\\nschap van den Olympus niet inruilen. Er zijn dingen, die\\nmen al te duur koopen kan. Zulke Goden behoefden in\\ngeen hemel opgesloten te worden, maar zij konden op aarde\\nrondwandelen en zich mengen in de bedrijven der menschen.\\nNeem nu een groot bedrijf, zoo als ongetwijfeld de Trojaan-\\nsche oorlog was, hetzij echt of reeds vroeg vergroot en opge-\\nsierd met helden en luisterrijke wapenfeiten, en laat er \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n\\nuit het volgende geslacht het zingende verhalen in zijne me-\\nlodieuse taal; hij levert, wat wij een heldendicht noemen. Zoo\\nontstond de Ilias, hetzij in haar geheel, of uit stukken zamen-\\ngesteld. Het is mogelijk dat andere volkeren ook hunnen epos\\ngehad hebben; maar zoo gij geen tweede Grieksche natie vindt,\\nzult gij ook geen tweede Ilias aantreffen.\\nDe geschiedenis laat een groote gaping na dit hero\u00c3\u00afsche tijd-", "height": "4360", "width": "2584", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0190.jp2"}, "191": {"fulltext": "143\\nvak open. Wat er in gewoeld heeft, kan men slechts gissen.\\nWijzen schijnen voorschriften en levensregelen gezongen te heb-\\nben, en eerste pogingen van wetgeving en onderwijs in de\\nwetenschap spotlust en wraak schijnen hunne Muze gehad te\\nhebben. Maar de toestand der maatschappij en de menigvul-\\ndige godsdienstige plegtigheden gaven aanleiding tot volksver-\\neenigingen en feesten bij de tempels der Goden, en de lrym-\\nnus werd ter hunner eere gezongen, en liet lierdicht, dat,\\neenmaal gevormd om het hooggestemde gevoel te ontboezemen\\nweldra ook bewondering en lof der menschen en hunne aard-\\nsche liefde uitdrukte.\\nZoo vele vormen bestonden er reeds, en nog was er geen\\ndramatische po\u00c3\u00abzij; indien men aldus noemen moet, niet eenige\\nruwe pogingen harer eerste kindschheid, toen zij zwierf door\\nhet land, en, zoo het verhaal echt is, op den wagen van\\nThespis rondreed; maar zoo als zij eensklaps op het tooneel\\nzich vertoont geheel in de magt van het genie onder aan-\\nvoering van Aeschylus, nog vatbaar voor volmaking, maar\\ntoen reeds in die historisch-noodzakelijke rigting geplaatst,\\nwaarlangs zij kort daarna, met verloochening van haar eigen\\nwezen, afdaalde.\\nGelijk in alle schoonheidsvormen die het vernuft der\\nGrieken uitgevonden heeft, zoo lang zij niet verbasterden, het\\nmoreel beginsel van den Staat zich afspiegelde, zoo was het\\nbovenal in het hoogste, dat zij bereiken konden, in hunne\\nTragedie. Dat beginsel was eerbied voor de Goden, gehoor-\\nzaamheid aan de wetten, gehoorzaamheid aan overheid en\\nouders, door de wetten voorgeschreven: schaamte, de schaamte\\nzelve, vergood in den hemel, die tegen alle wangedrag behoe-\\nden moest. Dat beginsel werd der jeugd ingeprent, en het\\nbleef den mannelijken ouderdom bij, als overtuiging en\\ngeloof, dat het aldus goed was en behoorde, zonder onder-", "height": "4388", "width": "2616", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0191.jp2"}, "192": {"fulltext": "144\\nzoek, waarom men gehoorzaamde en zich schaamde. Een\\nheilzaam beginsel, waar de godsdienst echt en de voortgang\\nrnstig is. Maar in de beweegbare gemoederen van het Atheen-\\nsche volk moest het bederf spoedig insluipen. Waarom gehoor-\\nzamen Avij wat is regt wat is onregt waarin verschillen\\nzij? Deze vragen waren de eerste pogingen eener wijsgeerte,\\ndie terstond het spoor bijster was, de jongelingen tot zich\\nlokte eigenbaat en bevrediging van den lust predikte en den\\nstaat dreigde om te keeren. Zoo was het ten tijde van Pericles en\\nkort na hem. En ziedaar, de Tragedie bloeit, juist in dezen tijd\\nvan beweging en van twijfel en ongeloof. Droeg zij er de kleur\\nvan? was zij de vrucht eener gisting en opbruising, door de\\nvermenging der elementen van oude en nieuwe denkbeelden?\\nGeenszins; in den drang der omstandigheden volmaakt zij zich\\nzelve, maar als tegenwerkende kracht. Kalm en ernstig ver-\\ntegenwoordigt zij den ouden tijd: zij voert een menschengeslacht\\nten tooneel, dat in een naauwere betrekking stond tot de\\nGoden; geen bedrijven onafhankelijk van een hoogeren invloed,\\nof het gevolg van de keus eener schiftende en uitpluizende\\nrede maar een noodlot waaraan s menschen wil onderworpen\\nis, en waarvan zijne daden, hoe krachtig werkende, zich niet\\nlosmaken kunnen; en deze leering, in verband met de straf,\\nals gevolg van het zedelijk kwaad, en met al de denkbeelden\\nvan gezag en geloof, die den ouden Staat zamengehouden\\nhadden, plegtig en op hoog po\u00c3\u00abtischen toon voorgedragen in\\nzangen van den rei, die zich op een standpunt plaatst, verheven\\nboven den dramatischen gang van het stuk, en het innerlijk\\ngevoel der toehoorders leidt.\\nAls zoodanig had de Tragedie haar hoogste volkomenheid\\nin Sophocles bereikt. In Euripides neigde zij reeds ten val:\\nhaar tegenwerkende kracht verflaauwde, en zij werd in den\\nstroom der heerschende denkbeelden medegesleept.", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0192.jp2"}, "193": {"fulltext": "145\\nZie daar eenige vormen, waarin de Grieken de verdichtsels\\nhunner verbeelding en de ontboezeming van hun gevoel voor-\\ngedragen hebben en hieronder twee hoofdsoorten het Heldendicht\\nen het Treurspel. Zoo lang zij hunne natuurlijke kunstperioden\\ndoorliepen, hebben zij geen heldendichten meer gemaakt, nadat\\nhun episch tijdvak verloopen was, Maar toen, van Aristoteles\\naf, het kunstgevoel door kunstgeleerdheid begon vervangen te\\nworden, kwamen er weder heldendichten te voorschijn, en ieder\\nvolk heeft sedert een heldendicht willen bezitten, al had het\\ngeen heldentijd gehad. Wie kan de Alpen naar een vlak\\nland overbrengen maar de kunst werpt heuvelen op en zij leidt\\neene beek zoodat ze een waterval vorme doch buiten de omtui-\\nning is het landschap in tegenspraak met de omtuinde kunstnatuur.\\nDeze vergelijking zal men welligt minder toepasselijk rekenen\\nop de Tragedie, omdat zij de vrucht is van verbeelding en\\ngevoel, die door denken en overleg geoefend zijn, en omdat\\nzij, zegt men, overal te huis is, waar de geest even vrucht-\\nbaar is om te scheppen, en even vatbaar om te genieten.\\nMaar is het evenwel niet merkbaar dat tegenwoordig de\\nbelangstelling in de Tragedie sterk verminderd is. en meer\\nen meer afneemt, zoodat zij geheel van het talent der tooneel-\\nspelers begint af te hangen, door wie wij gaarne een alleen-\\nspraak hooren uitvoeren, en dan heengaan en ons tragisch\\ngevoel bevredigd rekenen Laat ons de oorzaak hiervan niet te\\nver zoeken: mij dunkt, zij ligt voor onze voeten. De reden\\nen het verstand laten zich een tijdlang begoochelen, maar een\\nduurzaam geweld willen zij niet verdragen.\\nWat heeft de kunst uit de Tragedie der Grieken als beginsel\\nafgeleid? Behalve hare eenheden, waartegen de juiste takt\\nder uitvinders niet zondigde, doch waarin haar wezen niet\\nbestond: behalve de intrigue, het klimmend belang, de ont-\\nknooping, en al wat zij gemeen kan hebben met iedere goede\\n10", "height": "4388", "width": "2616", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0193.jp2"}, "194": {"fulltext": "146\\ndramatische voorstelling zijn hare voornaamste bestanddeelen\\nJwoge personen, hevige hart togten, groote gebeurtenissen. 1\\nMaar, een Koning wekt bij velen geen belang meer, al betreedt\\nbij het tooneel in al zijne pracht, met kroon en sehept\u00c3\u00a9r; hij\\nis een mensch even als wij (zoo zeggen de meesten), en hij\\nis Koning, omdat wij hem vergunnen Koning te zijn. Hij\\nheeft een constitutie of hij moet er eene hebben; zij rekenen\\nhem na in zijne handelingen met andere koningen, in zijne\\nkrijgsbedrijven tegen zijne vijanden, in de schattingen die hij\\nons doet opbrengen. Gaat nu in den schouwburg, en stelt\\nbelang, zoo gij kunt, in Agamemnon en zijn geslacht! Gij\\nmoogt schreijen over den hevigen hartstogt van Phaedra; maar\\nhet doet u aan, omdat zij een mensch, misschien omdat zij\\neen fatsoenlijke vrouw, niet omdat zij een Vorstin is; en uwe\\nmenschkunde uw zielkunde uw zedekunde en alle die kunden\\nwaarmede onze geleerdheid iedere daad uitpluist en beoordeelt,\\nzullen uw tragisch genot bederven, en gij zult het schoone\\naanschouwen, niet als de uitdrukking van een hoogeren zin,\\nmaar als een ontleedkundige die den Apollo zoo gaarne zou\\nbewonderen maar wiens aesthetische stichting telkens verstrooid\\nwordt door de uitrekening, welke spier of pees of bloedvat,\\nhier of daar, onder die gevulde opperhuid schuilen moet 2\\ny Bulwer zegt ergens dat de Tragedie, in den ouden zin, voor onze\\ntijden niet meer geschikt is. Ik twijfel er bijna niet aan. Maar hij\\nzegt tevens dat de behoefte een volkomen tragedie uit het dagelijkse/te\\nleven ontleenen zal: het zal het toppunt der kunst wezen, zegt hij. Ik\\ngeloof het wel: wie zou niet verbaasd staan, als hij een festijn in een\\ngaarkeuken zag gelukken? Maar het was reeds beproefd en mislukt!\\n2 Er is veel waarheid in het gezegde van een Fransch geleerde:\\nnos connaissances sont aux d\u00c3\u00a9pens de nos jouissances. Het komt er\\nslechts op aan, te weten wat men jouissance noemt en welke faculteit\\nmen laat zwijgen, als een andere spreekt. Weinigen nemen dit in\\nacht: hinc illae lacrymae!", "height": "4344", "width": "2624", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0194.jp2"}, "195": {"fulltext": "147\\nEindelijk, groote gebeurtenissen! Hebben wij eene voorstelling\\nvan het lang verledene noodig. of dringt de grootheid van\\nhetgeen wij en onze ouden beleefden al het vorige diep naar\\nden achtergrond? en hindert het ons niet terstond, wanneer\\ndingen, die wij niet groot achten, met woorden en spreuken\\nopgeschroefd en opgevijzeld schijnen? Wij lezen wat eens in\\neen Griekschen schouwburg gebeurde: Een beroemd pantomi-\\nrnus stelde Capaneus voor die, den muur van Thebe met een\\nladder bestormde. Hij was een buitengewoon lang man.\\nStap er maar over! riep het parterre hem toe.\\nIk moest deze gedachten, zoo niet geheel, toch ten deele\\nontwikkelen, eer ik van de Comedie spreken kon, die mij\\naanleiding tot nadenken gegeven heeft.\\nMen beweert meestentijds dat de Comedie tegenover de Tragedie\\nstaat, als uitgelaten scherts tegenover hoogen ernst; doch hier-\\nmede wordt veeleer de uitwerking van beide aangeduid, dan\\nde oorsprong: en het zou daarbij onzeker kunnen blijven of\\nzij gelijktijdig hebben kunnen ontstaan, en of niet misschien\\nde Comedie bij een volk, zoo vatbaar voor het lachwekkende,\\nouder was dan de Tragedie. De geschiedenis schijnt het te-\\ngenovergestelde van dit laatste te leeren, en ik meen zelfs\\nhierin eene bevestiging te vinden van mijne meening omtrent\\nden oorsprong der Tragedie. Maar het kon niet lang duren\\nof zij zelve moest de Comedie doen geboren worden. Er zou\\neen geheele verhandeling noodig zijn om te bewijzen dat bij\\ngeen volk, dat denkt en zich beschaaft, de schertsende behan-\\ndeling van een onderwerp de ernstige kan voorafgaan, juist\\nomdat zij haar meeste voedsel vindt in de gebreken der ernstige\\nbehandeling. Doch hoezeer men ook verleid zou kunnen worden\\nom deze stelling te bewijzen en ze op de tegenwoordige vraag\\ntoe te passen, zou men evenwel, naar mijn gevoelen, ver-\\nkeerdelijk doen, omdat de Comedie der Grieken reeds een tijd\\n10*", "height": "4360", "width": "2584", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0195.jp2"}, "196": {"fulltext": "148\\nlang bestaan had eer zij zich aan de parodie hunner Tragedie\\nwaagde, of derzelver onderwerpen schertsend behandelde.\\nWaar ligt dan haar oorsprong? Ik spreek hier alweder\\nniet van hare eerste pogingen, toen zij in Sicili\u00c3\u00ab zich begon\\nte vormen maar geen onderwerpen harer waardig vond of in\\nAttica ronddoolde, en met kluchten en snakerijen, voetstoots\\nuitgevonden, het landvolk vermaakte; maar van haren vorm,\\nhoedanig deze uit den geest van den bij overlevering misken-\\nden maar door weinigen begrepen Aristophanes voortkwam.\\nEn hoe staat deze tegenover de Tragedie? Als het tegen-\\nwoordige tegenover het verledene, als de voorstelling van het\\nkwaad, dat aan het Gemeenebest knaagde, tegenover die van\\nden gezonderen toestand van den Staat, dien de verstandigen\\nliever terugwenschten dan voort te gaan op eenen weg, waarvan\\nzij geen goede uitkomst verwachteden. Het verwondere dus\\nniet dat zij in hare eerste periode, die de oude Comedie heet,\\nde demagogen geeselt en brandmerkt, de bemoeizucht en besluiten\\nvan een beweegbaar en woelig volk bespot, het raaskallen van\\nfilozoferende redenaars doorhaalt, eene betere wijsbegeerte, ja\\ndie van Socrates zelven, omdat zij den mensch leerde redeneren\\nen onderzoeken, somtijds aanvalt, en eindelijk de Tragedie,\\ndie hare hooge personen tot bedrijven van het dagelijksche\\nleven liet afdalen, medelijden opwekte voor verfoeijelijke hartstog-\\nten en zich niet schaamde mannen uit het heerlijke heldengeslacht\\nkreupel en verminkt en in bedelaar slompen voor te stellen\\ndat zij zulke misgeboorten voor het oog van den echten Griek,\\nuitjouwt en aangrijnst, maar ook, tot dit hoogste punt ge-\\nklommen, weldra wankelt, en daalt, en ontaardt in spotternij\\nzonder goede bedoeling, en in laffe zucht om aan het volk te\\nbehagen.\\nIk begeef mij in geen dieper onderzoek van hare eerste\\nperiode. Zullen wij haar navolgen? Het is een overschoon", "height": "4336", "width": "2608", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0196.jp2"}, "197": {"fulltext": "149\\nmodel, dat door het lage, dat er aan kleeft, niet ontluisterd\\nwordt: het is een tinteling en schittering van vernnft, dat gezond\\nverstand tot grondslag heeft het is bijtende scherts door heer-\\nlijke po\u00c3\u00abzij getemperd en veredeld: vrolijke luim, die niets en\\neindelijk zich zelve niet spaart en daarom met de voorwerpen\\nharer tuchtiging in vrede blijft. Zullen wij haar navolgen?\\nGelukkig! wij zien zulke gemeenebesten niet meer, en waar\\nzij mogten ontstaan, daar zouden misschien dergelijke vruchten\\nde eenigste goede zijn.\\nDeze eerste periode (de oude Comedie) ging voorbij zij hield\\nop, wanneer de buitensporige volksmagt ophield en door aris-\\ntocratie vervangen werd die niet duldde dat mannen van aanzien\\nen gezag op het tooneel met naam en nabootsing aangewezen,\\ngeestig beschimpt en uitgefloten werden. Maar het volk bleef\\nzijne spelen en feesten vieren; in zijne uitspanningen bleef het\\ntooneel eene eerste behoefte, en er opende zich allengs eene\\ntweede periode voor het Blijspel. Het is bekend onder den\\nnaam van de Comcedia media (Middel- Come die). Zij schijnt\\noudere en gelijktijdige Treurspelen geparodieerd, personen uit\\nden heldentijd belagchelijk voorgesteld, maar ook nlozofische\\nstelsels doorgehaald, en reeds ondeugden in karakters en ka-\\nrikaturen geschilderd te hebben, en eindelijk, door deze laatste\\neigenschap, overgegaan te zijn in haar laatste tijdvak, de Nieuwe\\nComedie, waarin zulke karakters de hoofdrol speelden, en het\\nspel de dagelijksche levenswijs, in al hare verscheidenheid en\\nkleuren met zonderlinge lotgevallen in een reine en welluidende\\ntaal voorstelde.\\nZoodanig waren de drie natuurlijke Blijspelen, met zoo wei-\\nnig trekken, en zoo naauwkeurig mij mogelijk was, geteekend.\\nZij zijn echter ongetwijfeld zoo scherp niet gescheiden geweest,\\nof er is van het eene in het andere iets overgegaan, en het\\nzou, bij voorbeeld, bewezen kunnen worden dat de parodie", "height": "4360", "width": "2656", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0197.jp2"}, "198": {"fulltext": "150\\nreeds in de oude Comedie zich gevestigd had en aan de nieuwe\\nniet geheel vreemd was. Maar wij hebben gezien hoe zij alle\\ndrie historisch ontstaan zijn. Herinneren wij ons mi nog\\neens den zamenloop van omstandigheden en eigenschappen in\\nde lotgevallen en in het karakter van het Atheensche volk,\\nnit welke de drie aangewezene Blijspel-soorten ontstonden.\\nHet is noodig ter voltooijing van het historisch bewijs.\\nWat een zamenloop is, begrijpen wij zeer goed, wanneer\\nwij beken en stroompjes elkander zien ontmoeten en ineen-\\nvloeijen en \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ne hoofdrivier vormen; maar in der gang der\\nmenschelijke zaken ontsnapt dit verschijnsel ons dikwijls s niet\\nzonder schadelijken invloed op onze wijze van beoordeelen.\\nDenkt men er wel altijd aan, hoe veel er, bijvoorbeeld, zamen\\nmoet loopen, opdat een deugdelijk geleerd boek, waarbij de\\nwetenschap winnen zal, in de wereld kome? Er moet een\\npubliek zijn, dat leeren wil, een rijk onderwerp, en een\\nschrijver die geleerd heeft. Doch deze zamenloop vooronder-\\nstelt er weder andere. Bij een publiek, dat leeren wil, moeten\\nzamenloopen: een genoegzaam getal menschen, die iets meer\\nbegeeren dan een stroom van boeken die misschien even gemak-\\nkelijk geschreven worden als gelezen door al de overigen, die\\nhet geheim der groote alledaagsche boekenschrijverij niet ken-\\nnen, en noch weet- noch nieuwsgierig genoeg zijn om geschrif-\\nten uit te lokken die den gang der wetenschappen of van het\\npraktische leven bijhouden: zij moeten daarbij belang stellen\\nin het onderwerp, dat de geleerde behandelen zal, en op de\\nhoogte zijn om zijn boek te begrijpen. Wij weten dat al deze\\nvereischten bij het publiek onmisbaar zijn: want neemt er \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n\\nvan weg, en laat den geleerden schrijver het weten: hij zal\\nzijne wetenschap te huis houden, ze tot eigen verlustiging\\naanwenden en geen warmte pogen op te wekken waar brand-\\nstof ontbreekt. In het onderwerp moeten zamenloopen:", "height": "4332", "width": "2624", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0198.jp2"}, "199": {"fulltext": "151\\nwezenlijke belangrijkheid want het is een schraal genoegen\\nvoor het publiek, wanneer de geleerde schrijver zich op een\\nschraal onderwerp geoefend en gescherpt heeft, en zoo hij,\\nvan den tripos Delphicus af, tot op de werktafeltjes onzer\\nschoonen toe, de geschiedenis doorliep, en de diepste proble-\\nmata der mathesis en mechanica te hnlp riep, en na veel\\nomhaals niets meer had willen bewijzen dan dat een stoel op\\ndrie pooten ligter omvalt dan een andere op vier, dan zon\\nhet pnbliek hem moeten vragen: waarom hebt gij dit niet\\nin zes ongeleerde woorden aan den stoelendraaijer beduid?\\nEr moet nog bijkomen dat het onderwerp zich aanslnite en\\npass\u00c3\u00a9 in den stand der wetenschap: want zoo het terugkomt\\nop reeds bewezene waarheden, wat zal het anders bewijzen\\ndan dat de geleerde schrijver nog niet op de hoogte is? en\\nzoo hij een sprong doet, en eene rnimte achter zich open\\nlaat, die bevloerd moet worden met nog te ontdekken waar-\\nheden, wie zal hem dan knnnen volgen, die niet met hem\\nvliegen kan? Eindelijk, de geleerde schrijver zelf\\nmaar het is genoeg: ieder weet welke begaafdheden in hem\\nnoodig zijn, en hoe deze moeten zamentreffen met gunstige\\nomstandigheden: een levensloop, die hem daar gebragt heeft\\nwaar zijn aanleg hem riep: geen rijkdom die zijn werklust\\nver slappe, geen kommer die zijn geest inkrimpe; en, zoo\\ndat alles zamenloopt, dan nog iets stevigs en edels in het\\nkarakter, dat niet eeuwig en rusteloos jage naar toejuiching,\\nmaar de wetenschap ook om haar zelve beminne, en daarom\\nslechts levere wat waarlijk nut kan stichten.\\nNu weten wij eindelijk wat een zame/\u00c3\u00bcoojp is.\\nHet zou moeijelijk, zoo niet onmogelijk, zijn, indien er\\ngeen Comedie bestaan had en bestond, en men dezen gedach-\\ntevorm niet kende, vooraf te bepalen wat er in dien vorm\\nzelven, wat in den dichter, en wat in het publiek vereischt", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0199.jp2"}, "200": {"fulltext": "152\\nwierd, uit de vereeniging van welke eigenschappen het ideaal\\neener Comedie geboren zou worden. Geschiedenis en onder-\\nvinding moeten ons leeren, en wanneer ongelijke omstandighe-\\nden en eigenschappen ongelijke uitkomsten opleveren, dan is\\nde gevolgtrekking gemakkelijk en zonder groot gevaar van dwa-\\nling. Bij de Grieken was het aldus; in het volkskarakter,\\nin de onderwerpen der Comedie, in de taal, in het talent der\\ndichters.\\nIn het volkskarakter: een gedurige uithuizigheid, een dage-\\nlijksch zamenleven op de straat, op de wandelingen, op de\\nmarkt, aan de maaltijden, in en rondom de tempels en het\\nraadhuis. Wat er te huis geschiedde, was niet veel gewigtiger\\ndan de behandeling der vrouw als huishoudster, en der slaven\\nals broodwinners. liet leven was openbaar. Mets ontsnapte\\ner aan den Athener van alles wat er in den Staat geschiedde\\ngeen handeling van eenig ambtenaar bleef hem onbekend,\\ngeen edele daad, geen wanbedrijf van eenig burger. Meen\\nniet dat dit gepaard kon gaan met deftigheid, of zelfs met\\nernst de ernst wil in zich zelven keeren en zoekt eenzaamheid\\neen gedurig gezellig verkeer leert de onderwerpen der gesprekken\\nvan alle zijden bezien, en de manier, die de onderhoudendste\\nis wordt meer en meer boven alle de andere verkozen \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n\\nenkele geestige scherts met een onderwerp, dat ernstig plagt\\nbehandeld te worden, maakt het een langen tijd onmogelijk\\ner zonder lagchen op terug te komen en eindelijk wordt het\\neen gewemel van levendige hartstogten, van snelle gewaarwor-\\ndingen van goed en kwaad schoon en afzigtelijk van plotselijke\\novergangen uit lof tot minachting, uit spot tot bewondering.\\nIk waag misschien niet te veel, wanneer ik een dusdanige\\nontwikkeling van hun volkskarakter voor een gevolg van hunne\\nopenbare levenswijs houdt maar dit gevolg kon dusdanig\\nwezen, alleen omdat de geest van den Athener fijn bewerk-", "height": "4332", "width": "2616", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0200.jp2"}, "201": {"fulltext": "153\\ntuigd was. Hij had de hoogste vatbaarheid voor den indruk\\nvan het schoone in het stoffelijke en zedelijke. Maar de korte\\nafstand tusschen het verhevene en het belagchelijke lag altijd\\nopen voor zijn helder oog, en zijne ligtvaardigheid en beweeg-\\nbaarheid deden hem telkens die \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ne schrede wagen. Yan\\ndaar zijn genot, wanneer zijn beweegbaar gemoed door con-\\ntrasten geprikkeld werd; en eenmaal in die zweigerij en brood-\\ndronkenheid van het vernuft zich verliezende, kon hij door\\ngeen belang, hoe gewigtig, door geen kondschap, hoe treurig,\\nin zijn genot gestoord worden. Toen de Gigantomachie (eene\\nparodie) vertoond werd, verbreidde zich, gedurende het spel,\\nde mare der gevaarlijke nederlaag in Sicili\u00c3\u00ab; maar het volk\\nlachte voort, en het stuk moest afgespeeld worden\\nl Bij Plutarchus, De Garr. p. 509. ab. wordt de tijding door een\\nbaardschrapper een echt gohemouclie onder bet volk verspreid, dat\\nhierop in beweging geraakt en zamenloopt naar het Theater. De onbe-\\nscheiden alarm verspreider, die geen goede bewijsstukken voor zijn nieuws\\nleveren kon, wordt op het foltertuig gesleept, en de beul neemt hem\\nonder handen, tot dat de tijding door andere boodschappers bevestigd\\nwordt. Bij denzelfden Plutarchus, in Nicia, p. 542. de. wordt de volks-\\nvergadering door de autoriteiten belegd. Dit gaat eenigzins beter dan\\nhet andere, waarin de foltering al te weinig vorm van proces heeft.\\nBij Athenaeus, p. 407. ab. komt de tijding in het Theater, terwijl\\nHegemon zijn Gigantomachie speelt. Het volk beweegt zich niet^ maar\\nieder weent in stilte, onder zijn mantel gedoken, opdat de aanwezige\\nvreemdelingen het niet bemerken zouden: en het spel wordt voortge-\\nzet. Deze twee traditien hebben ieder hare zwarigheden, en zij zijn\\nniet vereenigbaar zij vernietigen de eene de andere. Wat ik er van\\ngemaakt heb, is misschien al te stout opgezet; het steunt op de gissing,\\ndat het verhaal van Athenaeus het digtst bij de waarheid, maar een\\nvergoelijking is van het feit zoo als ik het voorgesteld heb. Ik ver-\\nbeeld mij dat de Atheniensers een oogenblik kunnen onthutst geweest\\nzijn en gezucht hebben, maar dat zij, den eersten schok doorgestaan,\\nhet stuk van Hegemon hebben zien afspelen en nog gelagchen hebben,\\nom daarna de nederlaag van Nicias te overdenken en te betreuren. Wie", "height": "4388", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0201.jp2"}, "202": {"fulltext": "154\\nWachten wij ons voor eene al te karde veroordeeling: er\\nwas beminnelijkheid onder dat ligtzinnige, en zij hebben zoo\\nzwaar geboet, en den smaak voor een huislijker leven tegen\\nzoo veel genot en vrijheid ingemild! maar ik moet mijn\\nteekening afwerken. Er werd zeer weing gelezen, omdat er\\nzeer weinig te lezen was geen nienwsbladen hadden zij geen\\nredenerende artikels in den geest van oppositien en partijen;\\ngeen recensenten; geen tooneelkijkers maar hnn geest, die\\nvoedsel zocht voor hnnne politieke en religieuse en aestheti-\\nsche behoefte, kon het vinden in de voorstelling van ieder\\nnienw blijspel, dat in onverwachte en vernuftige kwinkslagen,\\nin persoonsverbeeldingen, toespelingen en karikaturen, al dat-\\ngene bevatte wat op de tafels onzer koffij huizen en leesmuseums\\nopgestapeld ligt, en waarop ons publiek aast. Moest het\\nAtheensche volk niet in den schouwburg leven?\\nIn de onderwerpen der Comedie: er was eene epische po\u00c3\u00abzij\\nvoorafgegaan, die in het geheugen der kinderen geprent werd,\\nen de grondslag der opvoeding was. Maar het was meer dan\\nkortswijl dat Plato den goeden Homerus met een krans wilde\\nversieren, en dan zonder veel gerucht de stad uitzetten. Denk-\\nbeelden van goed en kwaad, van edel en laag, mogt de jeugd\\nuit die gedichten aanleeren diepen eerbied voor de Goden\\nkonden zij hun niet inboezemen, en het kon naderhand hun\\ngevoel niet beleedigen, wanneer zij die zelfde Goden, die zij\\nbij andere gelegenheden eerbiedigden, op het tooneel een be-\\nlagchelijke rol zagen spelen. In die gedichten dus, vooral in\\nde Odyssea was een milde bron voor het Blijspel en de middelste\\nComedie, door de oudere hierin reeds voorgegaan, schijnt er\\nmijne gissing niet wil aannemen, zal ten minste toestemmen dat zij met\\nhet karakter der Atheners overeenkomstig is. Deze aanteekening is\\nhet gevolg eener scherpzinnige en geleerde bedenking van mijn jongen\\nvriend, den Heer Cobet. [Zie Clarisse, Ann. ad Tkuc. p. 115 sqq.]", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0202.jp2"}, "203": {"fulltext": "155\\nrijkelijk uit geput te hebben. De Tragedie had slechts een\\nkorten duur van getrouwheid aan haar echte beginsel. Zij ging\\nechter voort in dezelfde manier, en behield dezelfde bestand-\\ndeelen: want de dichterlijke opvatting der hoogste menschelijke\\nbelangen vond er een vorm in waarin zij haar gevoel ontboezemen\\nen de beelden harer phantasie scheppen kon. Maar de minste\\nstoring der harmonie tusschen personen uit een aloud geslacht\\nvan helden en halve goden en daarmede overeenstemmende\\nbedrijven en lotgevallen, moest opgemerkt worden en soms\\neen lach opwekken, waar de dichter eene traan gevraagd had.\\nNieuwe bron voor de Comedie! In hare eerde en tweede pe-\\nriode, misschien nu en dan nog in hare derde, ontleende zij\\ner een schat van onderwerpen uit. Zoo wilde het volk leeren\\ndiep te gevoelen, scherp te beoordeelen, juist te schiften, en\\nte gelijk door den prikkel van het fijnste vernuft in beweging\\ngebragt worden. Maar zelf leverde het tevens ruime stof aan\\nde blijspeldichters, door het wilde misbruik van zijne vrijheid;\\nen te ligtvaardig om op den dichter te toornen, mits zij regt\\nbelagchelijk gemaakt en hartelijk over zich zelve vrolijk geworden\\nwaren, vierden zij aan de Comedie den lossen teugel, en zij\\nholde en schaterde tot onzinnigheid toe. In die vaart behandelde\\nzij de hoogste staatsbelangen, en redenaars en volksmenners\\nen gezagvoerenden werden uitgefloten, en wee hem, die, uit\\nde heffe van het gepeupel opgekomen, door sluwheid en kuiperij\\nzich den weg tot aanzien in den Staat gebaand had Hier\\nkon geen gebrek aan onderwerpen zijn. Maar toen die on-\\nstuimigheid beteugeld, en het arme volk uit zijne onbesuisde\\nwildheid overgegaan was, niet tot een verstandiger vrijheid,\\nmaar in de magt van tirannen en vijanden, toen bleef er nog\\neene schaduw over van het rijke en schitterende spel. In\\nhunnen meer huislijken toestand teekende zich het karakter\\nvan ieder individu in de verschillende betrekkingen van het", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0203.jp2"}, "204": {"fulltext": "156\\nmaatschappelijke leven. Het verminkte werk van Theophrastus\\ngeeft er eenig denkbeeld van. Het was een nienwe mijn voor\\nde Comedie, die in deze laatste periode schijnt geleverd te\\nhebben wat zij vermogt.\\nIn de taal: neem al de gewone lofspraken op talen te zamen:\\nrijkdom, kracht, bnigbaarheid zoetvloeij endheid, welluidendheid\\nen zangerigheid, en pas ze op de Grieksche toe: dan zal er\\niets schoons voor uwen geest oprijzen; maar het zal nog niet\\nhare geschiktheid uitdrukken voor het spel der Comedie. Want\\nzij had onuitputtelijke hulpmiddelen om de fijnste gedachte\\nuit te spinnen, om de rede traag en loom te laten slepen, of\\nmet het vrolijk getrippel harer kleine partikelen als dansende\\nte doen optreden eene oneindige vrijheid in de zamenstelling\\nvan nieuwe woorden, wier beteekenis, om hare analogie, in\\nhet wezen der taal gegrondvest, niet ontsnappen kon, en bij\\nal haren schat, het vermogen om door de verwisseling van\\n\u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ne letter, van \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n accent, een veranderden, een tegenstrij-\\ndigen, een geparodi\u00c3\u00aberden zin voort te brengen. Verbeelden\\nwij ons eindelijk:\\nIn de dicMe?*s wat de beste onder hen bezaten een volkomen\\ngebied over zulk eene taal, een groote verbeeldingskracht, maar\\ndie aan den teugel der rede liep, een diepe kennis van den\\ntoestand der maatschappij en van het volkskarakter, een juist\\ninzigt der waarheid, po\u00c3\u00abzij, ironie, geest, vernuft, en men\\nmag het niet verzwijgen een zekere maat van kwaadwilligheid\\n(of hoe drukt men malice in het Hollandsen uit?) en wij zullen\\nmoeten toestemmen dat bij de Atheners alles zamenliep om\\nhet Blijspel te doen opkomen en alle zijne standen doorloopen.\\nHet oude ging onder, omdat beroeringen in den Staat het\\nonderdrukten, de middelste Comedie verdween, omdat de stoffe\\nhaar begon te ontbreken, en omdat zij eigenlijk niets meer\\nwas dan een overgang tot de nieuwe die op haar beurt voort-", "height": "4348", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0204.jp2"}, "205": {"fulltext": "157\\nduurde, misschien totdat het genie ontbrak, dat door geen\\nAlexandrijnsche geleerdheid kon vergoed worden. Zij had een\\nonafzienbaar veld ter bearbeiding voor zich: zoo scheen het\\nimmers want de karakters der menschen hebben een duizend-\\nvoudige verscheidenheid. Poch vergeten wij niet dat vele\\nduizenden slechts wijzigingen zijn van hoofdsoorten, welke\\nhoofdsoorten alleen vatbaar zijn voor eene nabootsing in ver-\\ngroote trekken of waarom worden er zoo weinige voortreffelijke\\ndoor de Ouden aangehaald, en waarom heeft de nieuwe be-\\nschaving er zoo weinige opgeleverd? Maar de nieuwe Comedie\\nder Grieken had tevens hare tafelschuimers hare snoevende\\nkrijgslieden, haar hoeren, en verkrachte maagden, en losbandige\\njongelingen, en vroedvrouwen, en schelmsche slaven, en scha-\\nkingen en wegvoeringen in slavernij en hare ontknoopingen\\nin het terugvinden van een geroofd kind, in de beterschap\\nvan een brooddronken jongeling in een gelukkig huwelijk.\\nDat was de spil, waarom zij draaide, en waarvan zij zich in\\nhet Grieksche leven nooit losgemaakt zou hebben. Want zij\\nhad dit met hare vorige perioden gemeen dat zij uit de behoefte\\nvan het volksleven ontstaan was, maar ook met het volk\\nmedeleefde, en geen vroegeren toestand hunner maatschappij\\nschilderde, noch die van eenig ander volk, noch eindelijk eene\\nphantastische wereld schiep.\\nIk meen getoond te hebben dat de Comedie, zoo als zij door\\nde Grieken gevormd en volmaakt en naar het verloop der tij-\\nden gewijzigd werd, een noodzakelijk historisch verschijnsel\\ngeweest is.\\nVan de Komeinen mag ik niet spreken. Hun oude gedialo-\\ngiseerde kluchten hebben zich tot geen veredelden vorm kun-\\nnen verheffen, en toen zij eindelijk de Grieksche beschaving\\nbegonnen over te nemen, voerden zij niet alleen Grieksche\\nzeden en gewoonten ten tooneele, maar zij lapten hunne blij-", "height": "4396", "width": "2616", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0205.jp2"}, "206": {"fulltext": "158\\nspelen uit Grieksche te zamen, en Plautus en Terentius lever-\\nden geen Eomeinsche stukken. Waar het volk een hartstog-\\ntelijk vermaak schepte in de gevechten van verscheurende\\ndieren en gladiators, daar was geen duurzame behoefte aan\\nzulk voedsel voor den geest. Het Grieksch-Italiaansche spel\\nder pantomimica, onder Augustus uitgevonden, verdrong, zoo\\nhet schijnt, den smaak voor verstandiger voorstellingen, en het\\nheeft sporen nagelaten van zijn schandelijke zinnelijkheid, tot\\ndiep in de geschiedenis van het Grieksche keizerrijk.\\nIn de middeleeuwen hebben de vrome zorg der Grieksche\\nKeizers voor de zeden van het volk, de zorgeloosheid, de\\nvernielzucht en de tijd onberekenbaar veel doen verdwijnen;\\nmaar wat er overbleef van Grieksche blijspelen en Eomeinsche\\nkopijen en omwerkingen, werd afgeschreven en door weinigen\\ngelezen. Maar niemand zal beweren of pogen te bewijzen dat\\ner toen een wezenlijk tooneel bestaan heeft, voordat de schrif-\\nten der Ouden weder opgezocht en verspreid, en de nieuwe\\nbeschaving op die der eeuwen van Pericles en Augustus ge\u00c3\u00abnt\\nwerd.\\nAch, waarom moest zij nasporen en opdelven, wat haar\\neigen vlugt belemmeren zou Worstelt men niet thans nog\\n(en er zijn reeds vier eeuwen verloopen tegen die tooverkracht\\nder oude vormen, en wanneer zal men eindelijk die kluisters\\ngeheel afwerpen, een eigen vaart nemen, en gedaanten eener\\nnog onbekende schoonheid scheppen? Ik weet het niet;\\nmaar er schijnt een zonderlinge vastheid in den typus der oude\\nbeschaving te liggen dien vier eeuwen van het jongere Europa\\nnog niet hebben kunnen verbrijzelen. En wie weet hoe veel\\ntaaijer het nog houden zou, indien de snuffelaars der veertiende\\nen vijftiende eeuw niets dan Grieksche perkamenten gevonden\\nhadden: indien de Latijnsche taal en literatuur geheel verloren\\ngeweest waren: indien deze door de rhetorische kleur, die,", "height": "4364", "width": "2656", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0206.jp2"}, "207": {"fulltext": "159\\nover haar gansclie wezen verspreid, een historisch gevolg van\\nhet volksleven der Eomeinen geweest was, aan het herlevend\\nEuropa niet terstond reeds geleerd hadden in de voordragt\\neener gedachte nog meer, nog veel meer, te leggen dan het\\ninnerlijk gevoel der waarheid insprak: indien zij de Grieksche\\nliteratuur, wier echte onnoozele geest is, mede te deelen niet\\nterstond vergezeld hadden met de prikkels en hefboomen harer\\nredekunstige sieraden? Ach! dan hadden wij het thans nog\\nzoo ver niet gebragt om de verstompte en afgematte verbeel-\\nding der lezers te schudden en te schokken, en, als ware het,\\nde vermoeide levensgeesten en zenuwen van verouderde wellus-\\ntelingen met geeselslagen op te wekken.", "height": "4396", "width": "2616", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0207.jp2"}, "208": {"fulltext": "VIII.\\nHet volgende opstel, zoo als het nu gedrukt wordt, is zes\\njaren geleden, in liet Institnnt voorgelezen. Het had, in mijn\\noog, te weinig diepte en vastheid om in de Latijnsche Werken\\nvan een Koninklijk Genootschap geplaatst te mogen worden.\\nIk heb het in den hoek geschoven het hoofddenkbeeld en een\\npaar bijzonderheden van kritischen aard konden, dacht ik, op\\neen andere wijs medegedeeld worden: er was geen haast bij.\\nThans evenwel is mijne nederigheid in eens tot ijdelheid over-\\ngeslagen. Zij fluistert mij in dat deze kleinigheid een kleine\\nplaats in de Historie van het onderzoek innemen moet. Uit\\nde strekking van het opstel zelf, meer bepaaldelijk in eene\\nnoot aangewezen, bleek dat mijne nasporingen mij reden gege-\\nven hadden om aan de echtheid van zeer vele profeterende\\nDelphische orakel-antwoorden te twijfelen. Die twijfel was\\nniet geheel nieuw: van Cicero af, de Div. II. 56, tot op\\nMuller toe, Gesch. Hellen. Stdmme I. p. 345, vindt men er\\nsporen van maar ik wilde dien twijfel tot een positief systema\\ngebragt zien, en een taaijen arbeid, het kritisch onderzoek van\\nalle orakel-spreuken, zoo niet zelf ondernemen, ten minste bij\\nanderen uitlokken. Deze bijzonderheid heeft de Secretaris der", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0208.jp2"}, "209": {"fulltext": "161\\nIII klasse, Prof. Den Tex, doen uitkomen in het Verslag\\nmijner Voorlezing, Comm. Lat. III. Class. Vol. IV. p. LIV,\\nuitgegeven in 1833. In het midden latende, of die voorge-\\nlezen Verhandeling gedrukt zou worden of niet, zegt de\\nnaauwkeurige Secretaris, op het einde van zijn Verslag: \u00e2\u0080\u009eEt\\nhis quidem explicitis, auctor (dat ben ik) disputavit de duorum\\nlocorum Homericorum auctoritate et sententia aliquot denique\\nplacitis B\u00c3\u00b6ttigeri, M\u00c3\u00bclleri, Lobeckii, aliorumque vel confirmatis\\nvel modeste impugnatis, omnem disputationem de hoc argu-\\nmento ancipitem fore contendit donec omnium effatorum\\nPythicorum explorata esset veritas et yvyo-ioTfig\\nNiet lang geleden is te Bonn in het licht verschenen Wiirdi-\\ngung des Delphischen Orakels, von K. D. Hilllmann. Wat ik\\neene behoefte gerekend had, op het tegenwoordige standpunt der\\nwetenschap heeft de Bonnsche professor ten deele aan de weten-\\nschap geschonken. Zijn betoog is slechts een begin: het\\nzijn groote trekken; de philologische kritiek moet ze verder\\nonderzoeken en uitwerken. Voor de zaak zelve is het onver-\\nschillig, of de Duitsche geleerde den gegeven wenk uit het\\nHollandsche Nazareth opgevangen heeft, dan of hij zelf wist\\nwat hij doen moest: waarom ook zou hij de Werken van\\nons Instituut naslaan? maar mi moet de liistoria litteraria\\nde ontbrekende schalm in de keten van het onderzoek inlas-\\nschen, en tegelijk welligt iets nog niet versletens mecledeelen.\\nHet boek van H\u00c3\u00bcllmann schijnt min of meer een stille po-\\nlemiek tegen C. O. Muller te zijn. Tegen den Dorischen\\noorsprong van het Delphische Orakel stelt hij een Hellenischen\\nover. Wat eigenlijk die Pelasgen en Hellenen geweest zijn,\\nis door sommigen niet regt duidelijk aangetoond, en door\\nanderen met groote geleerdheid in het donker gezet. De tijd\\nzal het nooit leeren vrees ik; doch men moet niet wanhopen,\\naji zegt Hermann ergens dat het een talent is sommige dingen\\n11", "height": "4364", "width": "2596", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0209.jp2"}, "210": {"fulltext": "162\\nniet te iceten. Maar Muller heeft het, dunkt mij, aannemelijk\\ngemaakt, dat in OYer.on.de tijden de buurt van het Orakel met\\nDoriers bevolkt was, en H\u00c3\u00bcllmann heeft moeten toegeven dat\\nde Doriers waarschijnlijk aan het hoofd van zijn Hellenen-verbond\\ngestaan hebben. Hiermede neem ik echter geenszins al de\\ngevolgtrekkingen van den vernnftigen Muller voor mijne rekening\\nik heb mij misschien door hem wat al te eng in het Dorische\\nbeginsel laten insluiten dies diem docet. Maar het opstel moest\\nnu gedrukt morden zoo als het toen voorgelezen is. Zoo lang\\neen onderzoek niet geheel gesloten is, mag geen daartoe be-\\nhoorende meening voorbijgezien worden mits zij niet in zich\\nzelve ongerijmd zij.\\nEr is veel over het Delphische Orakel geschreven: men heeft\\ner wijsheid en bedrog in gevonden: een waar inzigt in de\\ntoekomst en een toevallig raden van hetgeen geschieden moest.\\nMen heeft het beschouwd als eene staatkundige Instelling, die\\nde grootste belangen van het Grieksche volk regelde, en als\\neen middel in de hand der priesters, om het bijgeloof te hand-\\nhaven: en van Yan Dalens tijd af, die zich reeds losgemaakt\\nhad van het geloof aan duivelen die de oude orakels inbliezen\\ntot op C. O. Muller, die in zijne Dorier een groote Afdeeling\\naan den Apollocult toegewijd heeft, is dat vreemde verschijnsel\\nin de Grieksche geschiedenis dikwijls ter sprake gekomen, maar\\nnog nooit in dat licht geplaatst, waarbij alle twijfel en verschil\\nvan beoordeeling ophouden. Of zulk een licht ooit schijnen\\nzal, durf ik niet te verzekeren, en ik vermeet mij vooral niet\\nhet zelf te kunnen aansteken. Het is de pligt van hem die\\neen vak van wetenschap beoefent, het onderzoek te volgen,\\nzoo verre als het door kan dringen. Maar wanneer wij\\nnog niet weten wat wij weten wilden en met ons onderzoek", "height": "4340", "width": "2672", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0210.jp2"}, "211": {"fulltext": "163\\nniet verder voort kunnen heeft dan onze wetenschap wel eenige\\nwezenlijke waarde, en laat zij wel iets meer achter dan de\\ngeschiedenis van een vruchteloos onderzoek? Wie dat vreest,\\nheeft nooit ernstig de handen aan het werk geslagen. Eigen\\nonderzoek heeft altijd iets bevredigends, zoo niet stellig, dan\\nontkennend: en geenerlei nasporing al wordt zij door moeije-\\nlijkheden of duisternis belemmerd mag ooit vruchteloos genoemd\\nworden. Het zij wij iets vroeger of iets later stuiten, er werkt\\nin ons zulk een onmerkbare wensch om de zaak zoo of dus-\\ndanig te vinden, dat wij onzes ondanks een flaauw beeld van\\nhet gezochte scheppen en daarmede in redelijkheid te vreden\\nkunnen zijn. Het is er mede als wanneer iemand verkoos\\ngesluijerd onder ons rond te wandelen, en zijn sluijer nooit\\naf te leggen. Er zouden velen gevonden worden die juist\\nwisten te zeggen door hoe velen er pogingen gedaan waren,\\nen wanneer, en met welk gevolg, om dien sluijer op te\\nligten, en er verder niet om dachten. Maar zij die zelve\\nheuschelijk of onbescheiden aan het doek getrokken hebben,\\nzullen wanneer het vergeefsch was terugtredende denken\\nwaarschijnlijk heeft die gesluijerde zintuigen, even als wij:\\nhoedanig zijn gelaat is en welk karakter het uitdrukt blijft\\nonzeker; maar wij kunnen voor het tegenwoordige genoegen\\nnemen met hetgeen wij van hem weten, en hem medetellen,\\nwanneer hij in ons gezelschap is maar bedachtzaamheid blijft\\nde leus, wanneer hij deel neemt in ons gesprek.\\nMet deze inleiding, die een weinig subjectief is, wil ik de\\nmogelijkheid niet ontkennen, dat anderen, in hun onderzoek\\nomtrent het Delphische Orakel, der waarheid naderbij komen.\\nIk wilde slechts te kennen geven dat mijne krachten nog niet\\nvoldoende zijn om de waarheid geheel te ontdekken. Wat ik\\nten naastenbij denk over een verschijnsel, dat gedurig zich\\nvertoont in het verband der oude verhalen, begeer, ik nog niet\\n11*", "height": "4364", "width": "2616", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0211.jp2"}, "212": {"fulltext": "164\\nin de wetenschap opgenomen te zien; maar weliigt kom ik\\nnaderhand tot zekerder resultaten, of geef ik aan scherp-\\nzinniger geleerden eene aanleiding tot hernieuwd onderzoek.\\nIndien men zeide dat het Delphische Orakel antwoord gaf\\naan allen die in de toekomst zien wilden uit nieuwsgierigheid\\nuit bekommering, of met slinksche oogmerken, dan zou men\\nniet veel zeggen: want hoe zou men het dan, in doel en in-\\nstelling, onderscheiden van zoo vele kleinere orakels op bepaalde\\nen heilige plaatsen gevestigd, of van alle die rondzwervende\\npo\u00c3\u00abten, die, gelijk eertijds Onomacritus en Iophon, oude\\ngodspraken, wier oorsprong onbekend was, opzongen, en van\\nzoo vele bedriegers, waarvan Griekenland vroeger en later we-\\nmelde, en wier kunstgrepen Lucianus in het voorbeeld van\\nAlexander van Abonotichus opengelegd heeft? Alle die mindere\\ninstellingen gingen voorbij, maar het Delphische bleef, en het\\nstond vele eeuwen in groote eer, en genoot het vertrouwen\\nder raadplegenden. Dit moet eene oorzaak gehad hebben, die\\nwaardig is dat men ze zoeke: want zij is de spil van het\\ngeheele vraagstuk: maar zij schuilt weg in de hooge oudheid,\\nhooger dan onbetwistbare historische bescheiden reiken.\\nMen heeft dikwijls het karakter van het Lacedaemonische\\nvolk beschouwd als een gevolg van hunne afgeslotene geogra-\\nphische ligging, zonder te bedenken dat deze ingeperktheid\\nwel dienen kon om den grondtrek van hun karakter te bewaren\\nin zuiverheid en eigen ontwikkeling maar dat zulk een grondtrek\\nreeds vroeger heeft moeten bestaan, en dat, zoodra de Dorische\\nstam, waartoe zij behoorden, zich in de geschiedenis opdoet,\\ndie grondtrek zich overal vertoont, hier of daar allengs door\\nwrijving en vermenging met anderen gesleten, maar nergens\\ngeheel onherkenbaar. Het schijnt dus, wanneer men overal\\nin dien stam den typus terugvindt, die in het Lacedaemonische\\nvolk zoo scherp geteekend is, dat men uit het karakter van", "height": "4336", "width": "2624", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0212.jp2"}, "213": {"fulltext": "165\\ndeze laatsten veilig dat van den gansenen Dorischen stam kan\\nopmaken. Het laat zich in weinige trekken aldus schilderen:\\nEen bijna tot verloochening van eigen individualiteit gedrevene\\novertuiging dat de harmonie van het geheel in de orde en\\nondergeschiktheid der deelen bestaat, en dat ieder enkel deel\\nin het geheel zijn doel en maat vindt. Dit denkbeeld is de\\ngrondslag van hunne gewoonten en wetten en staatsinrigtingen\\nen uit deze ontvangt wederkeerig die overtuiging haar voedsel\\nen kracht. Ieder bijzonder persoon moet binnen de grenzen\\nblijven die een hoogere orde van het geheel hem voorgeschreven\\nheeft. In den Staat moet geen individu naar onafhankelijk-\\nheid streven, en geen stand buiten zijne plaats treden. De\\naristocratie en de betrekkingen van onderdanigheid worden\\nstreng gehandhaafd: gehoorzaamheid is veel gewoner en valt\\nzelfs ligter dan de werking eener individuele vrijheid. Dit\\nbeginsel van bevelen en gehoorzamen dringt diep door in het\\nstaatsieven, in de opvoeding, in den krijgsstand. Uit deze\\ninwendige geslotenheid van het geheel vloeit een sterke afkeer\\nvoort van hetgeen daar buiten en vreemd is. Strijdvaardigheid\\nom dat vreemde af te wenden dus geen zucht om buiten eigen\\ngrenzen te veroveren, maar de grootste dapperheid om hetgeen\\nbinnen is te handhaven. De gaaf der mededeeling is hier\\nin het algemeen vreemd: van daar gedrongenheid en kortheid\\nin het uitdrukken der gedachten, maar des te meer diepte van\\ngevoel. De behoefte der afsluiting bepaalt zich niet bij cle\\nplaats: zij openbaart zich ook in den tijd. Overal heerscht\\nde grootste gehechtheid aan hetgeen geworden is en bestaat,\\naan de gebruiken en zeden der voorvaderen. Het oog van\\nden Dorier is meer naar het verledene terug, dan naar het\\ntoekomende vooruitgewend. Hierbij is het godsdienstige gevoel\\nernstig en somber: het sluit alle zinnelijkheid buiten, en\\nduldt in de godsdienstige plegtigheden geene kunst clan die", "height": "4364", "width": "2592", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0213.jp2"}, "214": {"fulltext": "166\\nstrenge orde en harmonie voorstelt. Het gemoed geniet het\\nstille evenwigt der rust, en het heldere bewustzijn, dat door\\ngeen zinsbegoocheling noch opgeruide driften verduisterd wordt.\\nHet hoogste genot is, het zijn, het bestaan duidelijk te be-\\nseffen en dien toestand te bewaren is hoofdpligt. Verder ontwik-\\nkelt zich het godsdienstig gevoel niet want het vindt geen bevre-\\ndiging in de bespiegeling van het duistere grenzelooze oneindige.\\nDit zijn de hoofdtrekken waarvan ik enkele uit het aangehaalde\\nwerk van Muller ontleend heb. Men zou ze nog uitvoeriger\\nkunnen teekenen; maar ieder herkent ze uit eigen historische\\nherinneringen.\\nStellen wij tegenover dit volksgelaat dat van den Ionischen\\nstam zoo als hunne Geschiedenis hunne Kunsten en Letteren\\nhet voorstellen. Menigvuldigheid en verscheidenheid in plaats\\nvan eenheid: beweging in plaats van rust, zijn hier insgelijks\\ngrondtrekken die hier en daar zich wijzigen naar de omstan-\\ndigheden van plaats en tijd, maar toch zigtbaar blijven. Het\\nleven sluit zich niet af, maar het stelt zich bloot aan iederen\\ninvloed van buiten, en vermengt zich met ieder element dat\\nniet geheel ongelijksoortig is. Het gemoed is vatbaar voor\\nden indruk van het ernstige, maar nog meer voor dien van\\nhet aanminnige en streelende. Het hoogste streven is naar\\nzinnelijk genot en naar de materiele genoegens des levens.\\nVan daar is geen wensch bevredigd, of een andere rijst op.\\nHet godsdienstig gevoel smelt met die beweegbaarheid ineen,\\nen het vermengt zich met eene gedurige begeerte naar een\\nverbeterden toestand. Dat gevoel, aan de hand van een dwee-\\npend en onbepaald verlangen, verliest zich in de oneindigheid\\nder schoonheids vormen en der weelderigste phantasie.\\nIndien deze teekeningen juist zijn, en in Griekenland reeds\\nvroeg eene voorspellingskunst schijnt bestaan te hebben, die\\neen groote verscheidenheid van vormen aannam, doch wier", "height": "4348", "width": "2616", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0214.jp2"}, "215": {"fulltext": "167\\noorsprong lag in de vereering eener Godheid, die zij Apollo\\nnoemden, dan moet het bevreemden hoe de lust om de toe-\\nkomst te kennen, ontstaan kon zijn, niet bij een volksstam,\\nwiens neiging begeerte en veranderlijkheid was, maar bij een\\nanderen, die met een kalm inzigt en bewustzijn van het tegen-\\nwoordige zich bevredigd rekende. Die bevreemding zal moeten\\nverminderen, wanneer men het waarschijnlijk kan maken, dat\\nde oorsprong der Grieksche pzvTe\u00c3\u00afz niet in eene nieuwsgierig-\\nheid naar de toekomst lag\\nImmers is er een groot onderscheid tnsschen znlk een bloote\\nnieuwsgierigheid en die weifeling, die bekommering over het\\ntegenwoordige, wanneer men eene daad te verrigten of tusschen\\ntwee wegen te kiezen heeft, en wat men doen of kiezen zal,\\nzulke afwijkende gevolgen in de toekomst na zich kan slepen,\\nhetzij dat deze gevolgen een materieel belang betreffen of het\\nl i In het rustige en kolossale werk van Prof. Van Limburg Brouwer,\\nCivilisation etc. dat zoo vele bevredigende uitkomsten oplevert, is deze\\nstrekking van het Delphische Orakel thans met een paar woorden\\naangeduid (T. II. p. 32(3). Ik heb hier eene bedenking, die tegen meer\\nplaatsen van het geleerde boek bij mij opgerezen is dat namelijk de\\nSchrijver, in de zamenstelliug zijner bewijsplaatsen, derzelver betrekke-\\nlijken ouderdom niet streng genoeg onderscheidt, en de echtheid van\\nenkele getuigenissen niet scherp genoeg beproeft. Dat hij b. v. hier\\nOd. 79 aanvoert, alsof die verzen aan geen twijfel onderhevig\\nwaren, verwondert mij in hem. Iets verder had ik de plaats van He-\\nsiodus Theog. vs. 94 sq. liefst voorwaardelijk aangehaald gezien. Het\\nkan niet anders of die verzen zijn ingeschoven: niet zoo zeer, omdat zij\\ninsgelijks in den Homerischen Hyniuus in Musas et Apollinem voorko-\\nmen; maar dewijl in de vreemd verhaspelde Inleiding der Theogonie,\\nwaarin evenwel een zuiver afgeslote/i gezang op de Muzen, als oudste\\nvoorstelling, zigtbaar is, de onverwachte vermelding van Apollo, hoe\\nmuzijkaal ook een ware wanklank blijft. Doch in een werk van der,\\nomvang eener Civilisation mag men geen uitputting der minste bijzon-\\nderheden vorderen.", "height": "4388", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0215.jp2"}, "216": {"fulltext": "168\\nzedelijk geweten van den weifelenden verontrusten. Op deze\\nstelling waag ik het voort te redeneren.\\nBij een volk, dat zwaarmoedig van aard was en strengheid\\nvan zeden als den grondslag van den Staat beschouwde, daar\\nmoest de godsdienst ondergeschikt worden aan den wensch\\nom die deugd in stand te houden en voor verbastering te\\nbewaren. Hoe hoog de oorsprong der godsdienst ook ligge,\\n(die zich zeker niet opsporen laat) van het eerste tijdstip af\\ndat zij in geschreven bescheiden zich voordoet, is zij reeds\\naan Apollo verbonden. Als men de verstrooide berigten en\\ntoespelingen in \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n punt vergadert, dan schijnt Apollo bij de\\nDoriers het zinnebeeld te zijn van kalmte, zuiverheid, orde,\\nhelderheid en harmonie, dus eigenlijk de God der beschaving,\\nen het vernietigt geenszins het denkbeeld der kalme rust wanneer\\nzij hem voorstellen als den wreker van alles wat die eeuwige\\nwetten der natuur stoort. Ik zal geen bewijzen aanvoeren die\\nin menigte voorhanden zijn maar alleen de schoone plaats van\\nPindarus aanhalen (Tyth. V. 63 sqq.), die te meer gewigt\\nheeft, omdat de Dichter spreekt van Cyrene, eene volkplanting\\nvan Spartanen, en die zich beroemde tot den Dofischen stam\\nte behooren:\\ntV acci ficcpeioiv votroov\\nAKSVfACLT aV^pS(T(Tt KOU yVVUt^\u00c3\u00af VSftst,\\nIlSpev re xi\u00c3\u00bcccpiv, SiSuei re Motrav o\u00c3\u00afq \u00c3\u00af\\\\v \u00c3\u00a8d\u00c3\u00a9Xy,\\nAffSXeftov ayxyobv\\nE$ 7rpci7rf\u00c3\u00a8uq evvofticiv\\nMf%\u00c3\u00b3v r Uft(p\u00c3\u00a97rei\\nMctvrvi\u00c3\u00afov\\nDe uitleggers vatten de laatste woorden in dezen zin op, dat\\nPindarus de godspraak bedoelt die aanleiding gegeven had\\ntot het stichten der volkplantfng. Ik kan dit niet wederleggen,", "height": "4360", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0216.jp2"}, "217": {"fulltext": "169\\nofschoon men niet dan door eenig grammatisch geweld tot\\ndeze opvatting komt. Het is zeker niet waarschijnlijk dat de\\nDichter de opnoeming van al wat plaatselijk was in de dienst\\nvan Apollo te Cyrene, besluiten zou met iets dat gemeen was\\nvoor alle Grieken en aan een afzonderlijk te Cyrene gevestigd\\nOrakel van Apollo valt niet te denken. Ik kan deze zwarig-\\nheid niet anders wegnemen dan met de vooronderstelling dat\\nPindarus wel het oog gehad heeft op de stichting der Colonie,\\nmaar tegelijk de pavretu, als eene der weldaden van den God,\\nheeft willen voegen bij de overige die geheel Griekenland, met\\nCyrene, zich aan hem verschuldigd rekende. De Dichter heeft\\nzich, in dit geval, naar het algemeene volksbegrip geschikt,\\nmaar tevens verwezen naar Delphi, den oorspronkelijken zetel\\nvan het Orakel, van die godspraak, die, tegelijk met de ge-\\nneeskunst en de driften-stillende muzijk, als een goddelijk\\ngeschenk vereerd werd.\\nMaar is die wetenschap van het toekomende, in den zin\\nwaarin zij gewoonlijk opgevat wordt, een echt en goddelijk\\ngeschenk? \u00e2\u0080\u009eMagnifica quaedam res zegt Cicero (Be Divin. I. 1.)\\net salutaris, si modo est ulla, quaque proxime ad Deorum\\nvim natura mortalis possit accedere. Men zou lust hebben\\nde woorden et salutaris door te halen indien zij niet in alle\\ncodices stonden. Heeft hij de zaak zoo oppervlakkig beschouwd\\nen kende hij de voorwaarden van het menschelijke leven zoo\\nweinig, en meende hij inderdaad dat eenige andere wetenschap\\nder toekomst heilzaam is, buiten die welke in het mensche-\\nlijke vermogen valt en op ondervinding en kennis van oorzaken\\nen gevolgen rust Of konden de Ouden zonder hooger licht\\ndit niet inzien? zij konden het: Cicero zelf, die, in de\\ninleiding van zijn werk, dat salutaris daarheen wierp, vond\\nnaderhand, in het II de boek, waar hij de Sto\u00c3\u00afsche gevoelens\\nbestreed, de grondigste bewijzen voor het heillooze der divinatio", "height": "4364", "width": "2592", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0217.jp2"}, "218": {"fulltext": "170\\nmaar zijn betoog verloor zich in de Academische twijfelarij.\\nStelliger sprak na hem Maximus Tyrius (XVII. 6). Hij zocht\\nnaar de eigenschappen der Godheid volgens Plato, en zegt:\\nEU\u00c3\u00a9 [xot pavretov r. X. \u00e2\u0080\u009eAch of ik een Orakel hadde van\\nJupiter of van Apollo, dat mij geen duister noch onzeker ant-\\nwoord gaf! Ik zou den God niet naar den ketel van den\\ndwazen Croesus vragen, noch naar de maat van het zeewater,\\nnoch naar het getal der zandkorrels. Ik zou al die groote vragen\\nlaten liggen: De Perzen naderen! hoe zal ik hun ontkomen?\\nWant al geeft de God mij geen raad, ik heb schepen.\\nIk ben begeerig naar Sicili\u00c3\u00ab: hoe zal ik het magtig worden?\\nWant al weerhoudt de God mij niet Sicili\u00c3\u00ab is groot en mag-\\ntig. Minder rhetorisch had Polybius (Fragm. p. 104 sq.\\nEd. L. B.) reeds lang te voren den spot gedreven met de\\ndwaasheid der orakelvragers, die de Godspraak zouden gaan\\nraadplegen over het gebrek aan bevolking, dat ten tijde van\\nPolybius in Griekenland merkbaar was, in vredenstijd, en\\nzonder besmettelijke ziekten; en die niet zagen dat uit zedenbederf\\nde huwelijken schaarscher werden, en dat zij, die kinderen\\nverwekten, er slechts \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n of twee van opvoedden. Veel vroeger\\nhad Pindarus gezongen: (Ist/im. VII. 13 sq.)\\nto Trpo TTQ^oq \u00c3\u00bcpetov kzX r%Q7r\u00c3\u00a8\u00c3\u00afv\\nXpypcc 7rciv \u00c3\u00a8\u00c3\u00b3Xio$ yap alm \u00c3\u00a8n uv^pcccrt Kp\u00c3\u00a9 xarcit,\\nC EKt(T(T(fJV filQV TTOpQV\\nVoor Pindarus zeide Theognis (vs. 1039.) opCpvvi yxp r\u00c3\u00a9rxrat\\n\u00e2\u0080\u009eEr is door de Godheid een nevel voor de toekomst geschoven;\\nen nog ouder is misschien de spreuk, die in velerlei vormen\\nbij de Ouden voorkomt: to 7rccpov ev ri\u00c3\u00b6eaOai: want Plato\\nzegt {Gorg. p. 340. e.) avciyxYi poe kcitcl tov ttzXcuov X\u00c3\u00b3yov,\\nro TrapQv sv TTote\u00c3\u00afv. Opmerkelijk zijn de oude verzen van\\nSolon, waarin hij zegt, dat hij, wien Apollo tot waarzeg-", "height": "4340", "width": "2664", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0218.jp2"}, "219": {"fulltext": "171\\nger gemaakt heeft, het kwaad in de verte ziet aankomen,\\n(vs. 55, pag. 77. Ed. Back.) en hij laat volgen:\\n0 jts riq o\u00c3\u00afavoq fvesrat ov\u00c3\u00af\u00c3\u00af fcpd.\\nHoe nabij lag liet besluit niet, door Horatius wettigt als\\nde overtniging der oude po\u00c3\u00abtische wereld uitgedrukt III.\\nOd. 29. vs. 29.\\nPbxdexs futuri temporis exitu\u00c3\u00bco\\nCaliginosa nocte premit Deits:\\nRidetque, si morta\u00c3\u00afis ultra\\nF as trepidat. Quod adest, memento\\nComponere aequus.\\nMaar hoe lost zich de tegenspraak op, dat de oude Grieken\\nhun bekrompen wetenschap van de toekomst erkenden, en\\nden Goden daarvoor dank wisten, terwijl zij te gelijk in de\\ntoekomst wilden zien, en de godsdienst daaraan dienstbaar\\nmaakten? Dat in de verlichtste tijden en bij de meest beschaafde\\nvolken zich menschen opdoen van een zwakken en bijgeloo-\\nvigen geest, en daar tegenover anderen, die er een sluw\\ngebruik van maken, dit is bekend: en wie weet niet dat 3\\nhoe onbeschaafder een volk was, er des te meer bedriegers\\nen bedrogenen gevonden werden, zoodat zich hier of daar\\nafzonderlijke klassen van wigchelaars vormden, en zoo digt\\nmogelijk aan de godsdienst zich aansloten? Maar het laat\\nzich moeijelijk begrijpen dat een volk, als de Grieken, in\\nwier oudste po\u00c3\u00abzij reeds zoo veel wijsbegeerte was, en wier\\ndenkbeelden over s menschen bestemming en zijne betrekking\\ntot een hoogere magt reeds voor het historische tijdperk zoo\\nontwikkeld waren; dat bij zulk een volk, zeg ik, de diuiuatio,\\neene onbescheidene poging om de eeuwige raadsbesluiten der\\nGodheid te doorzien, tegelijk met de zedelijke vereering dier", "height": "4388", "width": "2600", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0219.jp2"}, "220": {"fulltext": "172\\nhoogere magt zou ontstaan zijn, en zich gevestigd hebben als\\neen middelpunt van het huishoudelijk leven der Grieksche Staten.\\nIk weet dat hier eene ernstige tegenwerping oprijst. Indien\\nde puvreia van Apollo te Delphi, of zelfs, in het algemeen\\nde Tempelprofetie alle andere waarzeggerij en wigchelarij bij\\nde Grieken voorafgegaan is, waarom vindt men dan het Delphi-\\nsche Orakel nergens vermeld in de Ilias, waar evenwel alle\\nandere voorspelling hare vaste vormen heeft, en reeds in\\nfamilien gevestigd is? Wanneer men bij deze zwarigheid het\\ngetuigenis van Pausanias voegt (I. 34 4) die van het Orakel\\nvan Amphiaraus sprekende, schijnt te zeggen, dat buiten dit,\\novSeiq %w rpo 3iyQ$ \\\\y maar dat men toen bedreven was in\\nde wigchelarij uit droomen, vogels en ingewanden van beesten:\\nen de bekende plaats van Aeschylus, (Prom. Vinct. vs. 474 sq.)\\nwaar Prometheus de weldaden uitrekent, die het menschelijk\\ngeslacht aan hem verschuldigd is, en duidelijk van die drie-\\nvoudige wigchelarij spreekt, maar van de pccvreict, zwijgt, dan\\nzou men ligt tot de overtuiging geraken, waartoe ik zie dat\\nB\u00c3\u00b6ttiger, {Kunstmythologie, p. 83 sqq.) gekomen is, dat droom-\\nvogel- en ingewandswigchelarij eerst ontstaan is en zich ge-\\nvestigd heeft, en daarna de pavr\u00c3\u00abix, als iets redelijks en meer\\nbeschaafds opgekomen is. Ik duld gaarne dat die overgang\\nuit iets ruws tot iets beschaafds iemand toelagche, en dat een\\nander bewere dat de wigchelarij uit het Oosten naar de Grieken\\novergewaaid is: wat misschien waarschijnlijk genoeg te maken\\nzou zijn. Maar zelfs dit laatste niet aannemende, heb ik mij,\\nbij veel nasporing, niet kunnen overtuigen dat beide voor-\\nspellings-manieren iets zoo wezenlijk gemeens hadden, dat de\\neene uit de andere noodzakelijk moet voortgesproten zijn. Laat\\nons de steunpunten dier redenering nog eens van nabij bezien.\\nDe Ilias zwijgt van het Delphische Orakel. Maar in de\\nOdyssea (VIII. 79 sqq.) zingt een bard, aan den maaltijd", "height": "4352", "width": "2656", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0220.jp2"}, "221": {"fulltext": "173\\nvan Alcinous, over den twist van Achilles en Ulysses, bij\\ngelegenheid van eene offerplegtigheid gevoerd. Over de oorzaak\\nvan dien twist hebben de oude grammatici en latere uitleggers\\nveel gegist, en men zou er nog veel meer bij kunnen gissen;\\nmaar wie zal het uitmaken? De oude tafelzanger zeide er\\nniets van maar hij voegde er bij \u00e2\u0080\u009ehet verheugde Agamemnon\\ndat die twee helden twisteden want zoo had Phoebus Apollo\\nhem voorspeld in het schoone Pytho toen hij den tempel binnen-\\ngetreden was, om den God te raadplegen. Waarover, en\\nwat was het antwoord? Over den Trojaanschen togt, en het\\nantwoord schijnt geweest te zijn: als twee der grootste helden\\ntwisten, dan nadert de Trojaansche oorlog zijn einde: de zin komt\\nmij eenigzins twijfelachtig voor: de Grieksche woorden zijn:\\nrore y#p p# tcvXiv\u00c3\u00a8ero 7rtiftxro$ upx$\\nTpw 7* re aai Axvaolcrt Aioq f^eydXov Sta fiovX\u00c3\u00a9q.\\nHet Trijfta, hoe vreemd ook geplaatst, kan wel niets anders\\ndan den ondergang van Troje bedoelen, en zoo heeft Eusta-\\nthius het reeds opgevat; maar laat ons niet vergeten, dat deze\\ntwee verzen, naar het zeggen van andere oude Scholiasten, in\\nsommige handschriften ontbraken. Ik had verwacht, dat ik\\nde geheele plaats door latere uitleggers zou aangevallen vin-\\nden. Bijna alle schijnen zij aan hare echtheid niet te twijfe-\\nlen; bij mij is zij zeer verdacht. Wanneer heeft Agamemnon\\nhet Orakel geraadpleegd? v\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3r den togt: want hij heeft het\\nin persoon gedaan, W V7r\u00c3\u00a9pfivi Xdhov ov\u00c3\u00a8ov en het is hoogst\\nmoeijelijk aan te nemen, dat hij van voor Troje eene reis naar\\nDelphi terug zou gedaan hebben. En die twist der twee\\nhelden? Waarom zag Agamemnon de vervulling van het\\norakel, toen Achilles met Ulysses twistte, en waarom rekende\\nhij niet liever, in de Ilias, die vervulling nabij, toen hij zelf\\nmet Achilles in onmin was, en zij elkander scholden? Hij was", "height": "4392", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0221.jp2"}, "222": {"fulltext": "m\\nniet te nederig, om zien zelven voor een held te houden j\\nStelt men, met Mtzsch, den laatsten commentator der Odys-\\nsea, die offerplegtigheid en twist op het Grieksche strand, nog\\nv\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3r den togt, hoe onbegrijpelijk wordt het dan niet dat\\nnergens in de geheele Ilias op zulk een gewigtig orakel toe-\\ngespeeld wordt dat de Dichter waarschijnlijk kende Ik\\nverdiep mij niet verder in dit moeijelijke vraagstuk, dat naauw\\nverbonden is met de oude en nog niet geheel opgeloste vraag\\nomtrent den dichter of dichters en den betrekkelijken ouder-\\ndom der twee groote Gedichten. Ik heb het slechts aange-\\nroerd omdat ik in mijne stelling geen gebruik wilde maken\\nvan een getuigenis, aan wier echtheid ik zelf twijfelde\\nMaar ik geloof niet, dat men het noodig heeft om het bestaan\\nvan het Delphisch Orakel voor Homerus als waarschijnlijk te\\nstellen: immers in de Ilias (IX. 404) spreekt Achilles van\\nde schatten des Delphischen Tempels, als van iets buitengewoons\\nen bekends. Het blijft een onderwerp van nader onderzoek,\\n[Prof. van Limburg Brouwer neemt (Civilis. Tom. VI. p. 23) de\\nechtheid dezer Homerische plaat? in zijne bescherming, met geen andere\\nargumentatie dan deze: ,Ge\u00c3\u00abl houdt de plaats der Iliade voor echt, en\\ndie der Odyssea voor onecht. Clavier verwierp ze beide: dus moet\\nBrouwer natuurlijk verlof hebben om ze beide voor echt te houden.\\nDit schijnt scherts te wezen, die mij welkom is; het is alsof Brouwer\\nzeide: Er zitten drie Heeren aan tafel. Geel bedankt voor de schildpad-\\nsoep het is maar kalfskop zegt hij maar hij eet van den fazant. Hij\\nheeft gelijk, zegt Clavier, behalve dat hij zich in den fazant bedriegt:\\nhet is maar een kraai: ik eet van daag niet. Neen, zegt Brouwer, ik\\nheb te veel honger, ik eet van alle beide. Eten is eten: maar w r ie\\nweten wil wat hij eet, moet een schildpad en een fazant kennen. Het\\nbewijs, door Brouwer beloofd, zie ik te gemoet: indien het overtuigend\\nis, zal blijken dat ik ongelijk heb. Doch waarom dit bewijs niet nu\\nreeds gegeven? Brouwer zal antwoorden: Het zou den lezer te lang\\nophouden (zie bl. 5). Ik vrees dat de lezer niet veel gewonnen heeft\\nmet eene noot, die eene meening bevat, zonder bewijs.]", "height": "4360", "width": "2656", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0222.jp2"}, "223": {"fulltext": "175\\nwaarom juist die tempel toen reeds zoo rijk was, indien de\\ndankbaarheid der raadvragenden die schatten niet aangevoerd\\nhad, zoo als zij ze later vermeerderde. Onderzoeken wij nn,\\nten tweede, de boven aangevoerde plaats van Pausanias. Zij\\nmoet in haar geheel verband beschouwd worden: B\u00c3\u00b6ttiger\\nheeft dit verzuimd. Pausanias spreekt over den oorsprong van\\nhet Orakel van Amphiaraus en over de bron bij Oropus waarin\\nmen goud en zilver wierp (dus ook reeds orakels voor geld!)\\nVervolgens zegt hij: loCpi\u00c3\u00afy Kvuctciq: twv \u00c3\u00a8\u00c3\u00af-y.yyrZv xpViCftovs\\nj \u00c3\u00a8^XfjJrr.tt 7rapsi%sro *AuQtdpa.ov %tffaou (pduevoq rc7$ \u00c3\u00a8c.\\n0vj3#s qaXsiciy Ar.yeucv rcctry. tx stth.. Ik vrees dat Euhn-\\nkenius (ad Tim. p. 110) zich verzint, wanneer hij dezen Iophon\\ntot een Orakelui\u00c3\u00bcegger maakt: hij behoort ongetwijfeld tot de\\nklasse van Onomacritus en anderen, die oude orakelspreuken\\nvan duisteren oorsprong kenden en misschien zelve in verzen\\nbragten. XowrpoA\u00c3\u00b3yoi en \u00c3\u00a8^yv.TyJ zi]n benamingen wier beteeke-\\nnis bij de Ouden wankelt tusschen orakelgevers en orakel-\\nuitleggers: ik moet er later op terugkomen. Maar die opvatting\\nvan den natuurlijken zin bij Pausanias is van gewigt in de\\nuitlegging der geheele plaats: want hij laat verder volgen, wat\\nik reeds vroeger aangestipt heb: %u$$ \u00c3\u00aff. tA-^v oo-ovc.il; AtoA-\\nXuvqc. ftctvyvcti X\u00c3\u00a9ycvct ra u,p% 7ov fzdvrs\u00c3\u00a9v y ovlslc XPWf*\\nXbyoc. yy kytzQ\u00c3\u00b3i \u00c3\u00a8s ovefparz \u00c3\u00a8%Y]y/G M r6su xxi Siayvi\u00c3\u00afvou tttyivsic\\nopyjfiw kou (T7rXdy%vz tsjpmi woordelijk vertaald: \u00e2\u0080\u009emaar bui-\\nten dat (of dien) was, behalve diegenen, die men oudtijds\\ndoor Apollo bezetenen noemde, geen der pdvreiq een eigenlijk\\nwaarzegger, maar zij waren bedreven in de wigchelarij uit\\ndroomen, vogels en ingewanden van offerdieren. Achter %ccplq\\nwordt iets verstaan; maar wat? B\u00c3\u00b6ttiger zal aanvullen:\\nrov pavreiov rcv AftQ\u00c3\u00afeqdov \u00e2\u0080\u009ebuiten het Orakel van Amphia-\\nraus; en dan heeft hij terstond een vrij bruikbare getuigenis\\ndat het Delphische Orakel toen nog niet bestond. Maar ik", "height": "4396", "width": "2620", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0223.jp2"}, "224": {"fulltext": "176\\nbeweer dat Pausanius enkel rov Aptpiapdcv verzwegen heeft:\\n\u00e2\u0080\u009egeen pdvrtq, zegt hij, bniten Amphiaraus niet nadat deze\\ndoor de aarde verzwolgen was, en zijn Orakel zich gevestigd\\nhad maar toen hij nog leefde en volgens den Exegeet\\nIophon, een (auvtic was, die xpvefAGi door overlevering ont-\\nvangen had 1 Pausanias heeft het aan ons overgelaten om\\nonder die Apollo-bezetenen de Pythia mede te rekenen; doch\\nal heeft hij met zulke fjtdvretq priesters en waarzeggers buiten\\nDelphi bedoeld, voor welke opvatting andere oude getuigenis-\\nsen pleiten, dan blijft het Pythische Orakel nog onaangeroerd\\nin het midden. Bovendien vind ik bij Euripides [Ipliig.\\nTaur. vs. 1201 sqq.) een Beizang, die ongetwijfeld op eene\\noude traditie rust, waarvan ik nergens sporen heb kunnen\\nvinden. Het koor is te lang om het geheel aan te halen;\\nmaar de loop der gedachten is als volgt: f/ Apollo overwon in\\nzijne jeugd den Pythischen draak, en nam bezit van het Ora-\\nkel: want hij verdrong Themis, die er gevestigd geweest was;\\n[De Heer Brouwer (Civilis. 1.1. p. 38) heeft mijne uitlegging\\nbestreden, en ik geef het hem gewonnen. Doch het was welligt niet\\nnoodig geweest mijne redenering onnoozeler te doen voorkomen, dan zij\\ninderdaad is. Dit zal ook wel het gevolg van een misverstand zijn. Of\\nPausanias aan de echtheid dier geversificeerde orakelspreuken van Am-\\nphiaraus geloof geslagen heeft, kan ik zeer goed in het midden laten;\\nzelfs geef ik den Heer Brouwer toe, dat Pausanias toont te twijfelen.\\nMaar ik mag niet toegeven, dat \u00e2\u0080\u009een ajoutant en pensee yo)Qiq A^cpt,-\\nagdov on excepte justement la seule personne, pour laquelle Pau-\\nsanias a construit sa phrase et Von renverse tout son raisonnement.\\nWaarom zou in yjoQ\u00c3\u008fq niet kunnen liggen: \u00e2\u0080\u009ebuiten Amphiaraus, dat is,\\nbuiten hetgeen Iophon van Amphiaraus beweerde? Z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3, ten minste,\\nwas het door mij bedoeld. Is daardoor de redenering van Pausanias\\nminder eene wederlegging van Iophon? Nadat ik zelf, ad Dion. p.\\n190 iets aangeteekend heb over de cumulatie der adverbia mag ik mijne\\nvroegere uitlegging der plaats van Pausanias niet doordrijven: ook doet\\nzij niets tot het gebruik, dat ik van zijne woorden gemaakt heb.]", "height": "4356", "width": "2660", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0224.jp2"}, "225": {"fulltext": "177\\nmaar Tellus, de moeder van Themis, hierover verbolgen, ver-\\nwekte de waarzeggerij die het toekomende door duisteren\\nonderaardschen slaap voorspelt, om aan het Orakel van Apollo\\nzijn aanzien te benemen. Apollo besteeg den Olympus en\\nop zijn verzoek deed Jupiter de droomwaarzeggerij zwijgen,\\nen herstelde den Delphischen God in zijne eer. Dit alles\\nschijnt te doelen op het Orakel van Amphiaraus, misschien\\nook op dat van Trophonius en ieder andere inrigting van\\ntooverij en begoocheling die meer raadplegers trok dan\\nhet Delphische Orakel. Ik heb te vergeefs naar eene\\nuitlegging van deze moeijelijke plaats bij anderen gezocht:\\nde mijne geef ik voor niets meer dan eene gissing: zoo zij\\nvalsch is, zal ik dit gaarne bewezen zien: tot zoo lang zal ik\\nze gebruiken bij de uitlegging van Pausanias woorden, die ik\\nzoo even behandeld heb. Het derde steunpunt voor de\\nmeening van B\u00c3\u00b6ttiger was, zoo als ik zeide, de plaats van\\nAeschylus, waar Prometheus zijne weldaden, aan het eerste\\nmenschdom bewezen, optelt, en daaronder de drie deelen der\\nwigchelarij rekent. Maar wat bewijst zij? De wigchelarij werd\\neene menschelijke kunst; de (Aavre\u00c3\u00afx was reeds en bleef goddelijk\\nen Prometheus kon, in den zin der Ouden, aan het menschen-\\ngeslacht geen Orakel van Apollo of van Jupiter schenken.\\nVatten wij nu zamen, wat tot hiertoe, zoo niet betoogd,\\nten minste aangewezen is.\\nDe Doriers hadden een streng en eenvormig beginsel van\\nhandeling, volgens welk het leven van ieder enkelen burger\\nin dat van den staat opging, het privaatregt zich in openbare\\ngebruiken en zeden oploste en de staat een harmonisch af-\\ngesloten, maar nagenoeg stilstaand, geheel was. In de dienst\\nvan Apollo hebben zij dat beginsel zinnebeeldig uitgedrukt: in\\ndeze uitdrukking leeft de geest van den Staat. Sedert de oudste\\ntijden geeft die Godheid orakelspreuken, en van de vroegste\\n12", "height": "4364", "width": "2588", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0225.jp2"}, "226": {"fulltext": "178\\ngetuigenis af, die de Grieksche geschiedenis in dicht of ondicht\\ngeeft, wordt aan dien God de ftavrefa, als eene weldaad\\njegens het menschendom toegeschreven, terwijl evenwel de\\ndenkenden onder de Grieken van ouds overtuigd waren, dat\\nde wetenschap der toekomst niet begeerlijk was. Ik kom\\ndus terug op hetgeen ik bewijzen wilde, dat die ftuvreta, in\\nhare oorspronkelijke bedoeling geen bloote nieuwsgierigheid naar\\nde toekomst was. Inderdaad, een beginsel, welks kracht in\\nzijne ongeschondenheid bestond, en welks schending de rede\\ntoont en de geschiedenis bewezen heeft, op vernietiging uit\\nte loopen, moest door hen, die de leiding der zaken op zich\\nnamen heilig bewaard worden. Nergens was dus het verband\\nvan godsdienst en staatkunde natuurlijker en heilzamer dan\\nin de Dorische maatschappijen en al gaf hunne latere geschie-\\ndenis ons geene aanleiding om over het doel hunner vroegste\\ninstellingen te oordeelen dan zou toch het besluit veilig wezen\\ndat de dienst van Apollo, wier minder gewigtige deelen aan\\nde bewaring van het aangewezen beginsel dienstbaar waren,\\nhaar allergewigtigst gedeelte, de (Auvreix namelijk, tot het\\nzelfde einde bestemd had.\\nIk zal deze redenering nog ter toetse brengen op eenige\\noverleveringen en verschijnselen.\\nYolgens een oud verhaal, kort te voren door ons bij Euri-\\npides opgemerkt, en reeds bij Aeschylus (Ihmen, vs. 2 sqq.)\\nte vinden, was het Orakel van Delphi door Tellus gesticht,\\nen een draak hield er de wacht bij. Hierin zien sommigen\\nde slangen-wigchelarij en meenen dat de vermelding van Tel-\\nlus een aanhangsel is, omdat een slang de aarde voorstelt.\\nZou het niet veel eenvoudiger zijn, de zaak om te keeren,\\nB\u00c3\u00b6ttiger Kunstmythol. p. 115. Cf. Jacob. adLucian. Alex. c. 15. p. 37.", "height": "4352", "width": "2648", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0226.jp2"}, "227": {"fulltext": "179\\nen te zeggen: de geest der goddelijke profetie steeg (zoo zeide\\nmen) uit den grond op, en voer in de priesteres van Apollo?\\nDaarom zeide men dat het Orakel van Tellus was: het werd\\ndoor een draak bewaard: waarom, weet ik nog niet: bij de\\nbron, die in de geschiedenis van Cadnius voorkomt, was een\\ndraak: de gouden appels der Hesperiden waren onder de hoede\\nvan een draak bij het gulden vlies lag een draak en al deze\\ndraken hadden niets gemeen met de slangen-wigchelarij. Op-\\nmerkelijk is het dat, volgens Pausanias (X. 5. 5.) aan Tellus\\ntot eerste priesteres Daphne gegeven wordt, terwijl de laurier\\nbij reinigingen en voorspellingen steeds een der teekens in de\\ndienst van Apollo was. Naderhand, zegt het verhaal, zou\\nTellus het Orakel aan Themis overgegeven hebben van wie\\neindelijk Apollo het ontving. Deze overlevering wordt van\\ngrooter gewigt, wanneer men er naast stelt, wat Diodorus\\nSiculus (Y. 67) zegt, ik weet niet uit welke bron: Q\u00c3\u00a9piv \u00c3\u00b3e\\n(\u00c3\u00a9v\u00c3\u00aaoA6 i yi\u00c2\u00ae\u00c2\u00a3t x. t. A. \u00e2\u0080\u009eMen verhaalt dat Themis het eerst de\\nwaarzeggerij en de plegtigheden bij offerhanden en godsdien-\\nstige feesten ingevoerd heeft. Inderdaad, wanneer het Ora-\\nkel van Apollo een antwoord geeft, dan zeggen wij dat hij\\n^-Aicjvei, hetwelk daar van daan komt, dat Themis de uit vind-\\nster der Orakels geweest is. Die uitlegging blijft voor reke-\\nning van Diodorus zij is onnoozel genoeg om van hem zelven\\nte zijn. Wesseling zegt aldaar in eene geleerde noot, die wel\\neens door lateren geplonderd is, en die voorbeelden bevat,\\nwaarin fepi\u00c3\u00afqt\u00c3\u00a9\u00c3\u00a9tv bij de oudste dichters de aangewezen betee-\\nkenis heeft: \u00e2\u0080\u009eego emsam arbitror reriore\u00c3\u00bci, quod Phoebi ex\\n1 Men bemerkt hier, zoo als meest, eene verwarring in de traditie.\\nApollo doodt den draak, en hij volgt op, zegt de eene; en Themis\\nvolgt op, zegt de andere. Deze verscheidenheid is reeds eene duistere\\naanwijzing, dat Apollo en Themis op hetzelfde doelden.\\n12*", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0227.jp2"}, "228": {"fulltext": "180\\ntrijpode responsa totidem decreta et leges censerentur tota Graecia\\nHierin ligt slechts een gedeelte der waarheid: de geheele waar-\\nheid schijnt te zijn, dat in de persoon van Themis zelve de\\naanwijzing schuilt van het doel der Delphische instelling. Daar\\nwerd de wil van Jupiter verkondigd. Apollo zegt zelf in den\\nHymnus te zijner eer, zeker door een zeer ouden dichter ge-\\nzongen: (vs. 129 sq.)\\nDie wil van Jupiter was deels niets anders dan de vervulling\\nvan het noodlot, volgens de oude denkbeelden, maar tevens\\nook wat tegenwoordig, in het oogenblik zelf, pligt was en\\ngeschieden moest omdat het goede en het kwade beide hunne\\nnatuurlijke gevolgen in de toekomst hadden. Ik vind nergens\\nhet verband dier twee denkbeelden duidelijker, dan in een\\norakel, door Pausanias vermeld: (IX. 32. 10.) \u00e2\u0080\u009eSchoon de\\nLacedaemoniers het bezit van rijkdommen afkeurden, volgens\\neene godspraak, dat alleen de geldzucht eene oorzaak van Spar-\\ntaas ondergang zou worden, heeft Lysander hun den smaak\\ndaarvoor gegeven. Het was eene wijze les voor de Spartaan-\\nsche Doriers, maar die zij, tot hun verderf, in den Pelopon-\\nnesischen oorlog vergaten. Zij toont hoe diep de blik van de\\nDelphische Orakelschool doorgedrongen was in het wezen en\\nin de voorwaarden van het Grieksche Staten- verband. Ook\\nherinnert ieder zich dat schoone en beroemde antwoord, door\\nLeotychides in den Atheenschen Eaad vermeld (bij Herod. VI.\\n86). Glaucus, een Spartaan, leefde drie menschengeslachten\\nv\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3r den verhaler. Dewijl er een groote roem van braafheid\\nen regtvaardigheid van hem uitging, was hem een schat toe-\\nbetrouwd. Maar toen de eigenaars dien schat terug vroegen,\\nwas de begeerlijkheid reeds in hem ontwaakt, en hij raad-", "height": "4340", "width": "2656", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0228.jp2"}, "229": {"fulltext": "181\\npleegde den God te Delphi, of hij zweren mogt het goud\\nnooit ontvangen te hebben. Het Orakel antwoordde:\\nTXccvic EmicvSeiSYi ro psv ccvriaa tc\u00c3\u00a9pSiov ovrcc\\nr/ OpXW VtKljVGU.\\n\u00e2\u0080\u009eHet zal u geldwinst aanbrengen, zoo gij den eed zweert,\\nen het goud rooft. Zweer, Glaucus! want ook de regtvaardige\\nontgaat den dood niet; maar het kroost van den eed zal,\\nzonder voeten, den meineed achtervolgen, en, zonder handen,\\nzal het geheel de nakomelingschap van den meineedigen grij-\\npen en verdelgen. Glaucus smeekte om vergiffenis, maar\\nhij werd weggezonden met dit antwoord: \u00e2\u0080\u009eden God te ver-\\nzoeken en de daad te plegen, is \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n. Er is een diepe\\nernst bij de groote eenvoudigheid van dit verhaal 1 Zulke\\nDe kritiek kan zeggen dat het orakel verzonnen was, welligt door\\nLeotychides zelven: want de vraag van Glaucus was eene ongerijmdheid,\\nzoo het Orakel niet toen reeds (wat onmogelijk is) zijn crediet geheel\\nverloren had: en de Grieksche geschiedenis is ongetwijfeld vol van\\nverzonnen orakels, om verschillende redenen naderhand verdicht: waarom\\nook bij de behandeling der godspraken de grootste omzigtigheid noodig\\nis. Maar al zijn Glaucus en het antwoord, dat hij ontving, verdicht-\\nsels, de geest en strekking van den Pythischen Apollo blijken er toch\\nduidelijk uit. Het zou een moeijelijke, maar vruchtbare arbeid zijn,\\nde echtheid der Pythische Orakel-spreuken stuk voer stuk te onderzoeken\\nwant men moet een onderwerp, als ons tegenwoordige, behandelen, om\\nte ondervinden hoe vele van die spreuken in verdenking vallen, dat zij\\ndoor dichters en geschiedschrijvers verzonnen of door mondelijke over-\\nlevering, misschien door de Delphiers zelve, later uitgestrooid zijn.\\nUit dit onderzoek zal, geloof ik, moeten blijken dat de Orakel-antwoorden,\\ndie wezenlijke voorspellingen bevatten, grootendeels het oude en algemeene\\nbegrip hebben doen ontstaan, dat de Delphische Godspraak eene instelling\\nvan profetie was. Wanneer dus een wij sgeerig historisch onderzoek\\n(ons tegenwoordige is slechts eene eerste poging) a priori het laatste\\nzal omvergeworpen hebben dan zal de kritiek met de eerste op vasteren\\ngrond staan.", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0229.jp2"}, "230": {"fulltext": "182\\nlessen waren inderdaad Q\u00c3\u00a9ftihs, rigtsnoeren van gedrag voor\\neen volkstam die zulke beginsels moest handhaven met al de\\nkracht van een goddelijk gezag, omdat zij zelve de zaden\\nvan het bederf in zich droegen, en omringd waren door afdee-\\nlingen van een anderen stam, wier onstandvastigheid en ligt-\\nzinnigheid hen met een schadelijken invloed bedreigden. Zoo-\\ndanig was, naar mijn inzigt, de eerste oorsprong der Grieksche\\nftctvrstcc, welk woord zelf misschien te onregt door Plato (Phaedro\\np. 224 ab.) van ppJveG-Qcu in geestvervoering zijn, afgeleid\\nwordt, hoezeer p4wt4 en pa\u00c3\u00afvse su uit \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n zelfden wortel mo-\\ngen gesproten zijn, die zonder twijfel pau is, hetwelk men in\\nzeer vele afstammingen wedervindt, met de beteekenis van be-\\ngeer en zoeken uitdenken liet uitgedachte vasthouden zich her-\\ninner en. Welligt is daarom de oorspronkelijke beteekenis van\\n(tdvri$, zoeker, uitdenker, wijze, misschien ook vermaner. Men\\nziet hoe weinig het gewaagd is overeenkomst te zoeken tusschen\\nudvru; en M\u00c3\u00a9vrvig (mens, mentisj den naam van den koning\\nder Taphiers, wiens gedaante door Minerva in de Odyssea\\naangenomen wordt, om Telemachus met raad en daad te hel-\\npen. Dat de dichter der Odyssea veel verzonnen eigennamen\\nmaakt, toepasselijk op het bedrijf van hen die ze voeren, is\\ntegenwoordig genoegzaam uitgemaakt. Die beteekenis dus van\\nf \u00c3\u00a9,vriq is even eenvoudig als de eerste kracht van %pSv, het\\nnoodige verleenen, het verlangde mededeelen, duidelijk in het\\nboven aangehaalde oude vers xP$ ca T ^paTrotci Atvq vtftep-\\nr\u00c3\u00a9a PovXyj-j, doch waaraan later het denkbeeld der voorspel-\\nling met den ganschen toestel van geestvervoering en tempel-\\nplegtigheden zich hechtte. Bij deze etymologische gissing voeg\\nik nog eene symbolische. Ik heb reeds van den laurier gespro-\\nken. Het dubbel gebruik daarvan overal waar Apollo vereerd\\nwerd, als teeken van reiniging of van voorspelling, is door\\nvelen opgemerkt, maar, zoo veel ik weet, niet uitgelegd: en", "height": "4360", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0230.jp2"}, "231": {"fulltext": "183\\nechter kan het verband ook hier zeer eenvoudig zijn, omdat\\nbij de verzoeningen en reinigingen, die zoo menigvuldig zijn\\nin de gewijde feesten van Apollo, ook zijne [tuvreia zich aan-\\nsluit als een middel om alle smet af te weren of uit te wis-\\nschen, die, door eene handeling tegen den noodzakelijken loop\\nvan het noodlot, aankleefde of aankleven kon. Hoe gemak-\\nkelijk dit verband mij ook voorkomen moge, wil ik evenwel\\nniet wagen te onderzoeken waarom juist de laurier dit symbo-\\nliek teeken was l Ook onthoud ik mij verder van alle\\ngissing.\\nIk zou hier eigenlijk aan het einde van mijn onderzoek zijn\\ndat slechts de oorspronkelijke bedoeling van Apolloos pavreta\\nen den aard zijner godspraken betrof, indien ik niet in een\\nkort overzigt der latere geschiedenis van zijn Orakel eenige\\nondersteuning voor het beweerde meende te zullen vinden.\\nIk zal dit overzigt uit twee standpunten nemen uit den vorm\\nder orakelspreuken, en uit derzelver politieke strekking.\\n1. Indien het Orakel (zou men met reden kunnen zeggen)\\nminder bestemd was om te voorspellen wat in de toekomst\\ngeschieden zou, dan om voor te schrijven wat in het tegen-\\nwoordige geschieden moest dan was de duidelijkheid een eerste\\nvereischte van deszelfs uitspraken. En hoe was het hiermede\\ngelegen, en hoe dacht de Oudheid zelve daarover? Be\\nduisterheid of dubbelzinnigheid der Delphische godspraken was\\nbijna tot een spreekwoord geworden. Het oudste oordeel, dat\\nmen daarover vindt, is van Heraclitus (bij Plut. de Pyth.\\nOrac. p. 404* d.). Hij zeide: b avcc%, cv ro [tctvrelov ro sv\\nAsX(po7q QbTS X\u00c3\u00a9yei g-jts zfVTrrsi uXXa, o-yipciivei. Doch hoe\\nmoeten deze woorden zelve verstsaan worden? Ik vind ze door\\ntwee geleerde en scherpziende mannen ten halve uitgelegd:\\nl Zie eene vernuftige gissing bij Muller, Dor. 1. p. 336 sq.", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0231.jp2"}, "232": {"fulltext": "184\\ndoor Muller, die in zijne Dorier, II. p. 339 van deze woor-\\nden zegt: \u00e2\u0080\u009ewomit wenigstens der haufigen Yorstellung von\\n\u00e2\u0080\u009eeiner gesuchten Ambiguitat dieser Orakel widersprochen wird\\nen door Lobeck, in zijn Aglaophamus p. 842, die de plaats\\nvan Heraclitus aangehaald hebbende, er bijvoegt: \u00e2\u0080\u009enon semper\\n\u00e2\u0080\u009equidem: nam fait etiam, quum Pythius verbis claris, quid\\n\u00e2\u0080\u009efacto opus esset, praeciperet. Indien X\u00c3\u00a9yetv en xpvz-rsw\\nzeggen en verbergen, twee uitersten zijn, naar het oordeel van\\nHeraclitus, dan ligt het vqfAatvsw tusschen beide in, en\\nbeteekent noch duidelijk zeggen noch geheel onbegrijpelijk\\nmaken. Wat hier tusschen ligt beteekenen door iets midde-\\nlijks aanduiden zonder uitsluiting der dubbelzinnigheid, schijnt\\ndoor Heraclitus op den geheelen vorm der orakelspreuken\\ntoegepast te worden: bestaande, namelijk, zoo wel in de\\nwoorden, als in de zaak. Wat de woorden betreft, heeft\\nDionysius Thrax volgens getuigenis van Clemens Alex. (St?-om.\\nV. 231 sq.) volkomen hetzelfde gezegd: hij spreekt van de\\nsymbolische voorstellingen der Ouden, en laat volgen: \u00c3\u00a8ffypaivov\\nyevv ov ha X\u00c3\u00a9^saq povov aXXa xai Sta ovftfioXw evtot raq\\n7rpd%\u00c2\u00a3t$ Sta X\u00c3\u00a9^eu: p\u00c3\u00a8v uq s%et ra XeySpeva keXCptxa\\nTrapayy\u00c3\u00a9XfAara, terwijl Clemens zelf zegt: al 7rpo(pyTSiai %ai ol\\nXPVjcrfAci\u00c3\u00af X\u00c3\u00a9yovrat \u00c2\u00a3t ah\u00c3\u00afyf\u00c3\u00b6\u00c3\u00b3rm. Dit laatste geeft Lobeck\\neene aanleiding om uit zijne onbegrensde belezenheid een\\nbetoog zamen te stellen, dat er geenerlei gezochte dubbel-\\nzinnigheid noch duisterheid in de woorden der Delphische\\norakelspreuken bestond. De hoofdpunten daarvan zijn deze:\\n\u00e2\u0080\u009eDe taal was die van het dagelij ksche leven door geen\\ngeschreven literatuur gepolijst en ontzenuwd metaphorisch\\nen beeldrijk: hierbij kwam het Delphische dialekt, waarvan de\\nkennis in Griekenland niet algemeen was. Zijne manier van\\nbewijzen is nieuw en treffend, gelijk alles wat door diepe na-\\nsporing een oud en nog vastgehouden vooroordeel omverwerpt.", "height": "4356", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0232.jp2"}, "233": {"fulltext": "18c\\nIk vrees echter dat Lobeck in zijn ijyer tegen het misbruik\\nder symboliek een weinig te ver gegaan is. Ik voor mij, ten\\nminste, zon zijne redenering slechts omtrent de oudste orakels\\nlaten gelden. Toen de figuurlijke taal nog die van het dagelijksche\\nleven was, kon zij in eene orakelspreuk geen gezochte duisternis\\ndoen vooronderstellen. Maar toen de taal veranderde, (en dit\\ndeed zij) waarom behield de Godspraak toen nog lang het\\noude? en waarom bediende eene Instelling, die den geheelen\\ntoestand, eerst der Dorische bevolkingen, en later van gansch\\nGriekenland in het oog hield en hunne belangen leiden wilde\\nwaarom bediende zij zich van een dialekt, dat voor velen on-\\nverstaanbaar moest wezen? \u00e2\u0080\u009eom de aandacht der raadplegenden\\nop te wekken, zegt Jamblichus (bij Stob. LXXIX. 471) die\\ntegelijk de boven vermelde woorden van Heraclitus aanvoert.\\nMaar had hunne aandacht dan een prikkel noodig? Anderen\\nzeggen: \u00e2\u0080\u009eomdat een beeldrijke voorstelling het verstand aan-\\ngenamer streelt, en meer indruk maakt, dan eene eenvoudige\\nen eigenlijke: maar een raadpleger kwam niet om gestreeld\\nte worden, en een eenvoudig antwoord: \u00e2\u0080\u009edit moet gij doen\\nof \u00e2\u0080\u009edat moet gij laten, was, door den toon van het gezag,\\nveel eerbiedwekkender dan raad of gebod die met vernuft en\\nwoordspelingen medegedeeld werden. Lobeck schijnt die zwa-\\nrigheid gevoeld te hebben; want hij zegt (p. 846); \u00e2\u0080\u009eAd\\nextremum, si quid parum perspicue dictum videretur, praesto\\nerant, qui consulentibus omnem eximerent dubitationem et\\nerrorem, Exegetae Delphici, quos de ambiguis responsis in\\nconsilium adhibitos esse testatur Pausanias, X. 10. 3. en\\nhiermede rekent hij de zaak afgedaan. Het verwondert mij\\ndat zulk een uitstekend geleerde onder de uitstekenden, die\\nzich steeds als partij stelt tegen het SgvXsvbiv r% vttc\u00c3\u00afsg-si ik\\nzeg niet, zoo veel gewigt aan een orakel hecht, dat ongetwijfeld\\ntot de later verzonnene behoort, maar den Schrijver, bij wien", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0233.jp2"}, "234": {"fulltext": "186\\nhij de traditie vindt, verkeerd opvat en misbruikt. Ik ben\\nverpligt het geheele verhaal mede te deelen. \u00e2\u0080\u009ePhalantus, de\\nSpartaan, zou eene Colonie gaan stichten: Xoyiov Ja\u00c3\u00b6sv m*rip\\n\u00c3\u00a8a AsXtpi\u00c3\u00afv het is dus reeds onzeker of hij zelf naar Delphi\\nvertrokken is; maar het Xoyiov was, vsrov ccvrov ccla^\u00c3\u00b3^evov\\nV7TQ a ikpx, Tyv\u00c3\u00bcccivTX, xc\u00c3\u00bc %(\u00c2\u00a3pav XTfaucrQai xc\u00c3\u00bc ttq Alv \u00e2\u0080\u009eals hij\\nregen gevoelde onder den onbewolkten hemel dat hij dan het\\nland waar hij zich bevond in bezit moest nemen en er eene\\nstad stichten: 35 to ixsv 7rc pccvTticcc ovre ISix rb (^oivrev^cc\\nS7Ti r}csty [ASVQ$ 9 ovrs 7rpoq ri\u00c3\u00afv \u00c3\u00a8fyyyruv rivu avsucotvu Fa$. \u00e2\u0080\u009eIn\\nhet begin overdacht hij bij zich zelven den zin van het orakel\\nniet, en raadpleegde er met niemand van de \u00c3\u00a8^yvrcti over,\\nmaar hij stevende naar Itali\u00c3\u00ab. Daar landde hij aan de zuidelijke\\nkust en vocht met de inboorlingen. Ofschoon hij overwinnaar\\nwas, gelukte het hem noch om eenig land te vermeesteren,\\nnoch om eene stad te veroveren. Nu dacht hij na over het\\norakel, dat hem toescheen eene onmogelijkheid te bevatten, en\\nhij werd mismoedig. Zijne echtgenoot, die hem vergezelde,\\ndeed alles wat zij kon om hem te troosten zij sprak hem\\nvriendelijk toe: zij legde zijn hoofd in haren schoot, en (men\\nvergeve de eenvoudigheid van het oude verhaal,) zij luisde\\nhem onder een weemoedig geschrei. De lucht boven hen was\\nonbewolkt en helder, en hare tranen vielen op zijn hoofd.\\nPhalantus voelt ze, en bedenkt dat zijne huisvrouw A i pu heet.\\nHij begrijpt dat het orakel vervuld is, en den volgenden nacht\\nneemt hij Tarentum in. Waar zijn nu de Delphische Exe-\\ngeten? Het is bekend, en eene noot van Euhnkenius (ad\\nTim. p. 110) is rijk aan bewijzen, dat bij alle Tempels en\\nheilige plaatsen zich Exegeten, uitleggers, bevonden, misschien\\ndeels om brood te verdienen y deels met eene aanstelling, om\\naan de bezoekers dier plaatsen de religiones te ontvouwen. Dat\\ner ook te Delphi zulke \u00c3\u00a8fyyvirc\u00c3\u00bc waren, is natuurlijk, en de", "height": "4360", "width": "2620", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0234.jp2"}, "235": {"fulltext": "187\\ngeschiedenis en uitlegging van al- de tempelgeschenken van Apollo\\nmaakten hen reeds noodzakelijk maar denzelfden naam gaven de\\nGrieken tevens aan de uitleggers van droomen voorteekenen enz.\\nApollo zelf wordt in een dergelijken zin Iftfyjfrjte tv\\\\c xXy$stci$\\ngenoemd door Aristides. (Zie Mor. ad Arist. Zeptin. T. II.\\np. 672. Ed. Lips.). Deze It-AyATVA zworven door geheel Grie-\\nkenland: Zij zullen evenzeer te Sparta geweest zijn als elders\\nen de woorden van Pausanias, cvre 77(0$ twv \u00c3\u00a8^yntruy tw\\nuvcucqivuc-z; duiden niets meer aan dan het algemeene genus\\ndier menschen. Maar ik oordeel zelfs dat de Delphiers\\nzulke uitleggers van hunne orakels bij zich niet geduld, veel\\nminder aangesteld zouden hebben. Indien de orakels duidelijk\\nwaren, dan waren de uitleggers overtollig; indien zij onduide-\\nlijk waren, dan was die duisternis gezocht of niet gezocht:\\nin het eerste geval moest zulk een uitlegger hun in den weg\\nzijn, hetzij dat het Orakel in het blinde schermde, of een\\nzoogenaamde uitlegging de ongerijmdheid nog beter aan den\\ndag bragt, hetzij dat er dubbelzinnigheid in de zaak was, en\\nde raadpleger zoo min mogelijk ze moest gevoelen; in het\\nlaatste geval, wanneer namelijk het duistere ongezocht en toe-\\nvallig was dan zou die uitlegging slechts hebben mogen\\nbestaan in het ophelderen van figuurlijke spreekwijzen en Del-\\nphische dialektvormen. Dit is te ongerijmd om er aan te\\ndenken, tenzij meu zulke uitleggers, zonder eenig bewijs, in\\nlatere tijden aanneme, toen de geheele instelling een ellendig\\nspel geworden was, In de oudste tijden vindt men er zeker\\ngeen spoor van ook daar niet waar men hen verwachten zou.\\nWaarom werd Croesus door geen Exegeet geholpen? hij\\nzou misschien zijn rijk niet verloren hebben. Waarom was er\\ngeen Exegeet bij de hand toen de Atheniensers bij het naderen\\nder Perzen het beroemde orakel ontvingen zij gingen er mede\\nnaar huis, en daar eerst, zoo als Herodotus verhaalt (VII.", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0235.jp2"}, "236": {"fulltext": "188\\n142), werd over den zin der houten muren geraadpleegd:\\nterwijl nog daarenboven de ^p^oA\u00c3\u00b3yo* ongetwijfeld menschen\\nvan dezelfde soort als de Exegeten, wat het Orakel omtrent\\nSalamis gezegd had, geheel verkeerd uitlegden! Hiermede is\\nevenwel niet gezegd dat de raadplegers te Delphi in het geheel\\ngeen wenken ontvingen van menschen die met het Orakel in\\nverband stonden, of er iets mede te doen hadden. Men vindt\\ner een spoor van in dezelfde plaats van Herodotus, zoo even\\naangehaald. Want toen de Atheners betreffende den Perzischen\\noorlog eerst een geheel ontmoedigend antwoord ontvingen,\\nweifelden zij en zouden wanhopend vertrokken zijn, zoo niet\\nTimon, een aanzienlijk Delphier, hen opgebeurd en hun aan-\\ngeraden had de Godspraak nog eens te raadplegen. Dit kan\\nniet wel geschied zijn buiten verstandhouding van Timon met\\nhet Orakel. Ook vermeldt Plutarchus (De Ome. Bef. p. 417. f.\\nen 433. c.) AeXtpi\u00c3\u00afv \u00c3\u00a8eoXoycvq en rovq Koyi\u00c3\u00a8rirovq AsA^wv.\\nIk moet tot eenig besluit komen. De oudste taal van\\nhet Delphische Orakel was eenvoudig: wat er figuurlijk in\\nwas, werd verstaan. Toen de beschaving langzamerhand het\\nbonte kleed der beeldspraak in onbruik bragt, en het Dorisch\\nbeginsel ontaardde en zich allengs oploste in het algemeene\\nbederf, toen heeft het Delphische Orakel zich nog lang wankelend\\nstaande gehouden, omdat het geloof aan zijne goddelijkheid\\ndiep geworteld was en de geschenken der raadplegers voortdurend\\nbinnenstroomden; maar het moest zich door dubbelzinnigheid\\nvan bedoeling handhaven. Het zou dwaas geweest zijn, indien\\nhet een gereed middel, dat daartoe voor de hand lag, de taal,\\nniet gebruikt had het vermeerderde de duisterheid door eene ver-\\nouderde figuurlijke spreekwijs en door eene stoute en ongewone\\nbeeldspraak Ik mag hier aan Plutarchus het woord gegeven (De\\nl Ik beken dat dit betoog de levendige, maar eenigzins enthusiastische", "height": "4352", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0236.jp2"}, "237": {"fulltext": "189\\nPyth. Orac. p. 407 a.) Nadat er duidelijkheid in de orakels\\ngekomen is, zegt hij, is ook het geloof verminderd. Oudtijds\\nwerd alles, wat ongewoon en met een nevel van onzekerheid\\nomtogen was, met ontzag als iets bovennatuurlijks ge\u00c3\u00aberbie-\\ndigd; naderhand begeerde men duidelijk en gemakkelijk zonder\\nsierlijkheid of gezwollenheid van uitdrukking te leeren en men\\nbegon de poezij waarin de orakels gekleed waren te verden-\\nken, niet alleen omdat zij aan het goede verstand hinderlijk\\nwas, maar omdat overdragtelijke spreekwijzen en raadselachtige\\ndubbelzinnigheden begonnen beschouwd te worden als geopende\\nuitvlugten, indien soms de uitkomst aan de voorspelling niet\\nbeantwoordde. De brave, maar al te geloovige, Plutarchus\\nspreekt tegen wil en dank waarheid: want zijne eigenlijke\\nmeening is, dat de profetische kracht, die uit de Delphische\\nspelonk ademde, vervlogen was, even als wij zouden zeggen,\\ndat een minerale bronader ophoudt te vloeijen. Hij staat op\\ndat moeijelijke standpunt, waar het geloof met den twijfel\\nworstelt: en hij is immers de laatste niet geweest van hen\\ndie daarop stonden te wankelen, en eindelijk oversloegen tot\\neene gemakkelijkheid, die een redelijk onderzoek ontwijkt!\\nNemen wij wat hij geeft: want wat hij zegt, schildert, dunkt\\nmij, volkomen den tusschenstand tusschen den bloei en het\\ngeheele verval van het Orakel. In dien tusschentijd zou ik\\nantwoorden plaatsen zoo als Philippus de Macedonische\\nKoning, er een ontving, (volgens Suidas) kpyvpsatq \\\\by%u,i ji\\npu%Qv %exX tt vtz, KpcirYiGeiq: //Strijd met zilveren lansen, en\\nredenering van Prof. Van Hensde In. Phil. Plat. I. p. 125, onder-\\nmijnt; ik zou. echter niet daarom terstond kunnen instemmen met de\\ntegenwerpingen van Prof. Bake, Bibl. Cr. N, IV. p. 31. Beide mijne\\nvrienden zullen iets moeten laten glippen, de eene van zijne goddelijke\\nen de andere van zijne menschelijlee po\u00c3\u00abzij.", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0237.jp2"}, "238": {"fulltext": "190\\ngij zult alles overwinnen: 3 een merkwaardig vers, welks\\nechtheid evenwel nog niet voldongen is door het bekende\\n(pnhiff t%m van het Delphische Orakel. Znlk eene spreuk\\nzou dan eerst voor het gevoelen van Lobeck pleiten, wanneer\\nmen bewijzen kon dat zij in het dagelijksche leven gangbaar\\nwas, even als wij zouden zeggen: \u00e2\u0080\u009evisch met een zilveren\\nhoek, en gij zult uw ben vullen. Zoo lang dit niet bewe-\\nzen is, blijft de ongezochtheid slechts eene gissing, terwijl\\nhet zoeken naar zulk een zegswijze geheel in de natuurlijke\\nredenering van Pkitarchus past. Men zou verkeerd doen,\\ngeloof ik, indien men met de uitleggers van Herodotus,\\n(VII. 111) waar hij van zeker ander Orakel zegt dat het\\nantwoorden gaf oiS\u00c3\u00a8v rtmmhtampov dan het Delphische, deze\\nwoorden zoo opvattede alsof die antwoorden even duidelijk\\nwaren als die van Apollo. Het Grieksch laat die uitlegging\\nwel toe, hoewel men daarbij toch eerder hoextX Tepu, zou\\nverwacht hebben dan het adverbium. Maar het komt mij\\nwaarschijnlijker voor, dat Herodotus die nergens anders, zoo\\nveel ik weet, van die duidelijkheid der Pythische antwoorden\\nspreekt, en van zulk eene helderheid in de zaken zeker niet\\nspreken kon, hier bedoeld heeft dat het Delphische Orakel\\nzijne antwoorden gaf, zonder dien toestel en omslag en die\\nzinsbegoochelingen, waaraan de vragers zich bijv. in het hol\\nvan Amphiaraus en elders moesten onderwerpen. De beste\\nuitlegging vind ik in de woorden van Apollonius, bij Phi-\\nlostratus (Vit^ Apoll. V. 10. 236). \u00e2\u0080\u009eDe waarheid heeft geen\\npraal van wonderen noch toovenarij noodig. Zie slechts den\\nDelphischen Apollo Hij die een goddelijk antwoord wenscht\\ndoet eene korte vraag. Apollo antwoordt, zonder omslag,\\nwat hij weet. En evenwel zou het hem zoo gemakkelijk zijn\\nden Parnassus te doen daveren, en wijn te doen stroomen\\nuit de Castalische bron. enz.", "height": "4340", "width": "2616", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0238.jp2"}, "239": {"fulltext": "191\\n2. Als tweede punt van overzigt neem ik de politieke strek-\\nvan het Orakel, Ik zal niet betogen dat het Delphisehe\\nOrakel, vooral sedert het meer in verband kwam met de Py-\\nthische spelen en de Amphictionie een grooten invloed op\\nde lotgevallen der Grieken gehad heeft, hetzij dat deze god-\\nspraken echt waren, of door oorlogende volken en partijen\\nof door lokale ijdelheid uitgestrooid waren. Met Herodotus\\nen Thucydides in de hand, zal het iedereen ligt vallen zijn\\neigen oordeel daaromtrent op te maken. Maar kon het op\\nden duur het doel der eerste instelling bereiken geenszins\\nwant het werd door allen geraadpleegd, en kon geen antwoord\\nweigeren aan hen die tot den Dorischen stam niet behoor-\\nden en misschien is het sterkste of eenigste voorbeeld van\\ndeszelfs partijdigheid, wat Thucydides (I. 118.) verhaalt l\\ndat de Lacedaemoniers in het begin van den Peloponnesischen\\noorlog den God vroegen of zij den oorlog moesten doorzet-\\nten? \u00e2\u0080\u009eMet kracht, was het antwoord, \u00e2\u0080\u009een gevraagd, of\\nongevraagd, ik zal u helpen/ Daar tegenover kon het veilig\\naan de Atheners voorspellen: tf\u00c3\u00a9w Auptzxos noXspoci (Thucyd.\\nII. 54.) maar in ieder ander geval liep het gevaar zijne eigen-\\nlijke strekking te verloochenen, en dit had eindelijk plaats:\\nwant de Delphisehe God werd de vraagbaak voor allen, in\\nzaken van algemeen en groot belang. Zelfs in den Pelopon-\\nnesischen oorlog hadden er wapenstilstanden plaats, en aan\\nl Ik zie dat H\u00c3\u00bcllmann p. 125 ad. ook dit orakel wegredeneert.\\nZijn argumentatie is klemmend. De partij in Athene, zegt hij, die\\nden vrede wilde, strooide dit Orakelantwoord uit. Op zich zelf\\nevenwel zou het men zegt van Thucydides niet genoeg bewijzen. Een\\norakelspreuk, aan de Lacedaemoniers gegeven, kon te Athene minder goed\\nbekend zijn dan eenige andere die de Atheners ontvangen hadden.\\nMaar, ik geef mij gewonnen: Thucydides zelf schijnt te wankelen.\\n[Men zie echter Prof. van Limburg Brouwer. Civilis. T. VI. p. 99.]", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0239.jp2"}, "240": {"fulltext": "192\\nhet hoofd der verdragen stond, dat heider zijds een veilig en\\nzuiver gebruik van Tiet Orakel bedongen werd naar voorvader-\\nlijke gewoonte. Men vindt er een voorbeeld van bij Thucyd.\\n(IV. 118.) zuiver, zegt de formula, USSXuq hetwelk waar-\\nschijnlijk zeggen wil, zonder list, zonder omkooping waarin\\neen veel beteekenende aanwijzing ligt van hetgeen toen reeds\\nplaats greep; naar voorvaderlijk gebruik: een bewijs hoe vroeg\\nreeds het Orakel van zijne eerste inrigting afgeweken was en\\nzijnen raad aan alle partijen medegedeeld had.\\nIk twijfel of het nit te maken zij dat er eenige bepaling\\nbestond die alle raadpleging van enkele personen over hunne\\nbijzondere belangen afweerde; de oude les, aan Glaucus ge-\\ngeven zou dit reeds weerspreken maar het is toch waarschijn-\\nlijk dat dit zoo veel mogelijk ontweken of moeijelijk gemaakt\\nwerd. Op welke wijs, weet ik niet: want de berigten om-\\ntrent het huishoudelijke van den Delphischen tempel zijn van\\nlatere dagen, toen het bijgeloof wel poogde staande te hou-\\nden wat reeds wankelde, maar de eerbied voor het heiligdom\\nverminderd was. Het goud van Croesus verlokte de Delphiers\\nom zich met zijn onbescheiden wantrouwen in te laten en\\nzijne slinksche vragen te beantwoorden: want te midden van\\nveel dwaze en onware bijvoegsels, heeft het verhaal van He-\\nrodotus waarschijnlijk een historischen grond. Uit vrees voor\\nPhilippus, wezen zij dezen het middel aan om de laatste deugd\\nder Grieken te ondermijnen en hun trouw met geld te bezwe-\\nren. Eindelijk verloren zij alle gezag, en Didymus de Stoicyn\\n(bij Plut. De Or. Def. p. 413.) kon hun verwijten dat het\\nOrakel zich als een Sophist op de proef liet stellen, en zich\\nover schatten en erfenissen en ongeoorloofde huwelijken liet\\nraadplegen. Ik zal, ten slotte, nog eene merkwaardige plaats\\nvan Plutarchus (De Pytk. Orac. p. 407) mededeelen, die te\\nopmerkzaam was om de verschijnselen niet te zien en te ver-", "height": "4348", "width": "2624", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0240.jp2"}, "241": {"fulltext": "193\\ngelijken, maar al te vooringenomen, in zijn bijgeloovigen zin,\\nom de ware oorzaken dier verschijnselen te vinden. \u00e2\u0080\u009eHet\\nverwondert mij geenszins, zegt hij, dat de Ouden somtijds\\nomwegen, dubbelzinnigheden en duisterheid moesten zoeke?i.\\nWant het was waarlijk niet deze of gene die het Orakel kwa-\\nmen raadplegen over het koopen van eenen slaaf, noch over\\nhet aanbesteden van een werk; maar magtige Staten, Konin-\\ngen en Dwingelanden raadpleegden met de Godheid over\\nhunne belangen. Deze onwillig te maken en te vertoornen door\\nongunstige en onaangename antwoorden, dat zou gevaarlijk\\ngeweest zijn voor hen die het Orakel bedienden. Het gebruikt\\nsterfelijke helpers en profeten, voor wier behoud de Godheid\\nzorgen moet, op dat zij geen last lijden van kwaadwilligen:\\ndaarom onderdrukt zij de waarheid wel niet, maar zij verzacht\\ner de aankondiging van, door middel van hare po\u00c3\u00abtische taal,\\neven als een schitterend licht, dat door de terugkaatsing naar\\nalle zijden gebroken en verspreid wordt.\\nDe slotsom van deze slechts oppervlakkige beschouwing zou\\ndus wezen: Het Delphische Orakel was eene Dorische instel-\\nling, veel ouder dan regtstreeksche of middelijke berigten\\nreiken. Het was eene politieke instelling van raadgeving, en\\nonafhankelijk van allerlei wigchelaarskunsten het deelde zijne\\nraadgevingen duidelijk en zonder omslag mede. Het ontaardde\\nreeds vroeg; en van het eerste tijdstip dier ontaarding af, begon\\nhet meer en meer te voorspellen, en zich met dubbelzinnige\\nantwoorden te redden. De kritiek moet echter naauw toezien,\\nomdat het algemeene geloof aan de profetie van het Orakel,\\nuit het ingeslopen misbruik voortgesproten aanleiding gegeven\\nheeft tot eene menigte verdichte Orakel-antwoorden, die in de\\nGrieksche geschiedenis ingeweven zijn\\nDit komt overeen met de woorden van H\u00c3\u00bcllmann, bl. 170.\\n13", "height": "4364", "width": "2656", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0241.jp2"}, "242": {"fulltext": "194\\nHet Orakel van Jupiter te D\u00c3\u00b6dona, en andere van minde-\\nren rang, lagen buiten mijne beschouwing. Hun geschiedenis\\nis duister als de nacht. Of zij alle zelfstandig en oorspron-\\nkelijk waren, of navolgingen, het eene van het andere, was\\ndaarom van minder belang voor mijn betoog, omdat zij van\\ngeen of zeer weinig politieken invloed schijnen geweest te zijn.\\n,/So\u00c3\u00afche ungereimte Dinge kommen heraus, w\u00c3\u00a8nn die vori verscniedenen\\nVerfassern herr\u00c3\u00bchrenden Sagen tind \u00c3\u0096rakelspr\u00c3\u00bcche zusammengestellt und\\ngeordnet werden; in solchen Widerspruch mit sich selbst wird dadurch\\neine Anstalt verstrickt, von welcher der Glaube herrschte-, das sie im\\nBuche der Zukunft lese.", "height": "4332", "width": "2600", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0242.jp2"}, "243": {"fulltext": "GESPREK\\nDEACHENFELS.\\n13*", "height": "4388", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0243.jp2"}, "244": {"fulltext": "", "height": "4352", "width": "2612", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0244.jp2"}, "245": {"fulltext": ",The question of the difference between the romantic school and the\\nclassic has been merely that of forms. What, ia the name of common\\nsense, signify disputes about the unities and such stuff, the cere-\\nmonies of the Muses? The Medea would have been equally greek, if\\nall the unities had been disregarded; the Faust equally romantic, if\\nall the unities had been preserved. It is among the poems of Homer and\\nPindar, of Aeschylus and Hesiod, that you must look for the spirit of\\nantiquity; but these gentlemen look to the rules of Aristotle: it is as\\nif a sculptor, instead of studying the statue of Apollo, should study\\nthe yard measure that takes its proportions.\\nBulwer.\\n\u00e2\u0080\u009eMaar die andere Heeren. omdat zij van de oudheid niet veel meer\\nkenden, dan den duimstok van Aristoteles, zeiden: het is misselijk, en\\ner is volstrekt geen maat noodig.\\nAnonymus.", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0245.jp2"}, "246": {"fulltext": "", "height": "4356", "width": "2612", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0246.jp2"}, "247": {"fulltext": "AAN DEN HEEE\\nJ. B A K E.\\nWaarde Yriend!\\nSedert ik het gesprek gehouden heb, dat ik in dit kleine ge-\\nsclvrift mededeel, is hetzelfde onderwerp meermalen tusschen U\\nen mij behandeld: somtijds in groot en ernst, en dan vorderden\\nwij niets. Wanneer ik met den Drachenfels aankwam, dan\\nicerdt gij vrolijk, omdat ik uit het land der romance zoo wei-\\nnig ?cijsheid me\u00c3\u00a9gebragt had. Maar icanneer wij in eene neolo-\\ngische hu waren, dan icas het voor velen niet om aan te hoor en.\\nIk herinner mij zelfs, hoe gij eens beioeerde, dat de strijd tus-\\nschen de Heeren van het klassieke en die van het romantische\\neene logomacJde eene sciamachie, of zoo iets ?vas; en al beriep\\nik mij telkens op mijn Drachenfels gij Meldt staande, dat ik\\nbeter gedaan had met te huis te blijven, en te schrijven zoo\\ngoed als ik kon, en door anderen, die van categorien en for-\\nmulieren houden te laten beslissen of mijn geschrijf klassiek\\nof romantisch was: \u00e2\u0080\u009eicant (dit volgde er in \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n adem op; an-\\nders maakt gij u zelden z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 van het gesprek meester*) er is maar\\n\u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ne schrijfwijze, die leesbaar is: eene goede; er is ruaar \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n.\\nverstand, waar men mede vordert: het gezonde; er is maar", "height": "4352", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0247.jp2"}, "248": {"fulltext": "200\\neen smaak die stand houdt: de zuivere. Verder kon ik u\\nniet brengen; maar wanneer ik TI vroeg, of met dat gezonde\\nverstand en dien zuiveren smaak en die goede schrijfwijze alles\\ngewonnen was, en waarvandaan het tintelende en schitterende,\\nhet pokende, kokende, bruischende en barstende, hei gillende,\\nlillende, rogchelende, rottende en muffende zou moetea ko-\\nmen! Uit Parijs, was uw antwoord, met een bezen-\\nding pat\u00c3\u00a9s de foie-gras. Met dit onvriendelijk antwoord liet\\ngij mij zitten: want gij wist dat ik van die laatste dingen niet\\nIk had evenwel een klein zwak voor mijn Drachenfels. Bat\\nontging TJ niet zelfs mijn geheime lust niet om het gesprek uit\\nte geven. Ik mag het lijden (hebt gij mij eens gezegd) indien\\nuwe vingers zoo tintelen, schrijf het gesprek dan op, maar\\nmaak er geen franje bij: dan zullen wij zien, of moe lezers,\\nzoo gij er vindt, het ding beter begrijpen zullen, dan gij maar\\ngij moet geen prijzende recensi\u00c3\u00abn ophopen, en vooral het niet\\nzelf recenseren. Het laatste beloof ik (was mijn anttooord)\\nvoor de franje sta ik niet in: een agrement, romantisch of\\nklassiek moet er bij wezen het zal anders zoo druilig en lam-\\nzalig worden. Dat laatste woord ken ik niet; doch zoo gij\\nhet aan den man kunt brengen, het schildert nog al. Ik\\nbedoel die lamzaligheid, die, met een slaapmuts op het hoofd,\\nzit te schrijven, zoo regt Misselijk en gekoesterd. Toch niet\\nin tegenstelling, hoop ik, van eene schrijfwijze tusschen vier\\nwielen, of te f aard, als een kozak l en gij vergeet, dat Bilder-\\ndijk meestentijds schreef, met eene slaapmuts op het hoofd?\\nMis: het was een turksche wrongel: zie maar zijne laatste buste\\nmaar gij begrijpt toch, dat ik eene leenspreuk gebruik, en dat\\nik uitzonderingen zou weten te maken, indien ik van de eene of\\nandere literatuur beweerde, dat zij eene nachtmuts ophad.\\nOp dien koop zoudt gij het zelfs van de hollandsche kunnen be-", "height": "4344", "width": "2552", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0248.jp2"}, "249": {"fulltext": "201\\nivereti: wie zou V achterhalen? ieder schrijver zou zich voor\\neene uitzondering houden: berg die muts maar weer in uw bed-\\ntafeltje.\\nZoo ging ons gesprek voort, van den hak op den tak: dan\\ntoas het over goede dingen, die in een hoek liggen en over de\\nanticritiek van den Keer Nassau, dan weder over volksgebreken\\nen Bulwers England: eindelijk ging het door dik en dun, mijn\\npantoffels, die gesleten waren, vorst Leopold, de prijs der steen-\\nkolen: want ik stookte niet hard genoeg naar uw zin; maar op\\nhet romantische kon ik U niet terugbrengen.\\nIk wil dus maar zeggen, dat gij mijn gedrukten Drachenfels\\nmin of meer verwacht hebt maar dezen brief niet. Ik heb eerst\\nden ganschen berg aan TJ op willen dragen; maar gij houdt\\nniet van gevaarten en zwaarmoedigheden ook gaat de eeuw der\\nsierlijke opdragten langzamerhand voorbij zonder schade, hoop\\nik, voor geleerdheid, goeden smaak en opregtheid. Thans is\\nmen, met een geweldigen val, in eens op Brieven neergeko-\\nmen. Ik denk, dat het gewoonte zal zvorden: er is iets bur-\\ngerlij ks en antieks in: het is alsof een boek niet meer in\\neene praalkoets maar op een kruiwagen de ivereld ingezeuld\\nwordt. Oudtijds, v\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3r dat men drukte, schreef men dikwijls\\neen boek, dat voor \u00c3\u00a9e nen vriend bestemd was: dan deed men\\ner een brief bij en het een en ander ging in een pak en\\nop reis, en geen haan kraaide er na: dat wil zeggen, dat\\nhet boek, als het goed was, somtijds afgeschreven werd: want\\nmen schreef weinig te gelijk in klein formaat en zonder pren-\\nten: trouioens men kon daarmede volstaan, er toas geen eer\\nin folio en met sch\u00c3\u00afldericerk te behalen; de brief werd zel-\\nden afgeschreven en dan nog bij vergissing, geloof ik. Te-\\ngenwoordig zou men gevoegelijk het boek kunnen drukken, en\\nden brief op de post doen. Maar let wel, (en dit zal u\\nzeker niet ontgaan) een brieft zoo als men ze thans voor een", "height": "4356", "width": "2600", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0249.jp2"}, "250": {"fulltext": "boek plaatst, en zoo als de mijne is, dien ik nu schrijf,\\nmoet als voorherigt dienen. Ik zie geenszins, waarom dit niet\\nkan, indien de briefschrijver het decorum in acht neemt,\\nmet een deftigen stijl, en geen postscriptums maakt met de\\ngroetenis aan Cajus, en niets schrijft, dat de lezer van het\\nboek niet weten mag. Wat hij weten mag, is, dat ik U\\nhoogschat, met opregte vriendschap. Waarwei!\\nJ. G.", "height": "4336", "width": "2592", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0250.jp2"}, "251": {"fulltext": "\u00e2\u0080\u009eWeldra zal er \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ne minder zijn in de rei der kunsten.\\nHet paneel en de verwen worden overtollig. Het heerlijke\\ntalent, dat voorwerpen afmaait, om gedachten op te wekken,\\nzal te niet gaan; maar de taal, die gedachten moest uitdruk-\\nken, zal tot een zielloos werktuig vernederd worden: zij zal\\nde voorwerpen haarfijn afteekenen, en er niets bij doen denken.\\nHet gaat alles t onderste boven. Wacht maar, tot dat wij\\nnog hooger komen.\\nDit was, aandachtige Lezers, een uitval van Diodes tegen\\nde verhalende en beschrijvende po\u00c3\u00abzij en proza van onze dagen.\\nIk had hem en zijnen vriend Charinus te Bonn leeren ken-\\nnen: beide mannen van rijnen smaak en scherp oordeel, en\\nvan zoo veel geleerdheid als ieder hunner in zijne studie met\\nvrucht kon gebruiken; maar verschillend in karakter en aan-\\ndoeningen. Diodes was gevormd door eene strenge studie\\nder oudheid, en zij was hem een maatstaf geworden in zijne\\nbeoordeeling der hedendaagsche letteren die niet zelden ongunstig\\nuitviel. In het vellen van zijn oordeel belemmerde hem noch\\naanzien des persoons, noch keuze eener geschikte gelegenheid,\\nnoch inachtneming der formen van den beschaafden omgang.", "height": "4384", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0251.jp2"}, "252": {"fulltext": "204\\nDe uitdrukking zijner gedachten was opregt, maar somtijds\\nhekelend en met bespotting der meening, die hij bestreed; al\\nte dikwijls had zij iets onbehagelijks iets gemelijks en hards,\\nen wat zijne landgenooten steil noemen. Wie hem bestrijden\\nwilde, moest zich even steil tegen hem overzetten: en wie\\nmeende het met hem \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ns te kunnen worden, moest zoeken,\\nof niet achterom die dreigende hoogte eene helling was: want\\neene volkomen toestemming geviel hem ook niet: misschien,\\nomdat zij somtijds een gebrek aan eigene gedachten verraadt.\\nCharinus was inschikkelijker, rekkelijker, buigzamer. Bij ver-\\nschil van meening, was het in het eerst, als of de zijne zoo\\nverre niet afweek van de uwe; maar onder het spreken bleek\\nhet langzamerhand, of hij iets afdong, iets terugnam: en hij\\nbragt u tot zich over, en men ondervond een genoegen, wan-\\nneer men met eenen man van zoo veel scherpzinnigheid kon\\ninstemmen, of men bleef oneenig, en zijne beleefde scherts en\\ngoede luim wezen een onzijdig terrein aan, waar de strijdenden\\nelkander de hand konden toereiken.\\n\u00e2\u0080\u009eDat willen zij alles beschrijven: met hunne taal willen zij\\nons de kleuren doen zien, de geuren doen rieken, en den\\nwind doen voelen zeide Diodes, terwijl ik, als derde in\\nhun gezelschap op een schoonen achtermiddag den Drachenfels\\nbesteeg, en hij halverweg een oogenblik stilstond en zich om-\\nkeerde en rondzag, en te gelijk adem haalde: want het weder\\nwas warm en het klimmen een zure arbeid na het middagmaal\\nte Godesberg, waar wij, onder een teug goeden Eudeshei-\\nmer, het gesprek reeds aangevangen hadden, dat hem aanleiding\\ngaf tot dien onverwachten uitroep. Zijn halt was op geen\\ngelukkig punt gekozen: want hij stond stil, waar het pad\\neene wending landwaarts in nam naar het Siebengebirge gekeerd.\\nHet waren bergen en dalen en wijnheuvels in grooten rijkdom\\nmaar in eene golvende eentoonigheid waarop men uit de", "height": "4356", "width": "2612", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0252.jp2"}, "253": {"fulltext": "205\\nhoogte nederzag: en slechts een klein gedeelte van den Eijn\\nvertoonde zich tusschen twee heuvelen door. Waarom zouden\\nzij niet, waagde ik, hem te antwoorden: glinsterende sneeuw\\nen eeuwig ijs zijn hier niet, om te beschrijven, en geen rots-\\npunten, die door de wolken boren. De taal vindt hier niets\\nom na te bootsen. Ik hoor geen lammergier noch donderenden\\nsneeuwval, noch het harmonisch getinkel van de bellen der\\nkudden, in de laagten der valeijen, in diepten, waarin het\\noog zich duizelig verliest. Mij dunkt, ik zie wel kans, om\\ndit tooneel te beschrijven: hoor maar: ginds Onmo-\\ngelijk, viel Diodes mij in de rede! geknoei, gefutsel: gij zult\\ngemakkelijker van hier den Eijn overspringen. Ik had\\nliever, zeide Charinus, dat onze vriend nu noch het \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ne,\\nnoch het andere beproefde: ik ben reeds te vreden met zijne\\nbeschrijving van hetgeen hij hier niet ziet. Laat ons niet langer\\nstilstaan: de bergwind zal onze verhitting al te spoedig af-\\nkoelen. Nog \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n oogenblik, antwoordde ik hem, en ik\\nvroeg aan Diodes beschrijf mij eens waarom gij het onmogelijk\\nrekent. Gemelijk keerde hij zich om, en begon ons vooruit\\nte gaan, den berg verder op. Zoo klommen wij een tijdlang,\\nin stilte: want onder het bestijgen van eenen berg is het gesprek\\nzelden levendig. Doch weldra moesten wij van het pad ter\\nzijde afwijken, om plaats te maken voor een langen ranken\\nEngelschman, die, op een ezel gezeten en door den drijver\\ngevolgd, den Drachenfels afdaalde. Diodes stond stil, met\\ngekruiste armen, en keek den ruiter achterna, wiens groote\\nvrouwen-stroohoed met gekleurde linten en breeden nederhan-\\ngenden rand, hem, onder de hortende bewegingen van het\\nbeest, dan voor de oogen, en dan weder in den nek schoof;\\nzijne beenen waren te lang, en terwijl hij zich in allerlei\\nbogten moest wringen, om kwetsuren aan voeten of knien,\\ntegen den grond en tegen scherpe rotsbrokken te mijden, vloog", "height": "4364", "width": "2652", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0253.jp2"}, "254": {"fulltext": "806\\nMj of op den knop van het zadeltje, of hij moest zich op den\\nhals van het voorover hellend dier stutten, om niet over den\\nkop te buitelen. Diocles bleef den afdalenden in dezelfde\\nhouding onbeweeglijk naoogen, tot dat deze, bij een sehuin-\\n\u00c2\u00abchen keer van het pad, verdween. Bat is een moeijelijk\\ngemak, zeide ik: en waarvan men eene naauwkeurige be-\\nschrijving in po\u00c3\u00abzij of in proza zou kunnen maken, antwoordde\\nCharinus. Zulk een intermezzo zou het verhaal van eene\\nbergwandeling aangenaam afwisselen: het zou bij den verhaler\\nin veel beter handen zijn, dan bij den schilder, omdat er zulk\\nleene opeenvolging en verscheidenheid van standen en houdi gen\\n\u00c3\u00afn is. Ja wel aeide Diocles en dan moest niet vergeten\\nworden, hoe breed of hoe naauw het pad was, en van welke\\n\u00c2\u00aboort en hoe groot de steenklompen waren, die in den w$g\\nlagen: en de boomworteis, in honderd kruisende takken langs\\n\u00e2\u0080\u00a2den grond uitgeschoten waar zand en aarde itusschen m\u00c3\u00afgfr-\\nstoven zijn, zoodat zij kuilen vormen, en doen aanstooten m\\nstruikelen: en dan moest de rdrijver geteekend worden,, die\\nivaii tijd tot tijd bevreesd was, dat zijn ezel strompelen zou*\\nen hem bij den staart greep en terugtrok,, of daarmede stuiurde_,\\nals anet het roer van een rsebip: en dan nog de lange loensen^\\nen eenige gedachten, die het ^rme beest kan gehad hebben\\n\u00c2\u00a9ver \u00c2\u00abzijn zonderling werk: en dan de gesprekken van den\\nmijter m\u00c3\u00a9t den drijver en zoo voort,, van den top af tot be~\\nmeden toe of van beneden naar boven zoo gij walt dam ,zijn\\nde bewegingen \u00c2\u00abomgekeerd. Willen m% iniet imaken, dat wig\\nboven komen? Gaarne., antwoordde ik; maar veroordeelt\\nigrj dan in ernst eene juiste, fijne en uitgewerkte besehrijvktg^\\ndie den leeslust zoo prikkelt, vooral wanneer zij in de ro-\\nmantische manier is zoo als men ae wel eens hoort noemen\\nIk weet ni\u00c3\u00a9t-, wat romantisch is,, antwoordde h$j; maar het\\n:2\u00c3\u00b6u wijzer ^geweest zijn,, indien wij deze wandeling v\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3r het", "height": "4332", "width": "2616", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0254.jp2"}, "255": {"fulltext": "207\\nmiddagmaal gedaan hadden. Hierop zweeg hij, \u00c3\u00a9n veegde\\nzich het klamme voorhoofd af: want hij was reeds bejaard,\\nen de togt scheen hem te vermoeijen. Als ik hem maar\\naan het zitten krijg, dacht ik. Charinus hielp mij: want\\nniettegenstaande dat deze bevreesd was, eene kou te vatten x\\nnam hij toch gaarne iedere gelegenheid, ieder voorwendsel te\\nbaat, om eens uit te blazen. Het was: r/ zie eens, hoe de\\nLeuwenburg begint te rijzen, of //kijk n\u00c3\u00bc eens even ach-\\nterom, hoe het uitzigt onder het stijgen verandert, 53 of:\\ndaar weet ik een aardig g*eval van, en dan hield hij mij\\nstaande, en verhaalde het, vrolijk en onderhoudend: en als\\nhet verhaal ge\u00c3\u00abindigd was, dan had hij nieuwe kracht om\\nte klimmen.\\nDigt bij de plaats, waar wij stonden, lag een groote steen,\\nen daarnevens groeide heestergewas. Zoo dikwijls ik hier\\nkom zeide Charinus wekt deze steen eene zonderlinge gedachte\\nin mij op. Wat dan? vroeg ik hem. Ik vermoed,\\nantwoordde hij dat het een overblijfsel is van het altaar,\\ndat oudtijds op dezen berg moet gestaan hebben, bij het\\nhol van den draak, Ik ging er naderbij, en bezag den\\nsteen; maar het was een ruwe klomp, en ik vroeg aan Charinus,\\nof hij de oudheidkundigen van Bonn er reeds bij gehaald\\nhad, om de sporen van eenig beitelwerk of opschrift te ont-\\ndekken. Neen, antwoordde hij: voor mij, hoe onzekerder,\\nhoe liever, wanneer het fantasie en gevoel geldt: en bovendien,\\nzij zouden den steen naar het Museitin halen: en wanneer\\nhij daar ligt, dan wekt hij die gedachten niet meer in mij\\nop dan is die zoete mijmering voorbij dan voert hij mijne\\nverbeelding niet meer naar die oude tijden terug. Gelukkig,\\nzeide ik, dat niet alle oudheidkenners er aldus over denken:\\nanders bestonden er geene verzamelingen, uit alle oorden te\\nzamen gebragt en waar zou de studie blijven? Niet te", "height": "4364", "width": "2688", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0255.jp2"}, "256": {"fulltext": "208\\nhuis, antwoordde hij; maar zij zou naar Itali\u00c3\u00ab, naar Grieken-\\nland naar Egypte reizen en de overblijfsels op hunne plaatsen\\nbestuderen dan zou er misschien geest en po\u00c3\u00abzij in die studie\\nkomen. Geest en fikschheid, zeide ik: die doen nergens\\nkwaad maar po\u00c3\u00abzij ik heb zelden beter scherts van u gehoord.\\nIk verbeeld mij po\u00c3\u00abzij in mijne bibliographie Ik bid u, ant-\\nwoordde hij geen bibliographie op dezen berg Ik maakte\\nmij gereed, om te zeggen, dat, op zijn minste, een oud\\nperkament met letters er op, even goed was als een onbe-\\nschreven oude steen. Maar hij had mijne nieuwsgierigheid\\nopgewekt, en ik zeide: laat mij, bid ik u, met mijne ma-\\nnuscripten en oude uitgaven te huis mogen blijven, en reis\\ngij met uwe po\u00c3\u00abtische archaeologie zoo verre gij wilt, over\\nGods aardbodem, en sla uwe tent op onder de jakhalzen van\\nPalmyra maar vertel mij eerst de geschiedenis van dat altaar.\\nHet is eene oude legende, antwoordde hij: en gij weet, dat\\ndie overleveringen, om den nevel waarin zij liggen, dichterlijk\\nzijn: daarom hebben zij iets aantrekkelijks voor mij. Ik zal\\nze u verhalen. In overoude tijden was in dezen berg een\\nhol, en er lag een afgrijsselijke draak in. Was hij van de\\ngevleugelde species? vroeg Diodes. De bewoners van deze\\nstreek vereerden het ondier als eene Godheid, en slagtten hem\\nmenschenoffers op een altaar, bij het hol. Het is om te\\nsidderen, zeide Diodes. Neen, maar val mij niet telkens\\nin de rede, verzocht hem Charinus. Men offerde meest krijgs-\\ngevangenen: en dit trof eens eene maagd, die Christin was.\\nHet Christendom was in deze oorden nog niet ingevoerd. Twee\\nvoornamen uit de buurt betwisteden elkander haar bezit. Toen\\nwerden de ouden des volks beducht voor tweespalt, en besloten,\\ndat het meisje aan den draak ten offer gebragt zou worden.\\nDiodes mompelde alweder: \u00e2\u0080\u009etwee honden vechten om een\\nbeen, en een derde loopt er mee heen. Charinus hoorde", "height": "4344", "width": "2612", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0256.jp2"}, "257": {"fulltext": "209\\nhet. niet, maar ging voort: nu werd de maagd, in wit ge-\\nwaad, met een bloemenkrans in de haren, naar het hol gevoerd\\nen aan een boom gebonden, die er nevens stond. Het volk\\nwas in groote menigte van alle kanten zamengekomen en\\nwachtte in de verte, en met medelijden, wat gebeuren zou.\\nHet meisje stond bedaard en gelaten, de oogen naar omhoog\\ngeslagen. Blaauwe of bruine? vroeg Diocles. Dat doet\\nniets tot het verhaal, antwoordde Charinus. De zon rees op,\\nen wierp hare eerste stralen in het drakenhol. Dan is het\\ngeval in Junij gebeurd, viel Diocles hem alweder in de rede.\\nHoe dan? Wel, de berg ligt hier op het N. O. Nu\\ngoed, zeide Charinus; maar wij hebben nu po\u00c3\u00abzij, en geen\\nastronomisch onderzoek en ik sta er ook niet voor in dat\\ndie steen altijd daar gelegen heeft. In eens daagde het gru-\\nwelijke gedrocht op: en bij de aanschouwers in de verte,\\nwerd de adem bekneld, en bestorven de aangezigten van bange\\nverwachting. Maar het meisje haalde een klein kruis uit den\\nboezem van haar kleed, en hield het den draak voor, die\\nafdeinsde, en, onder vreesselijk schuifelen en huilen, van de\\nrots afstortte en beneden in het dal verdween. Sedert dien\\ntijd zijn de heidensche inwoners bekeerd.\\nIk beken gaarne, dat deze overlevering mij beviel. Zoo als\\nCharinus ze voordroeg, wekte zij gedachten in mij op, die\\nnog voortwerkten toen hij opgehouden had. Het hinderde\\nmij daarom, dat Diocles telkens zoo storend tusschen beide\\nkwam. Het was mij onbegrijpelijk in eenen man, die de\\nGrieksche en Eomeinsche dichters met z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 veel verstand en\\noordeel las en aanprees, en die dit niet doen kon, zoo zijn\\ngevoel die dichters niet in hunne zangen begeleidde. Hoe\\nveel hebben zij niet bezongen, dacht ik, waarin geen waarheid\\nwas, noch zijn konde, en dat geen anderen steun had, dan\\neen oud volksgeloof of wanbegrip, door den zanger in zijne\\n14", "height": "4344", "width": "2668", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0257.jp2"}, "258": {"fulltext": "210\\ndichterlijke vervoering aangenomen! En welk onderscheid was\\ner dan tusschen een Griek, die Cadrnus en den draak, of\\nAndromeda en het zeemonster met Perseus bezong, en eenen\\ndichter van onze dagen, die de sprookjes der middeleeuwen\\nin rijm brengt? Ik ging er Diodes iets over zeggen, toen\\nhij zelf de stilte afbrak. Weet gij wel, vroeg hij, dat in\\noveroude dagen meestal orakels bestonden, waar een hol en\\neen draak waren? Misschien heeft hier ook eene Sibyl of\\nPythia gehuisvest. In dat geval antwoordde ik hem moet\\ner, zoo het hol niet meer te vinden is, nog eenige profetische\\nkracht in den steen overgebleven zijn. Beproef het eens, en\\nga er op zitten: te Delphi werkte het voorspellend vermogen\\n\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3k van onderen op. Daar zit ik, zeide Diodes (en hij\\nzat): het begint al te werken, Ik voorspel u, dat wij zoo\\ndoende niet boven zullen komen. Het is wel mogelijk,\\nantwoordde ik, dat dit een juiste blik in de toekomst is;\\nmaar gij handelt tegen den regel: gij moogt niet voorspellen,\\nv\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3r dat gij ondervraagd wordt. Nu, ondervraag mij dan,\\nzeide hij. Wat is romantisehe po\u00c3\u00a8 zij, vroeg ik hem.\\nNeen, zeide hij terstond, dat is \u00c3\u00b3\u00c3\u00b3k mis: geen orakel heeft\\nooit definitien gegeven, en bovendien behoort uwe vraag tot\\nhet verledene en tegenwoordige, en, zoo min mogelijk, tot\\nhet toekomende. Ik begon het reeds op te geven, toen\\nCharinus mij te hulp kwam, en zeide: het is evenwel zoo\\nverkeerd niet, dat onze vriend u deze vraag doet: iedereen\\nheeft zijne eigene gedachten over dat onderwerp, maar het\\nblijft nogtans duister: het zou jammer zijn, dat wij uw orakel\\nniet beproefden: en waarlijk, die vraag staat wel met de toe-\\nkomst in verband: want indien wij eene goede omschrijving\\nvan het romantische door u ontvangen, dan weten wij, waar\\nhet op uit zal loopen, en waarheen het ons brengen zal.\\nGoed zeide Diodes maar ik gevoel dat deze steen mij geen", "height": "4320", "width": "2616", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0258.jp2"}, "259": {"fulltext": "211\\nwarme denkbeelden geeft, en dat ik niet veel meer zal kunnen\\nantwoorden, dan ja of neen. Dat is genoeg, zeide Charinus\\ntot mij: het is regt in den ouden korten orakelstijl: lever\\ngij maar definitien: wanneer Dkrcle\u00c3\u00a9 ja zegt, dan zijn wij er.\\nDit viel tegen mijne verwachting uit: want ik had wel het\\neen en ander over die twistvraag gelezen, en de dichtsoort\\nleeren kennen, die ik meende, dat met dien naam bestempeld\\nwerd; maar het lag mij alles nog duister in het hoofd, en\\nmijne begrippen hadden zich nog niet tot een bestemd oordeel\\ngerangschikt. Daardoor kwam het waarschijnlijk, dat ik on-\\ngeschikte omschrijvingen voorstelde: Ik begon: Is het ro-\\nmantische eene schrijfwijze die van de oude klassieke daarin\\naf ie ij kt, dat zij het menschelijke hart heter doorziet: het\\ngoede van het kwade, het schoone van het onbehagelijke beter\\nafscheidt, de driften en togten beter beschrijft, en het zedelijk\\ngevoel beter opicekt? Diodes antwoordde: neen. Dat\\nwas geen kwade vraag, zeide Charinus, en het verwondert\\nmij, dat het mis is. Ga voort met vragen: hoort gij niet,\\ndat zijne stem hol klinkt: de orakelgeest stijgt in hem op.\\nIk vroeg wederom: Is het eene manier die de natuur scherper\\nbespiedt: hare geheimen met de gewaarwordingen onzer ziel\\nin een naauwer verband brengt: waarin het verstand f. aauw er\\nmaar het gevoel sterker werkt: die alles tot po\u00c3\u00abtische stoffe\\nmaakt, waar dat gevoel zich aan hecht? Neen, was het\\nantwoord. Charinus kon alweder niet zwijgen, maar zeide\\nmij: nu is het, alsof gij met het orakel spot, en de Ouden\\nniet gelezen hebt. Ik ging voort: Is het eene dichtsoort,\\nwaarin de liefde Neen, om s hemels wil, viel Charinus\\nmij in de rede: doe toch betere vragen. Nu, dan nog\\neens zeide ik: Is het eene po\u00c3\u00a8zij die beelden schept, buiten\\nden kring van al wat bestaat of bestaan kan: die in het won-\\nderbare zweeft, en eene tooverwereld schept? Te gelijk met\\n14*", "height": "4340", "width": "2672", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0259.jp2"}, "260": {"fulltext": "212\\nhet neen van Diodes, riep Charinus mij toe: hebt gij dan het\\neiland van Aleinous vergeten, en de tooverroede van Circe?\\nWat is het dan? riep ik ongeduldig. Mets, antwoordde\\nDiocles, terwijl hij oprees, Niets? vroeg ik. Wacht\\neens, zeide Charinus: het laatste niets heeft geen gezag: want\\nDiocles zat niet meer, toen hij het uitsprak: ik stond op deze\\nhelling, iets lager, en zag onder hem door. Goed! zeide\\ndeze; maar ik ga niet weder zitten: want uw orakelsteen of\\naltaar is vuil en al te koel. Hiermede begon hij weder\\nlangzaam voort te gaan, en het gesprek was afgebroken. Ik\\nweet niet hoe het kwam, dat ik er toen mijne zinnen op\\ngezet had om te weten wat romantisch was. Misschien wekte\\nde natuur, die mij omringde, die denkbeelden op: want het\\nwas nieuw voor mij, wat ik rondom mij zag. Ik had wel\\nnatuurtooneelen gezien, die stouter waren, scherper lijnen, en\\npuntiger hoeken; maar zulk eene verrassende afwisseling van\\ngroots en liefelijks, hards en zachts, als ik hier ontmoette,\\nwas mij nog vreemd, en zij maakte een diepen indruk op\\nmijne ziel of op mijne zintuigen: want op welke van beide,\\nwas mij nog niet duidelijk. Het gezelschap, waarin ik mij\\nbevond, bragt ook iets toe, om mijne opmerkzaamheid te\\nscherpen, en mijne weetgierigheid op te wekken. Want beide\\ndeze mannen waren rijkelijk met gevoel voor het schoone be-\\ndeeld; maar bij den eenen hadden rede en begrip de overhand.\\nHet kwam mij voor, dat hij zelf niet veel verbeeldingskracht\\nhad, of ze streng aan den teugel hield; maar dat hij hare\\nwerking in anderen niet veroordeelde, zoo lang zij in geen\\nonzin, of mijmering, of koortsige verhitting ontaardde. Terwijl\\nDiocles zich meer in het vak der oude letterkunde afsloot,\\nzocht Charinus tevens daar buiten en in de voortbrengsels van\\nlateren tijd rond. Wat hij daarin goeds vond, las en herlas\\nen genoot hij, en wat hij afkeurde, liet hij liggen. Bij", "height": "4320", "width": "2608", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0260.jp2"}, "261": {"fulltext": "213\\nzulke mannen docht mij moest ik licht vinden. De plaats\\nwaar zij woonden, was heerlijk gelegen. Onder de kleinste\\nwandeling daar buiten, genoten zij bekoorlijke uitzigten: dat\\nmoest den geest opgewekt houden, en de denkbeelden le-\\nvendig en overvloedig maken.\\nEr was wel nu en dan een twijfel bij mij opgerezen zulk\\neene twijfeling, die men dikwijls geboren ziet worden, wan-\\nneer regels en stellingen op verschijnselen ter toetse gebragt\\nworden. Zoekt men, dacht ik dan, de hoofd-eigenschap van\\nhet romantische niet in een zeker ik weet niet wat, dat eene\\nschoone natuur oplevert Maar beweert men niet te gelijk\\ndat de beelden der Grieksche phantasie zoo zuiver zijn,\\nomdat de Grieksche natuur zoo schoon was? Hoe dikwijls\\nhoort men niet zeggen: \u00e2\u0080\u009edat is een romantisch landschap:\\ndit is eene romantische plek? Maar hoe moeten bergen\\nen heuvels, boomen en planten, stroomen en beken er\\nuitzien om iets op te leveren dat in Griekenland niet bestaan\\nheeft, en niet bestaan kon, of. zoo het aldaar bestond, evenwel\\nniet romantisch mogt heeten Wie blind geboren is en van al die\\nvoorwerpen geen ander begrip heeft, dan wat hem door verhaal\\nen mondelijke beschrijving medegedeeld is. (ongetwijfeld eene\\nflaauwe, gebrekkige, misschien zelfs eene verkeerde en on-\\ngerijmde voorstelling!) kan hij geen dichter worden? Of. zoo\\nhij het wordt, in welken zin? in den klassieken of in den\\nromantischen? Maar toch! de dichters van latere dagen\\nzien verder op den aardbodem rond en de mengeling van\\noostersche en westersche kleuren geeft misschien wat men\\nromantisch noemt dat vindt men in de bewonderde dicht\\nstukken van Thomas Moore! Maar W. Scott had niet veel\\nmeer gezien dan het schooue Schotland en hoe vele too-\\nneelen van de grootste verscheidenheid plaatst hij niet op\\ndien \u00c3\u00a9enen grond Goed maar de po\u00c3\u00abzij van Byron heeft", "height": "4360", "width": "2648", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0261.jp2"}, "262": {"fulltext": "214\\ntoch \u00c2\u00abene andere, eene schitterender kleur. Hij had Europa\\ndoorkruist en alle de denkbeelden die het in hem opwekte\\nkruisten zich in zijn gemoed, en er werd een strijd en gisting\\nin geboren, die eene voorstelling geeft eener onbevredigde be-\\ngeerte, van een onophoudelijk zoeken naar kalmte, die hij\\nniet vond. Toen G\u00c3\u00b6the in rijpen leeftijd Zwitserland en\\nItali\u00c3\u00ab gezien had kwam hij bevredigd weder te huis. Schiller\\nkende geene natuur, dan die Duitsehland opleverde: en toen\\nzij elkander ontmoeteclen, had er eene geheime botsing en te-\\nrugstooting plaats. In den jongeren Schiller woelde en bruischte\\nhet; in G\u00c3\u00b6thes gemoed was het kalm en helder: maar hoe\\nvele zouden het evenwel niet wraken, indien men beweerde,\\ndat G\u00c3\u00b6the zich aan het klassieke aansloot, en dat Schiller de\\nechte typus van het romantische was? Ik durf nog geene ge-\\nvolgtrekking maken want hoe bewondert men niet de kracht van\\nschildering in den Willem Teil van Schiller, en de majesteit der\\nZwitsersche natuur maar Schiller heeft den Zwitserschen bodem\\nnooit betreden Zou het misschien niet op de aarde maar in\\nhet water liggen? in de Noordzee, in den Oceaan? Zegt niet\\nzeker schrijver: \u00e2\u0080\u009eDe Noordzee is lyrisch, hartstogtelijk vol\\nklippen, ondiepten, stormen, kolken, gevaren, avonturen. In\\nde Grieksche zee ziet de schipper van eiland tot eiland den\\ngastvrijen rook der hutten opstijgen; in de Noordzee dwaalt\\nde blik over eene onafzienbare woeste vlakte. Daarbij is de\\neerste gedachte: ver, onbereikbaar, onbegrensd. Op de Ionische\\nzee drijven de schepen als stille zwanen rustig door den vloed\\nop de Noordzee zwerven zij, als meeuwen, op fladderende\\nvleugels, aan den horizont. In beiden leeft de ziel der men-\\nschen: en de ziel van het Noorden is als hare zee: onstuimig,\\nwoelig, onbevredigd, in het onmetelijke zich verliezend. De\\nNoordzee wordt nooit een middellandsch water, en de Noorman\\nnooit een Griek, trots Winkelmann en G\u00c3\u00b6the. Hoe stout", "height": "4344", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0262.jp2"}, "263": {"fulltext": "215\\ngeschreven, hoe juist: hoe bruischend, hoe verheven! Maar\\ndiezelfde romantische Noordzee is het element van een volk\\ndat door dien vreemden schrijver geteekend wordt, als zedelijk,\\nmaar baatzuchtig, koud van hart, leeg van schoone gedachten\\nen verbeelding: en aan hoe velen van zijne Noormannen is\\nhet wel vergund, \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ns in hun leven de Noordzee van onze\\nduinen te aanschouwen? En Eilderdijk! was hij dichter of\\nniet? Wat hij ook in de vroegere dagen van zijn leven moge\\ngezien hebben, hoe moet die indruk niet verflaauwd zijn, toen\\nhij jaren achtereen, met zeldzame afwisseling, tusschen ka-\\nmermuren besloten, onder wezenlijk of ingebeeld lijden van\\nligchaam en ziel, dichtwerken schiep, waarin men zeker geen\\nmatheid of loomheid of armoede van gedachten aanwijzen kan.\\nAlle deze overdenkingen zweefden mij ook nu weder voor\\nden geest en ik vroeg aan Charinus die spoedig oorzaak had\\nom stil te staan en mij het een of ander te doen opmerken\\nik vroeg hem: wat denkt gij over dat laatste antwoord van\\nDioeles, over dat niets? Dat is mij zelven niet regt dui-\\ndelijk, antwoordde hij. Het onderwerp, waarop gij het gesprek\\ngebragt hebt, herinner ik mij niet, ooit met hem behandeld\\nte hebben. Het is moeijelijk, tot eenige juiste bepaling met\\nhem te geraken, wanneer men gesprekken voert over smaak\\nen gevoel. Het schijnt dat hij het fijne en rigtige van beide\\nvoor eene buitengewone gaaf houdt, wier gebrek door geene\\noefening kan vergoed worden: daarom heeft hij welligt een\\nafkeer van alle redenering over zulke dingen, die toch niet\\ntot een vast begrip kunnen gebragt of met den duimstok gemeten\\nen op de hand gewogen worden: die geen hamer verbrijzelen,\\ngeen smeltkroes oplossen kan. Dat is alles waar, antwoordde\\nik; maar hij kon er evenwel over spreken. Zou hij werkelijk\\nvan oordeel wezen, dat het romantische niets is? De woorden\\nzijn immers teekenen van zaken, en wanneer men een woord", "height": "4364", "width": "2680", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0263.jp2"}, "264": {"fulltext": "216\\nalgemeen hoort gebruiken, dan wordt er zeker eene zaak mede\\nbeteekend, een voorwerp, of begrip. Daarin hebt gij gelijk,\\nzeide Charinus en ik geloof ook niet dat het niets van Diodes\\nin zulk eenen zin opgevat moet worden. Maar het is mogelijk,\\ndat hij te kennen heeft willen geven dat verre de minsten\\nzich eene juiste rekenschap weten te geven van hetgeen zij met\\nhet woord romantisch bedoelen. Zoo die meening blijft\\nvoor zijne rekening antwoordde ik hem. Twijfelt gij vroeg\\nCharinus mij gelooft gij dan dat de meesten een helder denk-\\nbeeld hebben van het klassieke? Neen, wacht eens! dat is\\nte erg: wie kent dat niet? Allen weten immers, dat klassieke\\nschrijvers dezulken zijn, wier schriften reeds lang voor onze\\ntijdrekening tot klassen van uitgelezen, boven de overigen\\nuitstekenden, gebragt zijn: en, dat men dus met klassieke\\nschriften zeggen wil: schriften, waarin de kunst het hoogste\\ntoppunt bereikt heeft en die juist niet modellen zijn ter navol-\\nging of nabootsing of naclping maar m igtsnoeren tot leiding\\nvan gevoel en smaak. Dat klinkt zeer goed, antwoordde\\nmij Charinus; maar stelt men niet het romantische tegenover\\nhet klassieke? Zijne onverwachte vraag bragt mij van mijn\\nstuk: want ik gevoelde zeer goed, waar dat op uit moest\\nloopen: immers zoo doende, zou het romantische datgene wor-\\nden, waarin de kunst den hoogsten trap niet bereikt, en dat\\nniet deugt tot regeling van vernuft en smaak. Zij denken\\ner dan zekerlijk iets anders bij zeide ik het zou mij eigenlijk\\nniet verwonderen dat zij het klassieke hielden voor het oude\\nhet afgeschafte, en het romantische voor het nieuwe, dat in\\nde plaats van het andere gekomen is meer voor onze tijden\\nonze zeden, onze levenswijze en beschaving geschikt. En\\nzou dit den vorm betreffen, of de zaken? vroeg hij mij.\\nBeide, dunkt mij, antwoordde ik. En wanneer zou men,\\nmeent gij, dat nieuwe tijdperk ingegaan zijn? Dat is", "height": "4352", "width": "2608", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0264.jp2"}, "265": {"fulltext": "217\\nmoeijelijk te bepalen. Toen de barbaren Europa begonnen te\\noverstroomen en de Noordsche of Germaansche mythologie van\\nden eenen kant, en de Moorsche galanterie en woordspelingen\\nvan den anderen, zich vermengden met een klein overblijfsel\\nvan het klassieke maar dat bedorven en verzuurd was toen\\nis dat mengelmoes aan het gisten geslagen; maar het had\\neindelijk uitgewerkt, en toen werd het een oorspronkelijk deeg,\\nwaarvan men nu romantische lekkernijen bakt. Aldus verbeeld\\nik mij dat zij het willen opgevat hebben. Gij onthaalt\\nons smakelijk, zeide Charinus: en zoo er slechts geen gevaar\\nis dat maag en eetlust bedorven worden dan is dit geen\\nongeluk in den tegenwoordigen toestand van zaken. Maar\\nhoor eens (en hiermede nam hij mij arm aan arm ver-\\ntrouwelijk, terwijl wij nu en dan eene schrede opwaarts gingen,\\nen Diodes ons ver vooruit, en bijna tot den top genaderd was)\\nhoor eens, zeide hij: wij zijn hier alleen, en wie zal ons in\\ndeze vrije natuur beluisteren? Gij schijnt u over den tegen-\\nwoordigen staat der fraaije letteren te bekommeren: ik heb\\nzelf wel eens zulk eene ontevredenheid in mij bespeurd. Maar\\nik ben er gedeeltelijk van genezen; het overige der beterschap\\nzal langzaam volgen. Laten wij het elkander bekennen, dat\\ndie uitsluitende studie der Ouden partijdig maakt. Ik pleit\\nniet voor het romantische of voor eiken anderen naam, dien\\nmen aan de hedendaagsche manier en vorm van werken der\\nverbeelding geven wil; maar zeker is het, dat onze beschaving\\nthans op een ander standpunt is. Alle mogelijke denkbeelden,\\ndie de wezenlijke wereld oplevert, zijn aangegrepen en bewerkt,\\nmet meerder of mindere juistheid en kracht: en wat het men-\\nschelijke vermogen bereiken kon, schijnt bereikt. Wilt gij ons\\nin dezen zelfden kring eeuwig doen ronddraaijen? Dat zou\\nzoo afgrijsselijk beginnen te vervelen dat men eindelijk wenschen\\nzou alle denkbeelden van den aardbodem te kunnen uitwis-", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0265.jp2"}, "266": {"fulltext": "218\\nsehen, en weer van nieuws af aan te mogen beginnen. Ik\\nkan u dat met eene alledaagsche vergelijking duidelijk maken.\\nVerbeeld u, dat gij er op aan komt, waar een getal per-\\nsonen zich vermaakt met springen. Zij beginnen allen van\\n\u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ne en dezelfde lijn, en wedijveren wie het verste komen\\nzal. Zoo lang gij er ziet, die al weder verder springen dan\\nde vorigen, of zich zelve al weder een duim ver overtreffen,\\neven zoo lang zal het u bezig houden, en Avelligt doet gij\\ngelf uit liefhebberij een enkelen sprong mede. Maar ein-\\ndelijk is de verste sprong gedaan: het merk staat er duidelijk,\\nen de springers brengen het niet verder. \u00e2\u0080\u009eDie verste springer\\nis mijn man, denkt gij: en nu begint het u te vervelen:\\nzelfs het gelach, als er een is, die maar halverweg komt, of\\neen ander, die valt. Gij wilt heengaan; maar \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n uit het\\ngezelschap komt met een stok, en brengt het daarmede al\\nweder verder. Dat moet ik nog eens aankijken, denkt gij:\\nen nu gaat het met den stok op dezelfde wijze: de tijd begint\\nu al weder lang te vallen, tot dat er \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n, onder den sprong,\\ntegen den stok oppalmt, en door het wringen van zijn ligchaam\\nzich vooruitzet zoo doende komt er geen eind aan uw kijken.\\nDat moet vervaarlijke sprongen geven, zeide ik, als spierkracht\\nen vermetelheid er bijkomen*. -en dit zeggende, maakte ik mij\\nallengs van zijnen arm los, en zag hem ernstig aan: want\\nzijn beeld mishaagde mij wel niet, maar ik vermoedde, dat\\nhij schertste. Neen! zeide hij, mijnen twijfel bemerkende,\\nik meen, wat ik zeg. Hierin ligt het onderscheid tusschen\\nwetenschap en kunst: in de wetenschap is het een berg, dien\\nmen ophoogt onbepaald hoe hoog al ging het boven de\\nwolken uit: zoden, steenen, zand, het is alles bruikbaar: de\\neene komt met een kruiwagen, de andere met een grooten\\nkar; en hij zelf, die een handvol aarde aanbrengt, is behulp-\\nzaam, en hij draagt de borst misschien hoog genoeg, als hij", "height": "4344", "width": "2576", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0266.jp2"}, "267": {"fulltext": "219\\nzoo ijverig af en aanloopt, en zijn handvol nederwerpt boven\\nop de vracht van zijn voorganger. In de kunst is het altijd\\nspringen van meet af aan, en wie het verst gekomen is, heeft\\nhet gewonnen. Wat achter zijn merk staat, dient slechts tot\\nvergelijking; en misschien worden die achterste merken allengs\\ndoor de wandelaars vertreden en uitgewischt Maar de\\ntoepassing van uwe vergelijking? vroeg ik hem. Wanneer\\nnu de denkbeelden der wezenlijke wereld, of der zigtbare,\\nuitgeput zijn antwoordde Charinus kan het dan bevreemden\\ndat men ze daar buiten zoekt dat men het zigtbare en denk-\\nbare met het onzigtbare en onbegrijpelijke vermengt: dat de\\nverbeelding van bevattingen tot zwevende beelden en tot een\\nschemerend voorgevoel opklimt, zich losmaakt uit de beperktheid\\nder stoffelijke ondervinding en gewaarwordingen, en zich in\\nhet onbegrensde poogt te verliezen? dat het gemoed, zijne\\nsubjectiviteit verliezende, met het onmogelijke in \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n smelt:\\nhet wanstaltige en schoone tot \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n. Houd op riep\\nik. Gij plaagt mij en wilt mijn Hollandsen hoofd pijnigen.\\nO prachtig uitzigt!\\nWij waren op een terras gekomen, dat een weinig lager\\nwas, dan de kruin van den berg, en van waar alles zigtbaar\\nwas, wat ten noorden van den Drachenfels ligt. Ach,\\nCharinus, riep ik, waarom brengen wij nevelen en scheme-\\nringen in de kunst, zoo lang de wezenlijkheid zulke heldere\\nbeelden oplevert\\nDe zon, die niet ver meer van haren ondergang was, ver-\\nspreidde een zacht licht over het landschap: nog tintelden hare\\nstralen hier en daar in de golfpunten van den Rijn, die bij\\nBonn eene wending maakt, en schijnt te verdwijnen, maar op\\nverderen afstand weder zigtbaar wordt. De Godesberg schuins\\naan de overzijde, en de omringende heuvelen verlengden\\nhunne schaduwen. Op* mijne beurt nam ik Charinus vertrou-", "height": "4364", "width": "2676", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0267.jp2"}, "268": {"fulltext": "220\\nweiijk in den arm, en zeide: het is zonderling: hoe hooger\\nmen stijgt, des te indrukwekkender wordt die stroom. Het\\nmoet wezen, dat men hier zulk eene uitgestrektheid van\\nzijnen loop overziet. Waarom, Charinus, zouden wij onzen\\nlust zoeken in het onbestemde, in het onmogelijke, in een\\nonmetelijk niets, dat even weinig te kennen geeft, als het\\nzelf is? Laat hem van verveling en uitputting spreken, die\\nbeneden aan den oever blijft zitten, en, het oog op \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n punt\\ngevestigd, de eene golf na de andere ziet volgen, met een-\\ntoonig geklots, dat de ziel tot eene mijmering stemt, die\\neindelijk ophoudt gedachte te zijn? Gelooft gij niet, dat het\\ngeheim der kunst in de keuze ligt van het standpunt der\\nbeschouwing? Op een genoegzamen afstand gezien, wordt\\nhet voorwerp den kunstenaar eene aanleiding tot algemeene\\nbegrippen, die de eene gedachte na de andere opwekken.\\nZie! uw Rijn stroomt zoo rustig daarheen: zoo heeft hij,\\neeuw in, eeuw uit, gestroomd, en hoe vele eeuwen zal hij\\nniet nog blijven stroomen? een beeld van onuitputtelijke kracht\\nen leven Geslacht aan geslacht is bij zijne bedding voor-\\nbijgegaan en verdwenen! Charinus! zoo ik dichter was, in\\nden echten zin van het Woord ik zou hier over geen armoede\\nof eentoonigheid van denkbeelden klagen Nu dat is\\nwel, antwoordde hij: ik heb het ook zoo erg niet gemeend,\\nen ik mag, als Duitscher, niet ondankbaar zijn jegens den\\nEijn, die zoo menige heerlijke gedachten opgewekt heeft:\\nzelfs bij vreemden, zeide ik, die u dezen stroom met zijne\\nvrolijke wijnbergen benijden. Misschien stond op deze zelfde\\nplek die sombere dichter, wiens hart eene gapende wonde\\nwas: wiens verrukkingen meestal gepaard gingen met een\\nblik van verachting op de menschelijke togten en aandoeningen:\\nwiens kunst altijd een raadsel zal wezen van het reinste\\nschoonheidsgevoel en den akeligsten moedwil in het pijnigen", "height": "4348", "width": "2568", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0268.jp2"}, "269": {"fulltext": "221\\nvan zijn eigen gemoed. Maar hier werd het verteederd,\\nen misschien is er eene traan gevloeid langs het edele gelaat,\\ndat anders de gewaarwordingen zijner ziel met een bitteren\\nglimlach uitdrukte. Gij weet zeker, wat hij gezongen\\nheeft, zeide Charinus. Ten naastenbij antwoordde ik hem:\\nhet is eene herinnering aan vroegere jaren, toen hij, met\\nminder diepe kennis van het menschelijke hart, het zijne\\novergaf aan eene neiging, die in harmonie was met eene\\nnatuur, zoo als hij ze later hier aanschouwde. Aan eene\\noverzetting heb ik mij nooit gewaagd: lees het zelf in den\\nChilde Harold. Maar wordt het niet tijd, dat wij boven\\nkomen\\nDiodes stond ons met ongeduld te wachten, en ons on-\\nbescheiden achterblijven had waarschijnlijk niets toegebragt,\\nom hem tot opgeruimde vrolijkheid te stemmen.\\nToen ik met Charinus op den top kwam, vonden wij\\nDiodes zoo als zijne gewoonte was wanneer hij aandachtig\\ntoezag, met gekruiste armen staan, naar den overkant van\\nden Eijn gekeerd: zijne oogen, zoo het scheen, op Eolands-\\nEck gevestigd. Het verwonderde mij niet, dat een man,\\ndie meer dacht, dan zijn strak gelaat somtijds aankondigde,\\nvoedsel vond in dit oord voor beschouwingen zonder einde,\\ndie zich de eene uit de andere moesten ontwikkelen. Er\\nwas eenige oogenblikken stilte terwijl ik de bedwelming on-\\ndervond, die het onverwachte gezigt van een rijk en majestueusch\\nschouwspel veroorzaakt, waarin men zich nog geen rekenschap\\ngeven kan van zijne gewaarwordingen, en de blik van het\\n\u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ne voorwerp naar het andere dwaalt. Het zuidelijke ge-\\ndeelte lag open: graauwe rotsen, glooijende wijnbergen,\\nkoornvelden, dorpen in menigte, meer landwaarts in, of", "height": "4364", "width": "2688", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0269.jp2"}, "270": {"fulltext": "222\\nlangs beide oevers van den Eijn die van uren afstands\\nniet zachte kronkelingen aanstroomde 5 en wiens oppervlakte,\\nwaar zij, door geen wind gerimpeld, glad voortgleed, door\\nhet teruggekaatste licht glinsterde, of ingesloten tusschen\\nsteile oeverrotsen, in eene donkere tint lag. Bijna aan den\\nvoet van den Drachenfels het eiland Nonnenwerth, met\\nzijn uitgebreid klooster: de voorwerpen, die leefden, en\\nmisschien met groote krachtinspanning en snelheid zich be-\\nwogen, van deze hoogte gezien, als of zij een tragen gang\\nhadden de Eolands-Eck tegen over een lagere berg dan\\nde Drachenfels en op zijn kruin de overblijfsels van eenen\\nburg.\\nNog stond Diodes deszelfs bouwvallen te aanschouwen.\\nDacht hij in po\u00c3\u00abzij hoe de ridderlijke deugden in die kas-\\nteelen gehuisvest hadden? of meer historisch, dat thans geen\\nreiziger op den vloed, of in het bergpad, van die hoogten\\nbeloerd en aangevallen en uitgeschud werd? of zag hij nog\\nverder terug, dat de Eomeinen ook hier hunne reeks van\\nsterkten aanlegden, om hunne verre wingewesten en den\\nwoelgeest der barbaarsche inwoners in teugel te houden? of\\nklom hij nog hooger op in tijden, waarvan niet de ge-\\nschiedenis maar de volkanische toestand dezer streken ge-\\ntuigde?\\nGij hebt mij ongetwijfeld iets van Eolands-Eck te ver-\\nhalen, vroeg ik aan Charinus, nadat hij mij opmerkzaam\\ngemaakt had op het een en ander, dat mijn onervaren oog\\nnog niet bespeurd had. Ja wel! antwoordde Diodes, in\\nzijne plaats: romantisch en lief! Zoo! dacht ik: het woelt\\nnog bij hem daar krijgen wij meer van het zal nu mis-\\nschien beter gelukken, dan op dien kouden steen. Hij\\nscheen uitgerust te hebben, en de wind verhinderde ons niet,\\nop deze plek te vertoeven, omdat wij beschut werden door", "height": "4344", "width": "2604", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0270.jp2"}, "271": {"fulltext": "223\\nde muren van den ouden burgtoren, die de kroon is van\\nden Drachenfels. Het is mijn zwak, zeide Charinus, de\\nvolksverhalen uit de ricldergescliiedenis van deze streek op te\\nsporen: en ik wil gaarne mededeelen, wat ik van Eolands-\\nEck weet, mits Diocles mij niet telkens in de rede valle\\nik weet niet, hoe ik van daag zulk een tegenwind heb uit\\nzijne proza\u00c3\u00afsche bui. Diocles glimlachte, maar antwoordde\\nniets. Ik ondervond naderhand nog meermalen dat hij\\ngewoon was tegen te spreken met ironie, en dan verder te\\nzwijgen, wanneer hij in een gesprek gedeeld had, dat, naar\\nzijn oordeel, eene verkeerde rigting nam: ten zij hij eene\\ngelegenheid vond, om zijne meening duidelijk uit te leggen.\\nDan sprak hij met overtuiging, en zijne uitdrukking was\\nwarm, en niet zonder kracht.\\nWelnu, de legende? vroeg ik. Charinus begon: De\\nridder Eoland deed eens eenen strooptogt in deze buurt,\\nen hij vond s avonds herberging in een kasteel, waar de\\nburgheer hem gastvrij onthaalde; maar de schoone Hilde-\\ngonde, dochter van den ouden ridder, overmeesterde het hart\\nvan Eoland. De gelieven beloofden elkander trouw, en echt-\\nvereeniging, zoodra Eoland teruggekeerd zoude zijn van eenen\\nkruistogt naar het Heilige Land. Hij vertrok, en na een\\njaar kwam een ander ridder van dien kruistogt naar huis,\\nen overnachtte in den burg van Hildegondes vader. Met een\\nbang voorgevoel vroeg zij hem tijding van Eoland. \u00e2\u0080\u009eHij is\\nstrijdende aan mijne zijde gevallen, antwoordde hij. Het\\narme meisje werd bleek, en zat als een marmer beeld op\\neen grafsteen zegt het verhaal. Zij verzocht van haren vader\\nen ontving verlof, om in het klooster van Nonnenwerth hare\\ndagen te slijten. Haar proeftijd werd verkort, en zij deed\\nhare gelofte. Maar Eoland was niet gesneuveld! Yan zijne\\nwonden bekomen en hersteld, keerde hij terug, doch vond Hil-", "height": "4364", "width": "2672", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0271.jp2"}, "272": {"fulltext": "224\\ndegonde niet zij was voor hem verloren. Hij wierp zijne\\nwapenen weg, en bouwde zich eene kluis op gindsche rots,\\naan wier voet gij het eiland met zijn klooster ziet liggen.\\nDaar zat hij gansche dagen, en zag neder op den Nonnen-\\nwerth, tot dat hij eens een graf zag delven, waarin men\\nhet lijk eener zuster liet nederdalen, en het requiem steeg in\\nflaauwe klanken tot hem op. Hij huiverde en rilde en toen hij\\nvernam, dat Hildegonde haar leven ge\u00c3\u00abindigd had, bleef hij,\\neven als te voren, op zijne vaste uren, aan de deur zijner\\nkluis zitten, en keek op het klooster neder. Op een guren\\nherfstmorgen vond men hem in die houding; maar hij zat\\ndood en verstijfd.\\nOnder dit verhaal had ik nu en dan Diocles aangekeken\\nen gemeend te bemerken, dat het hem niet ongevallig was.\\nIk raakte hierdoor de kluts kwijt. Want waarlijk dit verhaal,\\ndocht mij was romantisch zoo als er ooit een geweest\\nwas. Of het romantische in de kluis lag, of in het non-\\nnenklooster, of in den berg en het eiland, of in het dood\\nblijven zitten, dit wist ik niet juist; maar het kwam mij\\ntoch voor, dat Charinus een geraamte gegeven had van een\\necht romantisch dicht- \u00c3\u00b3f prozastuk, en ik zeide hem:\\nGij hebt het de zon afgewonnen: want zij is nog boven\\nde toppen van gindsche heuvelen. Ik vreesde ook, ant-\\nwoordde hij, zoo als de Ouden zeiden, de zon met mijn\\nverhaal te doen ondergaan. Maar, hernam ik, uwe legende\\nis mij als eene schim voorbij gezweefd ik had er gaarne\\nwat beenderen en vleesch, en een matigen tooi aan gezien.\\nIk was bang voor Diocles antwoordde hij als het eene\\nschim is, dacht ik, dan heeft hij er minder greep aan.\\nIn jongere jaren, toen mijne verbeelding woeliger en stouter\\nwas, heb ik het geval in eene romance gebragt. Toen was\\nhet een afgewerkt beeld, en geen gelaatstrek, geene spier,", "height": "4336", "width": "2604", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0272.jp2"}, "273": {"fulltext": "225\\ngeene ader ontbrak er aan. Geef er ons ten minste \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n lid van,\\nzeide ik de oudheidkenner vergenoegt zich zoo dikwijls met een\\nfragment. Ik zou u gaarne zelfs het geheel geven, ant-\\nwoordde Charinus maar de maat en het rijm zijn mij ontgaan.\\nHet spreekt van zelf, dat ik partij getrokken heb van sommige\\ntoestanden (situati\u00c3\u00a8 n, zegt de kunst) waarop de po\u00c3\u00abtische schilde-\\nring al hare krachten besteden kon eene allernaauwkeurigste\\nbeschrijving van geheel dit oord: eene teekening van de blonde\\nHildegonde, waaraan niet de minste kleinigheid ontbrak, en van\\nden geduchten Eoland, dien ik vooral in het gevecht tegen de\\nongeloovigen vergezelde. Daar deed hij wonderen en die kon\\nik bij zoo groot eene befaamdheid van den held niet ligt over-\\ndrijven. Maar mijne grootste kracht had ik bespaard voor het\\nslot. Want ik verbeeldde mij zoo levendig dien armen kluizenaar,\\nwiens ligchaam door kommer reeds half uitgeteerd was, hoe\\nhij nog steeds op het klooster nederkeek, en op de plek,\\nwaar zijne Hildegonde rustte, en op den grafsteen, die, op\\nzulk eenen afstand, naauw merkbaar was. Het was een\\nkoude herfstmorgen en hij zat, en tuurde door de nevelen\\nvan het Eijndal heen. Doch reeds waren zijne oogen zel-\\nven beneveld; geen gedachten woelden meer in zijnen boezem;\\nslechts het gevoel eener onpeilbare smart. Zijn hart klopte\\ntrager en stuwde het bloed niet meer door zijne aderen\\nzijn ademtogt werd flaauwer: zijn gelaat bleeker en klam-\\nmer zijne oogballen zonken dieper weg dof en mat\\nmaar nog op het eilandje gerigt. De bergwind zuisde om\\nhem heen en speelde in zijne zwarte haarlokken maar\\nwekte hem niet uit zijne gedachte: het was zijne laatste\\ngeweest.\\nBravo! riep ik, dat is sterven: de Mazeppa van Byron\\nwint het u met moeite af. Ik zag naar Diodes en meende\\nzijne toejuiching te zullen hooren, toen hij plotseling zich\\n15", "height": "4364", "width": "2664", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0273.jp2"}, "274": {"fulltext": "omkeerde, met den rug naar den Eijn gekeerd, zich schrap zet-\\ntede als een schraag, zich voorover boog, diep, het hoofd digt\\nbij den grond. Ik schoot toe want ik dacht dat hem iets over-\\nkwam. Wacht! riep Charimis, mij tegenhoudende; hij ziet\\ntusschen zijn beenen door: dat doen wij op de bergen wel meer,\\nofschoon ik het Diodes nog nooit heb zien doen. Beproef het ook\\neens. Ik gehoorzaamde, eenigzins bevreemd; maar Charinus\\nging mij insgelijks voor: en z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 stonden wij allen drie in zon-\\nderlinge houdingen. Het zou niet genoeg wezen te zeggen,\\ndat ik alles t onderste boven zag: ik weet niet of de ge-\\nperste stand, of eene suizeling in het hoofd de oorzaak was;\\nmaar het scheen geene natuur meer, die ik zag; het was\\neene nabootsing, eene schilderij, die men omgekeerd hield:\\nde omtrekken vertoonden zich minder scherp, en de tinten\\nsmolten zachter in \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n. Hoe bevalt u dat romantische\\ngezigt, vroeg mij Diodes, die zich weder opgerigt had.\\nIk zocht naar een antwoord: want zijne vraag verbaasde\\nmij. Hoe! dacht ik, houdt hij het romantische voor eene\\nnatuur die t onderste boven staat dat heb ik nog nooit\\nin romantische stukken opgemerkt! Maar de toon, waarop\\nDiodes mij dit vroeg, was zoo vriendelijk en innemend, dat\\nhet scheen, als of hij onze dwaalbegrippen in zijne stille\\noverdenking verduwd had en nu eerst deel begon te nemen\\nin het gesprek, dat onze wandeling veraangenaamde, en voor\\nmij vruchtbaar maakte. Terwijl ik nog met mijn antwoord\\ndraalde, keerde hij zich naar Charinus, en zeide: Het is\\nzonderling, dat gij naar het romantische zoekt, terwijl gij\\nzelf romances maakt. In mijne jeugd gemaakt heb, antwoordde\\ndeze maar toen was men in geen tel indien men zijne krachten\\nop die kleine dichtsoort niet beproefde, en ik twijfel, of het mij\\ntegenwoordig wel gelukken zou. Dat hopen wij anders, zeide\\nDiodes en onze vriend die regt heeft om in ons vaderland rond", "height": "4340", "width": "2612", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0274.jp2"}, "275": {"fulltext": "227\\nte vragen Wat is romantisch moet door u niet in den waan\\ngebragt worden, dat het romantische voor de jeugd, en het\\nklassieke voor den ouderdom is. Daar waarschuwt gij mij\\nbij tij ds, zeide ik: want ik begon die gevolgtrekking reeds te\\nmaken, waartoe buitendien de ondervinding reeds aanleiding\\ngenoeg geeft. Dat mag in zijn vaderland het geval wezen,\\nzeide Diocles tot Charinus; maar het schijnt dat gij beiden te\\nvergeefs zoekt naar eene definitie, die het geheele romantische\\nomvat. Welaan laat ons de romance vasthouden daarin moeten\\nwij zonder twijfel de duidelijkste karaktertrekken vinden. Naar\\nliet romantische hebt gij toch gestreefd, toen gij die schoone\\nromance gemaakt hebt. Wat hebt gij toen gezocht te bereiken\\nGharinus dacht eene wijl na 3 en zeide de voorstelling eener\\ndaad of gebeurtenis eene duidelijke maar korte opgaaf van de\\naanleiding en oorzaak; maar in de beschrijving der gebeurtenis\\nzelve de grootst mogelijke kracht en uitvoerigheid. Zulk\\neene heldere definitie moet u bevallen, zeide Diocles, mij aan-\\nziende; maar, (vroeg hij verder aan Charinus,} wanneer die\\ngebeurtenis eene reeks van opeenvolgende voorvallen is?\\nDan is het geene romance meer, antwoordde Charinus.\\nOok niet romantisch vroeg Diocles nu moet gij ons helpen\\nanders komen wij tot het besluit, dat het romantische in\\nhet veAaal van \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ne gebeurtenis bestaat, en dan loopen wij\\ngevaar, dat de klassieken eene menigte enkele gebeurtenissen\\nuit Homerus ligten en ze ons voor de voeten werpen zullen,\\nzeggende: daar hebt gij romantische stukken, midden uit de\\nklassieke eeuw. Die gevolgtrekking zou nog al voorbarig\\nzijn, antwoordde Gharinus: want vooreerst moet gij niet uit\\nhet oog verliezen, dat het kunstige van maat en rijm een we-\\nzenlijk bestanddeel van die kleine dichtsoort ft Dat schut\\nik: (zoo viel ik hem in de rede) in uw eenvoudig proza heb\\nik het romantische herkend. Stil! zeide Diocles, en hij\\n15*", "height": "4360", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0275.jp2"}, "276": {"fulltext": "228\\nvroeg aan Chariims Wilt gij hiermede zeggen dat bij voorbeeld\\nde roerende episode van Nisus en Euryalus, bij Virgilius,\\nklassiek is; maar, wanneer gij ze verhaalt met de kunstige\\nmaat en rijm van uwe romance, dat zij dan romantisch wordt?\\nIn dat geval hebben wij Homerus en Yirgilius slechts in ro-\\nmantische verzen over te zetten: dan houden de strijd en\\ntwijfeling op, en de liefhebbers der beide manieren kunnen\\nelkander in de denkbeelden ontmoeten. Charinus antwoordde\\nniet: het was merkbaar, dat hij stond te wankelen op de grens-\\nlijn, en ze zocht, terwijl zij hem ontslipte. Na eenige oogen-\\nblikken van stilte zeide hij meer vragend dan verzekerend\\nGij vergeet, wat ik reeds gezegd heb, dat, in de romance,\\nhet hoofdmoment der gebeurtenis krachtig en uitvoerig ge-\\nschilderd wordt. Neen, dat vergeet ik niet, antwoordde\\nhem Diodes maar ik moet u nog vragen, waarin het\\nromantische ligt, wanneer gij de naauwe grenzen der\\nromance verlaat, en uw verhaal verder uitbreidt. Ligt het\\ndan in de maat en in het rijm? Gedeeltelijk. Ook\\nin de zaken en denkbeelden? Gedeeltelijk. En in\\nwat nog meer? Charinus verloor zijn geduld: Beschrijving,\\nbeschrijving, (riep hij, als of hij wanhopend werd) beschrij-\\nving, teekening, schildering, naauwkeurige opmerking der\\nfijnste bijzonderheden, ontleding eener daad in alle hare drijf-\\nveren, eener werking der ziel in alle hare weifelingen en te-\\ngenstrijdigheden, eener gebeurtenis in alle hare wisselingen,\\nstanden en groeperingen, van een natuurtooneel in al zijn\\nvoorwerpen, vormen, kleuren en tinten: kracht van tegen-\\nstelling in het schoone en misvormde, in het verhevene en\\ngemeene, in het ware en valsche, in het goede en slechte.\\nDie kracht heerscht in het romantische drama: (ging hij een\\nweinig bedaarder voort) zij volgt de natuur, die zelve alle\\ndie verscheidenheden oplevert, en het \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ne door de tegenstel-", "height": "4340", "width": "2612", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0276.jp2"}, "277": {"fulltext": "229\\nling van het andere doet uitkomen. De eenvoudige opmer-\\nking dier waarheid heeft de kunst in eene nieuwe baan ge-\\nplaatst, en zij doorkruist een onafzienbaar veld van verbeelding\\nen vinding. Daar zit gloed in, zeide Diocles, zich naar\\nmij wendende: ga nu naar uwe landslieden, en vertel hun\\nwat romantisch is gij hebt het gehoord. Het is duidelijk\\ngenoeg, antwoordde ik hem: en wanneer ik te huis gekomen\\nben, zal ik het nog eens goed overdenken en, met zijne\\ndefinitie in het hoofd, eenige klassieke en romantische stuk-\\nken met elkander vergelijken. Ik heb slechts aan Charinus\\nte verwijten, dat hij ons zoo lang heeft laten zoeken naai-\\nde wetenschap, die hij bezat. Die wetenschap is zoo oud\\nniet, als gij misschien denkt, zeide Charinus. Het zijn denk-\\nbeelden, die uit ons gesprek voortgesproten zijn, en zich bij\\nmij ontwikkeld hebben, of liever ontwikkeld en uitgezet door\\nhet bijkomen van uw beider gedachten. Als een sneeuw-\\nval, (zoo viel Diocles hem in de rede) die zich vergrootende\\nonder zijne vaart, naar beneden rommelt: bons, daar ligt hij,\\ntot schrik van de stille dalbewoners, zoo hij niet uiteenspat\\nen smelt. Ik vond die vergelijking niet heusch, en ik\\nbegon te vreezen, dat het gesprek eene minder aangename\\nwending ging nemen. Daarom wees ik aan Charinus een\\nklein bootje, dat van K\u00c3\u00b6ningswinter den Eijn overstak. De\\nroeijer, dien men ter naauwernood onderkende, scheen met\\nalle kracht te arbeiden; maar de stroom sleepte hem z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3\\nsterk voort, dat het was als of hij de overzijde eerst bij\\nBonn bereiken zou. Dat komt er van, zeide Diocles, als\\nmen in een stroom roeit zoo men de overzijde bereikt men\\nkomt evenwel verder dan men wezen wil.\\nTerwijl hij dit zeide, zag hij naar alle kanten rond, als\\nof hij iets zocht. Welnu wat zoekt gij vroeg hem Cha-\\nrinus. Iets misvormds en leelijks, antwoordde Diocles;", "height": "4356", "width": "2676", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0277.jp2"}, "278": {"fulltext": "J30\\nmaar ik kan het niet vinden: en dat is ongelukkig voor\\niemand, die dit oord romantisch beschrijven wil: want zulk\\neene beschrijving moet, zoo als gij zegt, de natuur volgen,\\ndie zelve zulke verscheidenheden oplevert, en het eene door\\nde tegenstelling van het andere doet uitkomen. Het is So-\\nerates en Phaedrus evenzoo gegaan: zij zagen niets leelijks\\nrondom zich of wilden het niet zien daarom, is de inleiding tot\\nhun gesprek bij Plato zoo zonder veerkracht en lam: hoor\\nmaar Nu, dat kennen wij sedert lang, zeide Charinus.\\nMaar Diodes was geen man wiens reden men gemakkelijk afbre-\\nken kon Socrates en Phaedrus ging hij voort wandelden bui-\\nten Athene en ontmoetteden elkander het kwam tot een gesprek\\nen de lust bekroop hen, om zich ergens neder te zetten, en\\nop hun gemak te keuvelen. Ziet gij dien breeden platanus?\\nvraagt Phaedrus. Wel nu? Daar is schaduw en eene\\nmatige koelte, en gras en kruiden om op te zitten, zelfs om\\ner op te liggen, zoo het ons lust. Ondertusschen praten\\nzij over de fabel van Boreas die Orithyia geschaakt had op\\ndiezelfde plek, digt bij de boorden van den Ilissus, waar het\\nwater helder en doorschijnend was, en zoo uitlokkend voor\\njonge meisjes om te spelemeijen. Zij spraken er over, even\\nals Charinus over het Drakenhol, en over Eoland en Hilde-\\ngonde, en hadden zij er maar over voortgepraat zij hadden\\nwelligt heldere denkbeelden gekregen, en wij zouden reeds in\\nPlato over het romantische lezen. Maar ongelukkig komen\\nzij bij dien schoonen platanus! \u00e2\u0080\u009eHet is waar, zegt Socrates:\\ndat is eene liefelijke rustplaats want die boom is zoo vol van\\ngebladerte en zoo hoog, en die heesters zijn zoo digt gewassen\\nen zoo vol bloemen de geheele omtrek is er geurig van en\\nzie die beek, die zoo bevallig onder den plataan voorbij vloeit!\\nHet water is kil: ik voel het met mijn voet (want Socrates\\nwandelde ongeschoeid). Deze plaats is zeker heilig en toege-", "height": "4340", "width": "2612", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0278.jp2"}, "279": {"fulltext": "231\\nwijd aan de nymfen en aan Achelous ik gis het nit gindsche\\nstandbeeldjes. Hoe zoet rnischt het koeltje! het stemt in met\\nhet schelle koor der krekels. Maar dit weeke gras is nog het\\naanlokkelijkste op die zachte glooijing zullen ligchaam en\\nhoofd zoo gemakkelijk rusten. Kunt gij begrijpen (zoo\\nging Diodes voort), dat de geheele Oudheid deze beschrijving\\nvan buiten kende, en ze bewonderde: iets zoo eentoonigs, en\\ndat zoo weinig uitgewerkt, en zoo onwaar! Indien Socrates\\nen Phaedrus slechts goed toegekeken hadden, wie weet of zij\\nniet een half omgevallen, door ouderdom uitgeholden wilg\\nbemerkt hadden met dor gras op de geknotte kruin begroeid\\nof misschien wel een mesthoop Verbeeldt u eens vrienden\\neen mesthoop bij dien platanus en bij die beek! Want niets\\nverhinderde immers, dat er eene boerderij in de buurt was:\\nen dan was het waarheid; en daarheen streeft het romantische\\nHoe veel afwisseling had het gesprek daarin niet kunnen vin-\\nden! Het lommer van den platanus, de kaalheid van den\\nwilg; de geur van het heester-gebloemte de stank van den\\nmesthoop!\\nNu het was al wel zeide Charinus lagenend (want wij\\nwerden vrolijk onder dit betoog). Gij overdrijft ook altijd.\\nZulk eene schreeuwende tegenstelling in de beschrijving van\\niets schoons kan den smaak beleedigen; maar gij verwart\\nmoedwillig de voorstelling van plaats met die van tijd. Tot\\nde eerste behoort de schildering met het penseel, of met de\\ntaal van iederen toestand die duurzaam is en niet verandert.\\nEene schilderij, met verwen of met woorden bewerkt, teekent\\n\u00c3\u00a9\u00c3\u00a9nen toestand, dien het oog met \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9nen blik overziet. Minde*\\nschitterende partijen zullen ook hier het schoone doen uitkomen\\nen die levert zelfs de natuur op, die ons hier omringt. Maar\\nmisvormde en afzigtelijke voorwerpen zouden de uitwerking\\nstoren, indien de kunst ze voorstelde, al was die voorstelling", "height": "4384", "width": "2656", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0279.jp2"}, "280": {"fulltext": "232\\nwaar. Hiermede zag hij mij spottend aan want wij hadden\\nden vorigen dag over de oude Hollandsche schilderschool en\\nover de waarheid in de beeldende kunsten getwist. Ga\\nmaar voort zeide ik ik ben nu in geen luim om mij te\\nergeren: zorg maar, dat gij u zelven niet vast redeneert.\\nWanneer dus de kunst, zeide hij verder, het schoone en tref-\\nfende in \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9nen toestand voor wil stellen dan moet zij streven\\nnaar datgene, wat de kunstenaar even snel in \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n denkbeeld\\nzamenvat, als de besehouwer het met \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9nen blik overzien zal.\\nGeheel anders is het met beschrijvingen, die het penseel niet\\nbereiken kan; waar opvolging van tijd en veranderingen van\\ntoestand plaats hebben. Hoe meer de verhaler of zanger of\\nbeschrijver alles verfraait alles verheven of edel maakt des\\nte onnatuurlijker wordt zijne voorstelling. Hij vermoeit den\\nlezer of toehoorder, wiens bewondering altijd gespannen moet\\nblijven; er zal allengs onverschilligheid, misschien eindelijk\\nverveling bij dezen ontstaan. Hebt gij die heilzame verpoo-\\nzing, op eene wandeling, gedurende eene reis, nooit onder-\\nvonden? en die noodige rust uwer faculteiten, wanneer gij uit\\neene bevallige streek in een bar en onbevallig oord kwaamt:\\nen hoe gij versche bewonderings -kracht hadt, wanneer daarna\\nde weg u voerde, waar gij weder volop genieten kondt?\\nHier viel ik hem in de rede. Dat klinkt alles zeer goed,\\nzeide ik, wanneer men in een rijtuig zit, dat voortrolt, of een\\ngrooten togt doet, waar geen pleisterplaatsen zijn. Maar,\\nrnet uw verlof, de lezer kan zijn boek nederleggen, en den-\\nken nu is het wel dat is voor van daag genoeg Dat\\nheb ik dikwijls met romantische boeken gedaan, zeide Diodes,\\nen somtijds vergeten, ze weder op te vatten. Ik genoot de\\neer, dat Charinus aan mij een antwoord gaf: Gij kuut uw\\nboek nederleggen, zeide hij; maar kunt gij den schouwburg\\nverlaten om uwe bewondering een weinig te laten uitrusten,", "height": "4352", "width": "2604", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0280.jp2"}, "281": {"fulltext": "233\\nwanneer zij vermoeid is, voor dat een bedrijf eindigt? Het\\nstuk zal in dien tusschentijd voortspelen, en wanneer gij te-\\nrugkomt, dan hebt gij den zamenhang verloren, Dat is\\nwaar, zeide ik: daaraan had ik niet gedacht; en ik begrijp\\nnu waarlijk niet, hoe die ligtzinnige Atheners het hebben\\nkunnen uithouden, wanneer zij een paar uren achtereen het\\ngrootsche en achtbare hunner tragedi\u00c3\u00abn bewonderen moesten!\\nHet was ook daar niet alles goud wat er blonk zeide Diodes\\nhet was geen bot noch onbeschaafd publiek: hun kunstgevoel\\nwerd door het kunstoordeel vergezeld. Er werd geschreid,\\nmaar ook wel eens gelagchen. Dat was bij ongeluk. Tegen-\\nwoordig lacht men, omdat de treurspeldichter het zoo hebben\\nwil. Xu, het is onverschillig, waarom men lacht: als er maar\\nafwisseling is: en mij dunkt, dat een klassiek treurspel, ver-\\nstandig met gebreken doormengd, zeer goed aan de romantische\\nbehoefte zou kunnen voldoen.\\nKom zeide Charinus tot mij begrijp gij mij zoo Diodes\\nniet wil. De kunst zoekt waarheid en die behoeft de dramatische\\nkunst niet te verloochenen. (Hoe vreemd, dacht ik in\\nmijzelven dat die menschen van de nevelen en onmogelijkheden\\ntoch naar waarheid zoeken!) Het zal de waarachtige eenheid\\nvan een stuk niet breken, (ging hij voort,) wanneer hoog\\nopgevoerde aandoeningen en driften, in edele po\u00c3\u00abtische taal\\nvoorgedragen, vervangen worden door gesprekken uit het da-\\ngelijksche leven mits zij behooren in het verband der voorstelling.\\nHoe diep en treffend is niet het gesprek der doodgravers in\\nden Hamlet van Shakespeare. Hoe verhoogt het niet de onbe-\\ngrijpelijke kracht van het geheele stuk! En, wanneer men den\\ndiepen zin in de straattaal dier doodgravers opdelven moet, (zeide\\nDiodes) hoe kalm rust dan het bewonderings-vermogen niet uit\\nHet is als de nevel dien wij ginds langzamerhand zich zien uit-\\nbreiden, en die ons uitzigt geheel belemmeren zal, zoo wij", "height": "4364", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0281.jp2"}, "282": {"fulltext": "234\\nlang na den ondergang der zon hier vertoeven. Dat begin\\nik ook te vreezen, antwoordde hem Charinus; maar ik laat\\nslechts het eerste gedeelte uwer vergelijking toe. Iets nevel-\\naehtigs scherpt, bij verpoozing, de aandacht. Dat wil\\nzeggen, antwoordde hem Diodes, dat er in een treurspel\\ntusschen beide een nevel moet komen: men werkt tegenwoordig\\nnog al veel met nevelen; maar ik verbeeld mij, dat een\\nscherm even goed is. Indien men in den schouwburg verlof\\nhad om te roepen: Houdt op! wij zijn moe van het schoone,\\ndan zou het scherm neerdalen, tot dat men uitgerust had.\\nEen wel beschilderd doek is toch even goed, als nevels, of\\nstraattaal, die wij dagelijks op de markt hooren. Charinus\\nantwoordde hem: Gij kent de kunst zoo goed, maar beziet\\nons vraagstuk evenwel steeds van de verkeerde zijde. De\\nhistorische en aesthetische waarheid moeten hand aan hand\\ngaan: buiten deze waarheden zweeft de kunst in het ledige.\\nKunt gij u geen voorval verbeelden in een paleis, waar vorsten\\nen helden eene taal voeren, verheven boven die van het da-\\ngelijksche leven: terwijl personen van minderen rang, bedienden,\\nmenschen uit het laagste gemeen, tevens in datzelfde stuk\\nhunne rol spelen, overeenkomstig met natuur en waarheid?\\nGaat het anders in het leven? En wanneer nu de kunst alle\\ndie draden, grove en fijne, vereenigt en tot \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n weefsel za-\\nmenvlecht Zoudt gij in den roman van W. Scott een kroegtooneel\\nwillen missen, wanneer zich daaruit de draad eener treffende\\ngeschiedenis begon te ontspinnen Behaagt u uit dat gezigtspunt\\nniet het gejoel der brooddronkenheid, het gemeene der taal\\nen der scheldwoorden, wanneer het waarheid is, en levendig,\\njuist, uitvoerig beschreven of verhaald wordt? Terwijl ik\\neen oogenblik stond na te denken over de edele kunst van\\ndien romanschrijver, bij wien het gemeene, zoo dikwijls hij\\nhet noodig heeft, altijd middel, nooit doel is, antwoordde", "height": "4332", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0282.jp2"}, "283": {"fulltext": "Diodes glimlagchend Het is mogelijk, dat uwe manier van\\nredeneren romantisch is maar ik kan ze niet volgen gij klutst\\nalles door elkander; van het drama brengt gij mij in \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ns\\nop den roman. Maar wij hadden over het treurspel nog niet\\nafgehandeld. De oude treurspeldichters wilden het gemoed\\naandoen, treffen, het edele der smart uitdrukken, en de ge-\\nheele diepte dier gewaarwording uitputten eene worsteling van\\nden wil met het noodlot, die de ziel verheft, en zelfs wanneer\\nde lijder bezwijkt, haar het bewustzijn overlaat eener kracht,\\ndie over het stoffelijke triomfeert. Het hart van den toe-\\nschouwer werd geschokt, zoo gij wilt, maar niet gepijnigd,\\nniet gefolterd, als met beulshanden. Dat doet uw romantisch\\ndrama. Weg met uwe waarheid wanneer zij het edele van\\nhet ideaal vernietigen moet Wilt gij weten hoe het er mede\\ngelegen is Het treurspel is eene lijkstatie (Ik spitste\\nmijne ooren want de vergelijkingen van Diodes waren som-\\ntijds vreemd: en nu scheen hij kracht te vergaderen, als wilde\\nhij een einde aan het gesprek maken).\\nHet treurspel, zeide hij, is eene lijkstatie: die ze volgen,\\nzijn verdiept in ernstige gedachten: de treurige pligt weegt\\nzwaar op hun hart. De goede oude kunst zal ze u voorstel-\\nlen met al hare stilte en plegtigheid niet langs ledige straten\\nof waar het oog geen voorwerpen tegenkomt; neen, zij zal\\naan de lijkbaar te gemoet zenden, wat met den statigen\\noptogt strijdig is, maar harmo?iisch strijdig, zoo gij dit ver-\\nstaat: een vorstelijk paleis; maar het versterkt den indruk\\nvan de nietigheid des levens: een spelend kind, dat in on-\\nnoozelheid dartelt; maar het verhoogt de gedachte aan s men-\\nschen bestemming Xeen zegt uwe romantische kunst wij\\nveroordeelen dat wel niet; maar er geschiedt nog meer in de\\nwezenlijkheid: en zij voert de lijkstatie waggelend door\\nhet gedruisch der markt, langs een marionettenspel, misschien", "height": "4364", "width": "2620", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0283.jp2"}, "284": {"fulltext": "236\\ntegen een uitgelaten gemaskerden optogt in. Dat is waarheid!\\nroept zij: z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 is het leven! Ja, zoo kan het zijn; maar\\nuwe kunst behoeft het niet aldus te schilderen, en het hart\\nop te rijten en te verscheuren, steeds de \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ne aandoening met\\neene andere tegenstrijdige te doen worstelen, de verbeelding\\nte teisteren en te vermoeijen, de deugd met ondeugd te\\nbenevelen, en de ondeugd met deugd te vergoelijken, en aan\\nde treurigheid ook dat zoete inmengsel van verteedering te\\nontrooven, dat haar eigen is.\\nDat wordt tragisch, viel Charinus hem in de rede: zulke\\nbuitensporigheden geloof ik niet, dat men aan de duitsche\\nromantische school verwijten kan en waar zij naar uwe\\nmeening, mogt gezondigt hebben, daar schittert evenwel hare\\nkunst. Dat is een verdoemde kunst (riep Diodes), die\\nsmaak en schoonheidsgevoel op den dwaalweg brengt die zich\\nverlustigt in de razernij en van krankzinnigen: die liever het\\nbenevelde verstand schildert, waar \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n enkele lichtstraal in\\ndoorbreekt, dan den glans van een helder begrip. Zij heeft\\nde deur opengesteld voor eenen stroom van schrijvers en schrij-\\nvertjes geen bijen die dommelen in den gloed der zon over\\nbloem en plant; maar gonzende muggen in het vale licht, dat\\ndoor moerasdampen schijnt. Zie maar rondom u in onze\\nletteren, maar ook in die van andere volken. Wat onzinnig,\\nwat afzigtelijk, wat afgrij slijk is, wordt bij voorkeur uitge-\\nplozen, ontleed, in al zijn deelen blootgelegd: met kunst en\\ntalent, God beter t! Zoo veel verstand hebben zij, dat zij\\ngevoelen dat het talent der beschrijving die dingen smakelijk\\nmoet maken; maar men sla dat talent niet te hoog aan! Een\\nriool is een riool en niets meer de enkele melding geeft\\nwalging. Het is zoo moeijelijk niet, het verwulfde metselwerk,\\nde duisternis en de onreinheid te beschrijven kruipt er door\\nzoo het u lust, en wentelt er u in! mits ik wandelen mag", "height": "4336", "width": "2576", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0284.jp2"}, "285": {"fulltext": "237\\nin de zalen van het gebouw dat er boven staat. Die Wandalen!\\nzij zullen den Apollo in onze museums verbrijzelen en er den\\ngebogehelden Thersites voor in de plaats stellen: want een\\nligchaamsgebrek is waarheid, en die geheele akelige man is\\nwaarheid: want Homerus heeft hem geschilderd. Ja! zoo zij\\nschilderen konden als Homerus in drie trekken Ziet gij\\ndan niet, dat het wanbegrip dier overdreven beschrijvingskunst\\nook op het betere terugwerkt? Ontaardt het verhaal, in dicht\\nen ondicht, niet in een pijnlijke uitvoerigheid, die geene\\ndaad vermelden kan zonder alle hare morele en physike\\noorzaken: geen voorwerp teekenen, dan als of het door een\\nvergrootglas betuurd was: die niet meer zeggen kan: \u00e2\u0080\u009ehij at\\neen stuk brood: neen, dat zou kunsteloos en prozaisch zijn,\\nmaar, \u00e2\u0080\u009ehij nam brood: zijne hand bragt het, tusschen zijne\\nlippen door in zijn mond de beweging zijner kaken ver-\\nmaalde het tusschen zijne tanden en kiezen, en door de\\nkleinzing met het speeksel werd het een week deeg, dat\\ndoor zijn strot nederdalen kon. Dat heet schilderen! dat\\nis verhalen dat is po\u00c3\u00abzij De lezer moet het genieten en\\ner mag niets overblijven dat hij onder het lezen zou kun-\\nnen denken. Wee hem, zoo hij denkt! Indien de romanti-\\nsche kunst dat bemerkt, dan zal zij zich van het onderwerp\\nmeester maken. Gij zult weten, hoe veel tanden de brood-\\neter verloren heeft, of hij een bedorven kies heeft, of\\ner een zweer op zijn tong zit, en zijn adem In\\ns Hemels naam, Diodes, houd op! riep ik: mijn hart draait\\nom!\\nIk kan het niet helpen antwoordde hij het is de Fransche\\nromantische school. Gij moogt niet walgen: uw vaderland\\nbegint ze te huldigen. Och neen! riep ik, een enkele ver-\\ndwaalde Maar Diodes was reeds aan het afdalen\\nvan den berg, en Charinus volgde hem. De zon was onder-", "height": "4364", "width": "2664", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0285.jp2"}, "286": {"fulltext": "238\\ngegaan, en de Rijn-nevels rezen hooger. Het geheele natuur-\\ntooneel werd somber en ontzagwekkend.\\nWij naasteden ons naar beneden, en er werd niets meer\\ngesproken: want het afstijgen van zulke hoogten gaat snel.\\nTerwijl wij den Eijn overvoeren, was het gesprek gestremd\\ndoor de koude op het water die ieder van ons in zijn man-\\ntel deed duiken; maar ik keek nog tusschen beide op naar\\nde spits van den Drachenfels, zoo veel ik ze onderscheiden\\nkon: want ik had er veel gezien, en veel gehoord, waaraan\\nik dikwijls herdacht heb.", "height": "4348", "width": "2604", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0286.jp2"}, "287": {"fulltext": "HET PROZA.", "height": "4364", "width": "2620", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0287.jp2"}, "288": {"fulltext": "", "height": "4348", "width": "2604", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0288.jp2"}, "289": {"fulltext": "VOORREDE VAN DEN TWEEDEN DRUK.\\nHet opstel dat in ticeeden druk voor liet publiek verschijnt\\nis vroeger in gezelschap geweest van een tegenhanger eene Ver-\\nhandeling van wijlen Professor A. Simons, Over de Po\u00c3\u00abzij. Be\\ngeheele geschiedenis van de vereenigde uitgaaf der twee Verhan-\\ndelingen is van een te langen adem, om hier eene plaats te\\nmogen innemen. Zij staat, en blijve bestaan, in de Voorrede\\nder eerste uitgaaf, voor ieder die lust mogt hebben nog even\\nom te zien naar een voorval in het Hollandsch-Letterkundig-\\nMaatschappelijke leven, icaar alles bedaard en vreedzaam toe-\\nging, uitgenomen een misverstand. Be Utrechlsche Hoogleer aar\\nhad mij in de stad zijner inwoning hooren verhandelen Over\\nhet Proza, en, hoe uitmuntend hij ook tvas in bevatting en\\noordeel, hij had gemeend dat ik tegen de Po\u00c3\u00abzij, per se, te\\nvelde getrokken was, en, nog erger dat ik het op zijne po\u00c3\u00abzij\\ngemunt had. Be geestige en beminnelijke maar soms al te ligt-\\ngevoelige, Simons schreef zijne Po\u00c3\u00abzij en verhandelde ze later\\nop het zelfde spreekgestoelte waar ik mijn Proza voorgelezen\\nhad. Boch hij schreef en hij sprak onder den ongunstigen in-\\ndruk eener volslagen misvatting. Kort na de uitgaaf bezocht\\nhij mij, en hij betuigde mij zijn leedwezen. Zwaarmoedig eene\\n16", "height": "4344", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0289.jp2"}, "290": {"fulltext": "242\\nzaak te behandelen, viel niet in ons beider humeur; zij liep\\nspoedig met een handdruk af. Simons zocht toen eene gelegen-\\nheid om openlijk te betuigen dat hij mij niet begrepen had, en,\\nwat van meer belang was dan onze persoonlijke verzoening dat\\nhij de f f misschien wat al te ingewikkeld voorgedragen of paradox\\nschijnende thesis mijner Verhandeling aannam: hij had een\\nwalg van alle versificatie hoe kunstig ook, zonder po\u00c3\u00a8 zij hij\\ngaf mij toe dat ons Proza in een min gunstigen toestand was.\\nZijn dood heeft die palinodie verhinderd.\\nDe twee Verhandelingen waren uitgegeven, zonder dat Simons\\nde mijne gelezen of ik de zijne zelfs aangehoord had. Die uit-\\ngaaf toas een vrolijke plagerij uitgedacht door twee der werk-\\nzaamste Leden van het Utrechtsch Verhandel-museum de Ree-\\nren Professor G. Moll en Mr. G. Dedel. Ook deze twee zijn\\nniet meer. Voor den eersten had ik genegenheid voor den\\nlaatsten genegenheid en nog meer: ik had hem onderwezen en\\nopgevoed. Terwijl ik zijn naam schrijf, word ik weemoedig:\\nhij was edel van hart en van verstand: hij was de lieveling\\nzijner ouders, en zijn onderwijzer was trotsch op dien leerling.\\nEen heerlijk verschijnsel was hij, in eenm kring en omgang\\nwaar liefde voor Vaderlandsche taal en letteren en geschiedenis\\nluide behoort te spreken, maar toen moedwillig gedempt icerd\\ndoor huisonderwijzers der jeugd, vreemdelingen, die een half-\\nbakken Franschen zin in vele huishoudens der eerste famili\u00c3\u00abn\\noverbragten en inlijfden. Dedel was een echt Nederlander en\\nde studie der moedertaal was hem een lust, uit diepe overtui-\\nging dat zij de eerste hefboom is der nationaliteit, en dat het\\n(beleefd gezegd) bespottelijk is, burger te willen heeten onder\\neen volk, welks zin en eigenaardig leven, uitgedrukt in zeden\\nen letteren, men niet kent, of zelfs, de Hemel weet het uit\\nonkunde minacht. Schoon ik een zwak voor hem had, was mijn\\nhart niet minder gehecht aan zijne drie broeders. Alle vier", "height": "4340", "width": "2568", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0290.jp2"}, "291": {"fulltext": "243\\nrusten zij in het graf wier braafheid en, talenten hen reeds in\\ngewigtige icerkzaamheden geplaatst hadden en voor hoogere be-\\nstemden. Alle vier waren zij hunne ouders waardig. Indien\\nik rekende dat de zorg voor mijn deel aan de vorming van\\nhun hart en verstand besteed met hen in het graf gezonken\\ntoas dan zou ik moeten vragen. Waarom ik tic aalf mijner beste\\nlevensjaren icijen moest aan eene taak die in zich zelve aange-\\nnaam tvas maar in de uitkomst niets opgeleverd heeft dan een\\nblijvend gevoel van berooving en leegte? Men ver geve mij deze\\nafwijking van het onderwerp ook had ik van mij zelven niet\\nwillen spreken; maar hoe kon ik het treurige van alle die her-\\ninneringen afscheiden, wanneer ik sprak van hen, wier dank-\\nbaarheid en vriendschap mij zooveel levensgenot beloofden?\\nZal men het afkeuren dat ik, in dezen herdruk, het Opstel\\nvan Simotis achterwege gelaten heb? Hij zelf zou het goed-\\nkeuren zoo hij nog leefde. Ik had gezegd dat niet ieder tcien\\niets op het hart lag, het behoefde mede te deelen in maat en\\nrijm, en ik had mijne landgenooten op mijne wijs, gebeden\\ndat zij een weinig meer aandacht en moeite aan het Proza\\nmogten besteden; hij had het doel niet bemerkt, waarop ik\\nschoot: hij schoot van zijnen kant, maar op mij, en voorbij\\nof liever in het wilde. Ik dacht nut te stichten hij verijdelde\\nmijne poging bij verre de meesten, door eene onnoodige scher-\\nmutseling, die het ondericerp op een verkeerd terrein, en mijne\\nbehandeling in een valsch licht plaatste.\\nWas deze hernieuwde uitgaaf noodig alleen omdat de eerste\\ndoor drukfouten en door andere smetten, het gevolg eener on-\\nduidelijk geschreven kopij onbehagelijk icas? De tegenwoordige\\nUitgever, eigenaar der kopij geworden, zal die vraag het best\\nbeantwoorden. Met moeite heb ik aan zijn dnngend verzoek\\ntoegegeven andere tijden, andere Verhandelingen, Maar\\nhet onderwerp heeft zich toch weder bij mij verlevendigd toen\\n16*", "height": "4352", "width": "2636", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0291.jp2"}, "292": {"fulltext": "244\\nik in het keurig geschreven boek van den Heer Bogaers, over\\nde uiterlijke welsprekendheid, hl. 127 las Welke verschillende\\nbepalingen van de po\u00c3\u00abzij er in omloop zijn, hierin komen toch\\nalle overeen dat zij de dochter is der phantasie en des gevoels.\\nBezen haren oorsprong getrouw, laat zij het aan het proza,\\nals zijne hoofdtaak, over om {binnen het gebied der werkelijk-\\nheid) door duidelijke voorstellingen en redeneringen het verstand\\nbezig te houden en te overtuigen terwijl zij (in het rijk van\\nhet ideale) op den schoonheidszin werken en hart en verbeelding\\nbeheer schen wil. Ontleedt men dan ook de taal, waarvan zij\\nzich bedient, men bevindt ze niet weinig afwijkend van de ge-\\nwone; veel zinnelijker, hartstogtelijker beeldrijker. Zij legt\\nniet uit, zij omschrijft niet; zij vertoont de voorwerpen.\\nUt pictura po\u00c3\u00absis Ik wil nu geen tegenwerpingen maken, die\\nieder maken moet, voor wien niet al het onlyrische onpo\u00c3\u00abtisch\\nis; maar ik eisch dat de \u00e2\u0080\u009ehoofdtaak van het Proza niet zoo\\nnaauw ingeperkt worde, als de Heer Bogaers dit schijnt te\\ndoen. Indien hij niet zelf van zijne verbeelding en gevoel,\\nwaarin hij zoo rijk is, aan zijn proza iets geleend had, dan\\nzou welligt zijn geschrift de bevallige levendigheid missen, die\\ner nu, bij al de dorheid van het min of meer afgesleten theo-\\nretische gedeelte des onderwe?ps, een sieraad van is.\\nMen denke over de Po\u00c3\u00abzij zoo als men wil: men houde ze\\nvoor de dochter der phantasie en des gevoels, mits men niet\\nvergete dat de oudste mededeeling van zaken, gedachten en ge-\\nwaarwordingen als voorstelling in zamenhang of eerste poging\\nin de kunst van den stijl geweest is wat wij thans Po\u00c3\u00abzij noe-\\nmen, en dat het Proza zich later en langzaam gevormd heeft\\nen, op zijn beurt, menigmaal de rijkste phantasie heeft doen\\nschitteren en het diepste gevoel heeft doen spreken. Waar de\\ninkleeding en de kunstvorm der gedachte het eischen, bezige men\\nmaat en rijm; maar wie dien eisch en de harmonie dier ver-", "height": "4336", "width": "2576", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0292.jp2"}, "293": {"fulltext": "245\\neeniging van gedachte en kunstvorm niet begrijpt, spreke van\\ngeen po\u00c3\u00abzij maar hij make ook geen verzen al is hij een mees-\\nter in het technische. Waarom beproeft hij niet zijne po\u00c3\u00abtische\\ngedachte in plat proza neer te sehrijven? Is hij bang voor\\nleegte van zin of vreest hij te bemerken dat zijne phantasie en\\ngevoel een kunstopwinding zijn, glimhout in de plaats eener kole\\nvuurs? Wie weet of hij die leegte niet met gedachten aange-\\nvuld en goed proza geleverd zou hebben Z\u00c3\u00b3\u00c3\u00b3 dacht ik tien\\njaren geleden, en ik schreef mijn Opstel Over het Proza. Veel\\nis er sedert dien tijd onder ons veranderd. Indien ik genoeg-\\nzaam talent had, zou ik toch niet icagen eene geschiedenis onzer\\nLetteren in dit laatste tijdperk te schrijven. Mr zijn, naar\\nmijn nederig oordeel enkele goede grepen gedaan veel halve\\nen misgrepen in menigte ernstige pogingen en treurige misluk-\\nkingen er is beweging en gisting: wat van den Buitenlander\\nin kracht en zinrijkheid ontleend is begint Hollandsch te wor-\\nden; de kritiek heeft- een ernstiger houding aangenomen tegen-\\nover enkele schrijvers die er zich boven rekenen en veel lezers\\ndie verslinden, zonder kritiek. Nog eens waag ik het onder\\nde menigte te roepen: Van ouds hebben icij liever gezongen\\ndan geschreven, wanneer onze geest zich wilde openbaren in\\nscheppingen van het hoofd of van het hart. Heerlijke dingen\\nhebben wij gezongen, maar zij zijn al te weinig in getal: zij\\nstempelen onze Letteren niet. Wij maakten reeds verzen, wan-\\nneer icij de taal nog niet in onze magt hadden, om alles uit\\nte drukken wat icij gevoelden of onttcerpen wilden, en door de\\nvrijheid der voorstelling ons scheppingsvermogen te oefenen.\\nWij zijn aan de stoffe blijven hangen, en de manier heeft\\nons talent versnipperd. Wij hebben ons aan een band ge-\\nlegd, die de ontioikke\u00c3\u00bcng van het genie verhinderd, heeft.\\nDaarom hebben wij zoo zelden ons kunnen opheffen tot de\\nhoogte, waar de beschouwing van het leven doordringend is", "height": "4360", "width": "2620", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0293.jp2"}, "294": {"fulltext": "246\\nM alle rigting\u00c3\u00a8n en, als idee, los van d\u00c3\u00a9 stoffe zich open-\\nbaart in verdichtingen grootsck van omvang en diep van ge-\\ndachte: blijvende gedenkstukken der kunst. Laat ons het\\nProza bewerken: de echte Po\u00c3\u00a8 zij zelve zal er bij winnen!\\nNovember 1840.", "height": "4348", "width": "2604", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0294.jp2"}, "295": {"fulltext": "Ge\u00c3\u00aberde Toehoorders!\\nGij hebt dikwijls gehoord of gelezen, of bij U zelve nage-\\ndacht, over de geschiedenis der Po\u00c3\u00abzij, en Gij zijt steeds terug-\\ngevoerd naar een tijdperk, misschien niet van barbaarschheid\\nof redeloosheid, maar van nog onbeschaafde zeden, wanneer\\nmen U den oorsprong dier edele kunst aanwees. Men heeft\\nU den natuurmensch geteekend, en uwe verbeelding heeft er\\nnog iets bij geschilderd, hoe alles, wat dien natuurmensch\\ntreft een levendig en driftig gevoel in hem opwekt dat hij niet\\nkan intoomen maar waaraan hij lucht geeft in een beeldspraak\\ndie zijne zinnelijkheid schept: hoe die uitboezeming bij hem\\nallengs gezang wordt en dat gezang hem dwingt tot maatgeluid\\nen evenredige af deeling zijner woorden.\\nDit was de oorsprong der Po\u00c3\u00abzij, en zij bleef gezang, totdat\\nvordering en beschaving, wier beginsel verdeeling schijnt te\\nwezen, eene kunst ontwikkelden, die verheven is, dewijl zij\\ngewaarwordingen opwekt, die niemand beschrijven kan; ons\\ndoet genieten, maar niet bevredigt, en, in haar hoogste vol-\\nkomenheid, de ziel aandoet door een duister en dweepend besef\\neener hoogere behoefte. Sedert dien tijd gaat de Po\u00c3\u00abzij veelal\\nonvergezeld en gescheiden van hare zuster; maar de Dichters", "height": "4364", "width": "2604", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0295.jp2"}, "296": {"fulltext": "248\\nblijven hun werk gezangen noemen; velen van hen zeggen ons,\\nbij hunnen aanhef, dat zij de luit aanvatten, dat zij de harp\\nbespelen dat zij de snaren zullen doen ruischen en evenwel\\nspelen en zingen en ruischen zij niet. Maar deze belofte is\\neen beeldspraak, eene onwillekeurige bekentenis van hetgeen\\nhunne kunst moest wezen. Zingende riep Homerus uit: Zing,\\nMuse den toorn van Acliilles Onze Dichters heffen aan: Ik\\nzing den held. Maar het is onwaar; zij moesten aanheffen:\\nIk schrijf, of, ik spreek in kadans van den held! Doch ziet\\nhoe groot eene kracht de natuur heeft, dat zij den mensch,\\ndie in zijn maatschappelijken toestand zoo ligt van haar afdwaalt\\ntelkens wederom tot zich trekt! In alle volgende eeuwen heeft\\nmen dat dichttalent, die eigenschap van den natuurmensch.\\nbehouden en met ijver en vlijt aangekweekt. Wanneer ver-\\nstand en rede verfijnd waren, en zich met het opsporen van\\noorzaken en het berekenen van gevolgen bezig hielden, dan\\nwaren er nog altijd die zich aan een eersten indruk leerden\\nover te geven en hunne gewaarwordingen ontboezemden op\\neene wijs, die men hun benijdde. Wanneer het verstand een\\nbedaarden gang had, en het menschelijk genie het karakter\\ndroeg van een rijpen leeftijd, dan bleven er toch steeds die\\nde jeugd in aandenken hielden, en huppelden met het kind.\\nWanneer het ongelukkige menschdom terugging, en vroegere\\nwijsheid en beschaving vergat; wanneer men over geschiedenis\\nen wetenschap boeken schreef, die wij nu nog lezen, maar\\nniet om den stijl, dan bleven er toch altijd over die zich in\\nverzen verre boven den lagen stand hunner eeuw verhieven,\\nen thans nog velen in verrukking brengen, wier gemoed de\\ntaal dier Godenzonen weet te bevatten. Daarom ziet men\\nhoog op tegen hen die deze heerlijke gave bezitten: daarom\\nwordt de Dichtkunst, als het eigendom van weinige uitverko-\\nrenen, gedurig geprezen, bijna altoos benijd, en niet zelden", "height": "4344", "width": "2604", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0296.jp2"}, "297": {"fulltext": "249\\nziet men zulken om haar bezit dingen, die zich veiliger van\\ndien wedloop zouden verwijderen. De uitdrukking eener schoone\\ngedachte, in de taal des dagelijkschen levens, wordt er gering\\nbij geacht: zelfs zult gij vele van die nastrevende bewonderaars\\nden proza\u00c3\u00afschen luchtkring zien vermijden even alsof zij be-\\nvreesd waren voor het lot van die wijzen, die te Athene\\nkwamen en, naar het zeggen van zekeren Menedemus, door\\nhunnen omgang met het fijne Atheensche volk, van wijzen\\nwijsgeeren werden, daarna redenaars, daarna gewone menschen,\\nen eindelijk gemeene menschen.\\nMaar is die proza\u00c3\u00afsche taal, die ongebonden stijl, gelijk\\nmen ze noemt, is zij waarlijk zoo alledaagsch? Yereischt zij\\nzoo weinig oefening en kunst? Heeft zij, met de Dichtkunst\\nvergeleken, zoo veel minder waarde, omdat haar bezit geen\\nvoorregt, maar een gemeen goed is?\\nIk zal, zoo het U welgevallig is, G. T. eene poging doen\\nom deze vragen te beantwoorden; niet uit minachting van\\neene kunst, die gij met mij op hoogen prijs stelt, en aan\\nwier echte voortbrengsels wij veel genoegen dank weten, maar\\nom mij zelven te troosten, en zoo velen van U als de natuur\\ntot Proza\u00c3\u00afsten bestemd heeft. Want, zoo het blijkt dat ons\\nbescheiden deel een deugdelijke en bruikbare en schoone be-\\nzitting is dan zullen wij minder streven naar een goed dat\\nvoor ons niet is weggelegd, en tevredene-r zijn met ons lot.\\nHoewel ik geene vergelijking bedoel tusschen de Po\u00c3\u00abzij en\\nhet Proza zal het nu en dan noodig wezen dat ik de eerste\\nmet een enkel woord vermelde, om de verdiensten van het\\nlaatste beter te doen uitkomen. Ik zal het Proza niet op den\\nvoorgrond plaatsen, van waar het meestal verdrongen wordt,\\nmaar ik zal het van zijnen achtergrond een weinig opwaarts\\nbeuren.\\nDe Dichter en de Proza\u00c3\u00afst hebben dit met elkander gemeen,", "height": "4364", "width": "2656", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0297.jp2"}, "298": {"fulltext": "250\\ndat zij beide een onderwerp Hebben. Want, al schrijven of\\nzingen zij, bij voorbeeld, over niets, dan wordt dat niets,\\ndoor de behandeling toch iets: maar de Dichter heeft dit\\nonschatbaar voordeel, dat men op zijne kennis van het onder-\\nwerp niet naauw en scherp toeziet. Wat er hem onbekend\\nvan is, dat schept hij, ja somtijds schept hij het bijna geheel\\nen al. In zijne verbeelding vindt hij een voorraad van bijwerk\\nen omkleedsels en sieraden. Indien hij te diep in zijn onderwerp\\nervaren was, dan zon er geene speling genoeg blijven voor\\nzijn gevoel; zijne po\u00c3\u00abzij zon te stevig, zij zon te zwaarlijvig\\nworden. Ik verbeeld mij eenen Dichter, nit wiens diepste\\ngevoel de lust begint op te wellen om een onderwerp te be-\\nzingen, waarvan hij niets weet. Het wil hem, gelijk natuurlijk\\nis j niet regt helder worden hij mist een plek vasten gronds\\neen steunpunt, om zich met kracht op te heffen, en zijn vlugt\\nte nemen. Gelukkig valt het hem in, eenen vriend en des-\\nkundigen op te zoeken. \u00e2\u0080\u009eKom, zegt hij tot dezen, vertel er\\nmij wat van, in uw proza De andere gehoorzaamt: hij\\ndoet een of twee grepen in de schatkamer van zijne wetenschap\\nen spreidt ze voor hem uit; hij is mededeelzaam en wil nog\\nmeer halen; maar reeds is de Dichter verdwenen. Wat hij\\nmedegenomen heeft, is toereikend: hij keert en wentelt het,\\nhij slijpt er po\u00c3\u00abtische kanten aan, en hij plukt en pluist en\\nrafelt het uit, en het wordt grooter en zwelt, het begint te\\nzweven en gaat het zwerk in. Niets van dit alles mag de\\nproza\u00c3\u00afst doen. Hij moet zijn onderwerp kennen: hij moet het\\nkennen, tot in de kleinste bijzonderheden, immers voor zoo\\nveel het doel van zijn opstel vereischt. Zijne onkunde zou\\nzich verraden: want hij mag niet zoeken enkel te behagen en\\nte vermaken wanneer hij toonen moet wat hij weet en waarom\\ntoont hij dit, zoo het niet is om het aan anderen te leeren?\\nen waarom wil hij het aan anderen leeren, zoo het niet is om", "height": "4352", "width": "2604", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0298.jp2"}, "299": {"fulltext": "251\\nnut te stichten? en hoe kan hij nut willen stichten met hetgeen\\nonvolkomen, onnut en misschien schadelijk is? Daarom moet\\nhij onderzoeken en overwegen en bepeinzen.\\nMaar hoe zal hij het overdachte voordragen? Ziet we-\\nderom hoe veel de Dichter vooruit heeft! Hebt Gij wel ooit\\nvan hem gevorderd dat hij U aankondigen zou, uit hoe veel\\nhoofdstukken en onderdeden zijn gezang zou bestaan, opdat\\nGij met hem medezingende een helder begrip der zaak mogt\\nhebben? Indien hij niet een rijmende keuvelaar, maar een\\necht Dichter, in zijn eigen oog en in dat van velen, is, dan\\nzult Gij geen wandeling met hem doen met overleg afgesproken\\nwaarbij hij U aan zijne hand zachtkens zal opleiden; maar\\nhij zal TT rukken en medesiepen over heg en steg; in de\\ndonkerste afgronden zult Gij rondtasten, en, opstijgende met\\nkwalm en pestdamp, straks in de wolken duizelig worden: in\\n\u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ns zult Gij met hem stilstaan en weenen van weemoed, en\\ndan weder vliegen zoo dat Gij te huis gekomen niet regt\\nweten zult waar Gij geweest zijt. Er is ongetwijfeld orde\\nin deze handeling, maar zij is van eene ongemeene soort.\\nHoe vele Lierdichten, zelfs van de Ouden, zijn er niet, waarin\\nde natuurlijke opvolging der gedachten zoo diep ligt, dat men\\nze nog niet gevonden heeft? Wat was er hooger, wat stouter\\ndan de Dithyrambus, in later tijden menigmaal nagevolgd?\\nMaar het was een gezang bij de vreugde van het Bacchusfeest\\nen men meent, uit sommige berigten en door gissing geholpen,\\nte kunnen besluiten dat de feestvierenden veel wijn dronken.\\nHet is geen onedel beeld, dat de Po\u00c3\u00abzij als eene dronkenschap\\nvoorstelt. Want indien deze niet overmatig is, heldert zij de\\nziel op: zoo misschien het oordeel niet scherper wordt,\\nde geest wordt levendiger al wat gedachten en tong belem-\\nmerde wordt weggeruimd het gevoel spreekt sterker dan\\nooit, en hart en karakter vertoonen zich zoo als zij zijn.", "height": "4364", "width": "2696", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0299.jp2"}, "300": {"fulltext": "252\\nzelfs bij die weinigen, waarvan de gemeenzame spreekwijze\\nzegt, dat zij een kwaden dronk hebben, die al wat hen om-\\nringt aantijgen en beleedigen, en, door de verbijstering van\\nhun brein, in de welgemaaktste lieden niet anders meenen te\\nzien dan apen en ezels. Daarom verwijt Horatius aan zekere\\nDichters dat zij te veel water drinken; maar die zelfde scherp-\\nzinnige man zegt dat het beginsel en de bron van een goed\\ngeschrift is, wijs te zijn. Ziet dien Prozaschrijver! Yoor de\\ngezondheid van zijnen stijl is hem matigheid en onthouding\\nopgelegd. Daar zit hij koel ernstig ingespannen nuchter,\\nWat hij neder schrijven zal, is de vrucht eener bedaarde en\\nrijpe overweging. Hoe menigvuldig hem de denkbeelden ook\\ntoestroomen, zij zijn hem allen onbruikbaar, eer hij ze geschift\\nheeft en geschaard in die orde, waardoor hij geheel zijn\\nplan overziet. Ook liij ontleent warmte en beweging uit\\nzijn gevoel en uit zijne verbeelding maar hij heeft gevoel en\\nverbeelding op zijne eigen wijs, en zijn verstand houdt den\\nteugel, dat de eene niet onbesuisd voortholle, en het gevoel\\n(ach zoo menigmaal misbruikt) niet opga in verterende vlammen\\nDoch, mij dunkt, Gij voert mij den Dichter te gemoet, in gezel-\\nschap van al zijn beelden, met de geheele wereld, waarin hij\\nleeft en zich beweegt. Indien die toestel natuur is gelijk het eer-\\ntijds was, waar is dan de moeijelijkheid der kunst? Indien het\\nkunst is, zullen wij den Dichter daarom hooger stellen dan den\\nProza\u00c3\u00afst en dezen uit die denkbeeldige wereld buitensluiten\\nVergunt mij dat ik dit vraagstuk iets breedvoeriger behandele.\\nZoo iemand Uwer ooit een kind onderwezen heeft, is IJ\\nniet wel eens eene kleine teleurstelling wedervaren, wanneer\\nGij een afgetrokken denkbeeld zinnelijk wilde voorstellen? Gij\\nschiktet U naar zijne vatbaarheid, en verplaatstet U in den", "height": "4340", "width": "2604", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0300.jp2"}, "301": {"fulltext": "253\\nkiemen kring zijner ondervinding en daarnit koost Gij een beeld.\\nIk stel dat Gij den jongen wilde leeren, wat een staat en wat\\neen koning is. Gij weest hem op zijne school en op den on-\\nderwijzer, en herinnerde hem daarvan eene of andere bijzon-\\nderheid, als middel van vergelijking. In zijn tintelend oog\\nlaast Gij dat hij u verstond, en Gij waart over hem, en over\\nu zelven, tevreden. Nu begont Gij hem terstond van verschil-\\nlende regeringsvormen te spreken; maar te vroeg, en ver-\\ngeefs De jongen hoorde u niet. Gij hadt zijne school even\\naangeroerd, maar hij was er geheel in met zijne gedachten,\\nen zij was hem levendig voor den geest, met al den toestel\\nvan werk en spel van belooning en straffe en misschien heeft\\nhij uwe uitlegging eener grondwet afgebroken met een ver-\\nhaal, hoe \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n van zijne makkers dien morgen te pronk ge-\\nstaan had. Gij werdt gemelijk, maar het kind was po\u00c3\u00abet!\\nDie jongen een po\u00c3\u00abet? Even als Homerus. Men houdt\\nhet weelderige en overtollige der Homerische vergelijking voor\\nsieraden. Het zij zoo, maar men dichte ze aan den Bard in\\ndien zin niet toe. Wanneer hij Paris beschrijven wil, hoe\\ndeze in volle wapenrusting en met jeugdige fierheid door de\\nstad snelt, kiest hij een edel beeld, den brieschenden klep-\\nper: maar hij stelt zich dat dier al levendiger voor, en hij\\nverwijlt er bij het wordt een hengst die bij de ruif gevoe-\\nderd, zijn halster breekt, den stal ontvlugt, in zijnen loop den\\nkop verheft, zijn manen laat zwieren, en rennende den oever\\nzoekt, waar hij gewoon is in het water te plasschen, of het\\nveld, waar zijne makkers grazen. De po\u00c3\u00abzij van latere dagen\\nfatsoeneert hare beelden in den zelfden vorm, zij tooit ze op\\nin den zelfden smaak, dikwijls met nog meer zorg in kleinig-\\nheden. Bevallen en treffen zij altijd evenzeer? Neen.\\nWaarom niet? Laat onze levenswijs, de verfijning onzer\\nzeden laat de beschaving het antwoord geven Wanneer Mil-", "height": "4364", "width": "2668", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0301.jp2"}, "302": {"fulltext": "254\\nton het schild van Satan vergelijkt met de maan, dan ben ik\\ngetroffen; doch, wanneer hij er bijvoegt: op teler ronde schijf\\ndp sterrekundige van Fesole of in Voldamo, met zijn kunst-\\nglas, nieuwe landen, rivieren en her gen poogt te ontdekken\\ndan denk ik onwillekeurig aan uwen jongen met zijn te pronk\\nstaanden rn akker, en evenwel was Milton een bejaard man!\\nEn hoe kan mij het tegenwoordige beeld van den leeuw 5 (O,\\nhoe veel leeuwen hooren wij niet brullen in gedichten wan-\\nneer het ter voorstelling van kracht en moed dienstbaar is,\\nhoe kan het mij schrik aanjagen, wanneer ik weet dat de dich-\\nter den leeuw nooit in het woud heeft ontmoet, nooit hem\\nzijne prooi heeft zien verslinden? Ik blijf bij die voorbijgaande\\nschilderij even kalm als bij de leeuwenhuid die ik met groote\\nkunst opgevuld achter de glasramen van een kabinet zie grijn-\\nzen; want het is maar een vel! Maar blijft de natuur\\nniet steeds dezelfde? Is de eik, is de ceder thans minder sta-\\ntig? Bulderen de orkanen nu anders dan in de Grieksche en\\nOostersehe oudheid? Neen maar de tooverkracht dier schoone\\nbeelden is gebroken. Wanneer een dichter van onzen tijd ze\\nschildert, weet ik niet meer wat ze hem ingeeft, zijne eigen\\nondervinding, zijne verbeeldingskracht, of zijne geleerdheid en\\nzijn geheugen. Want, hoe onuitputtelijk de natuur ook zij in\\nrijkdom, zij schijnt het in verheven dichterlijke beelden niet te\\nwezen. Waarom anders wordt mij de standvastigheid altoos\\nvoorgesteld als de rots, waar de loeijende golven op razen en\\nbreken? Waarom anders is het geweld altijd een stroom, die\\nin zijn val de boomen ontwortelt, steenklompen medesleept,\\ndijk en dam verscheurt, en, over het veld zich uitbreidende,\\nhet werk van den akkerman vernielt? Waarom anders is de\\nstaatsman, van de oude Po\u00c3\u00abzij tot op onze dagen toe, altijd\\neen stuurman, die het roer houdt, en zijn hulk door bran-\\ndingen en klippen naar behouden haven stuurt? Of zijn die", "height": "4356", "width": "2604", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0302.jp2"}, "303": {"fulltext": "255\\nbeelden, door lang gebruik, onmisbare bestanddeelen der po\u00c3\u00ab-\\ntische taal geworden? evenzeer als, wanneer ik van een brui-\\nschend geweld spreek enU, naar verkiezing daarbij aan eenen\\nstroom, aan een waterval, of aan een ziedend vocht doe den-\\nken? Dan zal men ten minste toestemmen dat die po\u00c3\u00abtische\\ntaal omslagtig wordt. Zijn het beelden in den ouden zin, dan\\nvergnnne men mij, zoo dikwijls ik ze zie terugkomen, niet uit\\nte roepen welko\u00c3\u00bci oude vrienden maar in stilte te zuchten\\nach, zijt gij daar alweer!\\nIs deze beschouwing welligt oppervlakkig en eenzijdig? De\\nnatuur is immers niet het eenigste beeldenmagazijn van den\\nDichter. Hoe vele gedachten wekken kunst en wetenschap en\\nbeschaving niet op! O, zoo dit alles somtijds iets aanlok-\\nkends heeft, indien het al \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n enkelen keer de snaar des in-\\nnerlijken gevoels kan doen trillen de Dichter zij evenwel\\nvoorzigtig met die werktuigen want de voorraad van bruik-\\nbare stoffe is schaarscher dan het schijnt, en er is zoo groot\\neen afstand tusschen de beschaving der heldentijden en die\\nvan onze eeuw In dat gevaarvol oogenblik toen de Grie-\\nken, op het strand, binnen hunne verschansingen teruggedre-\\nven waren, en Hector met zijne Trojanen hen benaauwde, toen\\n(zegt Homerus) spoorde Ajax zijne helden aan tot den laatsten\\nstrijd overal was hij tegenwoordig, en hij sprong van het\\neene schip op het andere, even als een man die, ervaren in\\nhet rijden, zich vier paarden uit vele Mest, en daarmede\\nuit het veld naar de stad rent, langs den grooten weg:\\nmannen en vrouwen staren hem na met verwondering,\\nterwijl hij, onder die snelle beweging, gedurig van het\\neene paard op het andere springt. Leest het bij Homerus\\nzelven, hoe schoon dat beeld is, en hoe passend in de\\nHomerische wereld! Maar, indien eene Hollandsche overzet-\\nting reeds Hollandsche denkbeelden medebrengt, wachten", "height": "4364", "width": "2688", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0303.jp2"}, "304": {"fulltext": "256\\nwij ons ten minste voor de navolging immers zoo wij niet\\neen bijzonder doel hebben en ons de kermis vreugd van onze\\ndagen niet willen herinneren. Dezelfde Dichter (op dat ik\\nnog \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n voorbeeld uit honderd kieze) vergelijkt het bloed, dat\\nuit de wonde langs het been van Menela\u00c3\u00bcs nedervloeit, met\\nhet purper, waarmede eene Meonische of Karische vrouw het\\nijvoren paarden-hoofdstel verwt. Bedrieg ik mij of stond\\nHomerus hier op de uiterste grenslijn der kieschheid, en zou\\nik mogen zeggen: hij gevoelde het zelf, en hij heeft daarom\\neen dagelijksch beeld met een kostbaar kleed omhuld; het is\\nelpenbeen: de kunstenares legt het weg in haar binnenkamer:\\nveel ruiters haken naar het bezit van dat sieraad; maar het\\nis bestemd voor den Koning? Waagt het nu, en zoo het\\nstoutheid is, alles te durven ondernemen, vergelijkt de slagen\\nvan twee strijdende helden bij twee mannen van Leijden\\nbeurtelings scheert hun gespierde arm het opgehangen weefsel\\nzij hijgen in het zweet van hun gelaat, en de grond is bedekt\\nmet stukken van kaarden en wolvlokken: velen wedijveren om\\nhet bezit van dien fijnen deken, maar hij is weggelegd\\nvoor de wieg van den jongen Prins.\\nVergeeft het mij T. dat ik een weinig afgedwaald ben en\\nweggesleept door de Homerische po\u00c3\u00abzij. Het zou nog meer\\ntijd vorderen, zoo ik betoogde dat, indien onze eeuw dichter-\\nlijk is, (waarover men twist) zij het op eene andere wijze\\nmoet zijn, dan die van Homerus. Doch, hoe dit ook zij,\\nindien het waarschijnlijk geworden is dat de uitdrukking eener\\ngedachte, door beeld of kenspreuk, zich schikken moet naar\\nden toestand der maatschappij, en dat de Dichtkunst (op dat\\nik het aldus noeme) in de tegenwoordige niet geheel op haar\\ngemak is, terwijl die uitdrukking nogtans het voornaamste\\nsieraad der taal gerekend wordt, dan moet zij zich, bij uit-\\nnemendheid, in den ongebonden stijl bevinden.", "height": "4352", "width": "2596", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0304.jp2"}, "305": {"fulltext": "257\\nHet is zoo: liet Proza houdt gelijken tred met de bescha-\\nving; want het staat daarmede in een voortdurend wederkee-\\nrig verband. Hoe naauwkeuriger de kennis wordt, des te\\njuister en volkomener poogt de taal ze mede te deelen; en\\nhoe meer innemendheid en bevalligheid zij met hare naauw-\\nkeurigheid vereenigt, des te beter ingang vindt het gespro-\\nkene en het geschrevene. Gij eischt niet dat ik bewijze,\\nwat aangenomen, maar wel eens vergeten is: dat het groote\\ngeheim dier bevalligheid in het schilderachtige van den stijl\\nligt. Al wat natuur of kunst of wetenschap is, het kan al-\\nles dienen tot verfraaijing van den stijl, en de voorraad van\\nverwen en beeldwerk is onafzienbaar groot. Doch, hoe be-\\nvoorregt die weinigen ook zijn, die door gaven en door vlijt\\nhet bezit van zulk een rijkdom verkregen hebben het is min-\\nder moeijelijk dien te vergaderen, dan met geen ongewasschen\\nhanden er in rond te tasten dan te weten wanneer mild-\\nheid betaamt, wanneer spaarzaamheid pligt is; wanneer die\\nschatten in al hunnen glans mogen schitteren, en wanneer zij\\nmoeten ontveinsd of geheel verborgen worden. Of mogen wij\\ndit gemakkelijk rekenen, terwijl wij zoo zelden een geschrift\\nontmoeten, dat dien toets kan doorstaan? waarin het juiste\\nen onbedorven oordeel niet schraalheid en dorheid meent te\\nontdekken, of uitstalling eener al te groote volheid en over-\\nvoeding; eene netheid en gemaaktheid, die, volgens het\\noude verwijt, naar de lamp riekt, of eene slordigheid, die\\nzich losheid en ongedwongen zwier, bij verbloeming, noemt\\neven alsof de schoone, die haar kleed schikt en verschikt,\\ndat het niet prange noch hare bewegingen belemmere, alsof\\nzij zich bevlijtigt slordig te schijnen\\nGaarne zoude ik U van alle die deugden en tegenover-\\ngestelde gebreken eenige proeven mededeelen of herinneren;\\nmaar het bestek mijner rede vergunt mij slechts dat ik er\\n17", "height": "4364", "width": "2672", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0305.jp2"}, "306": {"fulltext": "258\\n\u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ne in het licht stelle, en ik kies daartoe twee voorbeelden\\nuit den dagelijkschen brievenstijl. Want de grootste re-\\ndenaar moge beschroomd zijn voor velen het woord te voeren\\nen zijne eigene stem te hooren, terwijl allen zwijgen; de\\nervarenste schrijver moge huiveren het boek, dat hij met\\nzorg bewerkt heeft, door den druk gemeen te maken, Brieven\\nschrijven dit kan iedereen; dit durven allen, en hoe\\nweinigen voorzien er de openbaarmaking van, na eigen af-\\ngeperste toestemming, of door een onbescheiden nageslacht?\\nEn het is evenwel moeijelijk, die gemeenzame taal te ver-\\nlevendigen en te bezielen op dat hij die uwen brief ontvangt\\ndien niet even min beware als hij uwe woorden zou opge-\\nschreven hebben, zoo gij ze tot hem gesproken hadt. Ook\\nhier behoeft de kunst zich niet te schamen dat zij werkzaam\\nis, waar geen vertooning gewacht wordt, waar alles natuurlijk\\nmoet zijn, even, zegt men, als in het gesprek. Doch waartoe\\nonthoud ik U nog langer den brief van Cicero aan zijnen\\nvriend waarin hij over den dood zijner dochter treurt \u00e2\u0080\u009eNiet\\nalleen uwe woorden (zegt hij), en het deel, dat gij in mijne\\nsmart neemt, troosten mij, maar zelfs uw gezag. Want ik\\nzou het berispelijk achten, indien ik mijn ongeluk niet zoo\\ndroeg, als -gij, een man van zoo veel wijsheid, zegt dat ik\\nhet dragen moet. Maar ik word somtijds neergedrukt, en\\nmet moeite overwin ik mijne droefheid, omdat mij die troost\\nontbreekt, die anderen, wier voorbeeld ik mij voor den geest\\nbreng, niet misten. Mij bleef, na het verlies van die eer en\\nwaardigheid, waarvan gij melding maakt, en die ik met moeite\\nen arbeid verkregen had die eenigste troost bleef mij over,\\ndie mij nu ontnomen is. Geen zorg voor de belangen mijner\\nvrienden, geen zorg voor het gemeenebest, onderving mijn\\ndroevige gedachten; geen lust noch bezigheid riep mij naar\\nhet Forum: het Eaadhuis kon ik niet aanzien: ik meende", "height": "4336", "width": "2608", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0306.jp2"}, "307": {"fulltext": "zoo als het was dat ik de vrucht verloren had van al\\nmijnen ijver en van al mijnen voorspoed. Maar wanneer ik\\noverwoog dat ik dit met u en met anderen deelde en wan-\\nneer ik mij zelven onderdrukte en mij dwong dat alles met\\ngelatenheid te dragen, dan wist ik toch waarheen ik mijn\\ntoevlugt kon nemen; in wier toespraak en zoeten omgang ik\\nal dien kommer en al die kwelling kon afleggen. Doch nu\\nwordt door deze zware wonde, ook wat genezen scheen weder\\nopengereten.\\nIk kon in mijne overzetting den ernst en de stille pracht\\nder latijnsche periode niet behouden; maar Gij ziet nogtans\\ndat in deze plaats slechts \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n beeld is en dat zelfs de ver-\\nbloemde spreekwijzen, wier gebruik bijna onvermijdelijk is,\\ndaarin geen kunst en geen studie verraden. Maar wie denkt\\nooit aan studie wie neemt ooit de kunst te baat wanneer\\nhij eene aandoening wil openbaren die uit het diepste der\\nziel ontspringt? Ik beken dat de kreet der smart ongekun-\\nsteld is maar dien kreet heeft het redelooze vee met ons\\ngemeen. Doch wanneer die smart zich zal uitdrukken in\\nwoorden van den redelijken, verstandigen mensch, dan wordt\\nde taal het middel om onze gewaarwordingen te toetsen en\\nte beproeven: de overspanning, die zich toont in onzamen-\\nhangende weeklagten houdt op en het onderzoek onzer\\ninnerlijke stemming scheidt al die hartstogten af. die niet\\nduurzaam kunnen zijn. Wat er overblijft, en zuiver en echt\\nis, dit aan anderen mede te deelen en, zoo het mogelijk\\nware, in hen hetzelfde gevoel op te wekken, dat in ons zoo\\nlevendig is het woord kunst moge U mishagen, maar het\\nis de kunst alleen, die het ons doet gelukken. Wat zij\\ndaartoe bezigt, sieraden, beelden, de wetenschap der kracht\\nvan \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9n enkel woord, het is alles even min te veroordeelen\\nals de betamelijke netheid van het rouwgewaad, wanneer geen\\n17*", "height": "4364", "width": "2664", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0307.jp2"}, "308": {"fulltext": "260\\nzeden ons noodzaken onze kleederen te verscheuren en ons te\\ndompelen in ruige zakken en morsige assche.\\nWeliigt zal men mij wederom tegenwerpen dat die kalme\\nsoberheid, in Ciceroos klagt, geen andere oorzaak had dan\\nzijne opregte ongeveinsde smart en dat hem daar hij immers\\neenmaal meester in den stijl was, ongezocht die woorden en\\ndie toon van uitdrukking invielen, waar de omstandigheid\\nmede overeenkwam. Ik antwoord: wanneer zal ik leeren\\nwelke stijl aan ernst, opgeruimdheid, weemoed of vrolijkheid\\npast? Zal ik het leeren, wanneer ik in geene van die ge-\\nmoedsstemmingen ben? Dan zal ik juist gevaar loopen van\\neene kunst te bejagen, waarvan gij walgen zult. Het geheele\\nleven met al zijn verscheidenheid van omstandigheden, met\\nde trapswijze vordering onzer opvoeding het geheele leven\\nis onze oefenschool. Maar ik heb nog beter antwoord. Heeft\\nVan Baerle, onze landgenoot, niet veel geschreven? Heeft\\nhij niet, in dichtwerken en in kunststukken van welsprekend-\\nheid, zijne zorg aan den dag gelegd en zijnen ijver om de\\nOuden op zijde te streven? Was hij niet geleerd en scherpzin-\\nnig? Was hij niet braaf en opregt, en was het een gering\\nverlies, toen zijne echtgenoot hem ontviel? En hoort evenwel,\\nhoe hij jammert over dat verlies, in een onuitgegeven Latijn-\\nschen brief aan zijnen vriend Const. Huijgens:\\n\u00e2\u0080\u009eEen huisselijk onheil heeft mij getroffen, voortreffelijke\\nHuijgens! Ik ben een tortelduif zonder ga, een olm zonder\\nwijnrank, een wandelaar zonder gezellin. Wanneer ik Aurora\\naanschouw, dan jammer ik, arme Tithonus, dat mijne Thau-\\nmantia niet opstaat: Hier verzon zich Barlaeus; wantThaumas\\nwas de vader van den Eegenboog, en niet van den Morgen-\\nstond. Wanneer ik den dag met mijne oogen aanschouw,\\ndan klaag ik met Apollo, dat mijne Leucothea niet meer\\nleeft. Ik, Adonis, zoek vergeefs mijne Venus; maar wanneer", "height": "4348", "width": "2604", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0308.jp2"}, "309": {"fulltext": "261\\nde nacht zich over het aardrijk spreidt, dan ben ik Morpheus,\\nen ik zoek de schaduw mijner Psijche met eene ledige om-\\nhelzing. Zoo gaat de tijd mij voorbij, onder zuchten, gesnik\\nen droevige gedachten. Mijne boeken zijn getuigen van mijne\\nklagten, mijn middag- en avondmaal van mijne tranen, mijn\\ndorpel, mijne slaapkamer, mijne sponde van mijn geween.\\nDe pen, waarmede ik u en zoo vele menden bezongen heb,\\nis droog en slorpt geen inkt. Ik klaag (om met Persius te\\nspreken) dat het vocht verdikt in mijn veder blijft hangen.\\nMijn papier trekt zich in vouwen en rimpels zamen, omdat\\nhet geen dichtregelen wil ontvangen. De kracht van mijnen\\ngeest is verslapt. Mijn verzen stroomen daarheen, zonder wet\\nen maat omdat mijne Terpsichore mij ontrukt is. Het verschil\\nvan accenten is verloren; zij zijn alle zwaar (fiapuTovoi) voor\\nmij. Geen voet staat overeind, omdat de mijne wankelt, Mijne\\nsyllaben zijn stijf, omdat zij gevoel hebben van mijnen rouw,\\nen liever stom zouden willen zijn. In het heldendicht ont-\\nbreekt mij die vrolijke sprong der dactyli. In mijne jamben\\nis nog meer mankheid dan in de laatste lettergreep. In de\\nelegie ben ik nog treuriger dan de elegie zelve. In het lierdicht\\nben ik al te ongebonden. In den dithyrambus sta ik, als\\ndoor den donder getroffen op \u00c3\u00a9\u00c3\u00a9ne plaats en ik onderscheid\\ngeen ejoanodos, geen strojjJie en geen antistroplie meer. Welke\\nApollo zal mij de vorige kracht hergeven? Welke Thalia zal\\nin staat zijn den lof mijner echtgenoot te verkondigen, die\\nvroom was zonder geveinsdheid, zedig zonder gemaaktheid,\\neerbaarder dan hare eeuw, spraakzaam zonder praatzucht,\\ngeestig waar het pas gaf, verstandig tot benijding van haar\\ngeslacht, een voorbeeldige bestuurster van haar huishouden,\\nharen man beminnende zonder dartelheid, hare kinderen zon-\\nder zwakheid. Zoo ik Orpheus was, zou ik deze Eurydice\\nterughalen, al blafte Cerberus mij nog zoo aan. Indien ik", "height": "4364", "width": "2672", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0309.jp2"}, "310": {"fulltext": "262\\nAdmetus was, zou ik doen, wat Alcestis gedaan heeft. In-\\ndien ik Antoninus was, ik zou mijne Barbara niet minder,\\ndan hij zijne Faustina, als eene Godin vereeren. Nog kort\\ngeleden, als ik mij van ernstige studie wilde verpoozen, begaf\\nik mij in de aanminnige wijkplaatsen der Pegasiden, dan eens\\nnaar het spel van Anacreon, dan weder naar de bevalligheid\\nvan Catullus, of naar de weelderigheid van Tibulius en Pro-\\npertius; of, als het nieuwere mij aanlokte, dan baadde ik mij\\nin de kusjes vau Secundus. Thans, nu al het vrolijke mij\\nmishaagt wil ik liever in de Tristia van Ovidius in de Epieedia\\nvan Statius, in de Tranen van Scaliger, wegsmelten. Al wat\\ntreurig en akelig is, trekt mij zoo zeer aan, dat ik al mijne\\nvrienden wenschte te zien schreijen. Ik wenschte alle Hol-\\nlanders in rouw te zien, opdat ik van alle kanten den aanblik\\nvan ongeluk en ellende mogt genieten. Ik wenschte dat de\\nzon in een eeuwigen nacht verholen bleef, en dat die helder-\\nheid van den dag voor de stervelingen niet opging, waarop\\nmijn licht, mijn leven, mijn wellust is ondergegaan. Ik\\nwenschte dat die ure uit den Zodiac uitgeligt werd, die de\\nlaatste geweest is van mijne beminde en van mijne vreugd.\\nAch, of eene Lethe mij de herinnering van mijn vroegere le-\\nven ontnam, opdat ik niet mogt herdenken, o mijne Barbara\\naan die vriendelijke toespraak en alleenspraak en troost, waarmede\\ngij dikwijls uwen kwijnenden echtgenoot opgekweekt hebt!\\nDe Corneliaas, de Semproniaas, de Porciaas, de Cleliaas, de\\nLiviaas mogen groot geweest zijn voor mij Barbara zijt gij\\ngeen mindere heldin geweest. Ik zeg voor mij: want ik heb\\nzoo groot eene achting niet voor de moeders der Gracchussen,\\ndie triumfen voor huwelijksgoed rekenden. Zij is mij eene\\nPorcia, die naar haren man luistert; zij eene Cornelia, die\\nvoor haar kroost zorgt; zij eene Sempronia, die het vrouwelijk\\nhandwerk bedrijft; zij eene Clelia, die zich in den kerker der", "height": "4352", "width": "2604", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0310.jp2"}, "311": {"fulltext": "263\\nhuwelijkstrouw wil laten opsluiten; zij eene Li via, die vleit\\nzonder list of bedrog; zij eene Faustina, die het huisgoed\\nvermeerdert en niet karig is. Zulk eene had het lot mij ge-\\ngeven; zulk eene heeft het lot mij ontnomen. Maar zoo vele\\ndeugden als ik herdenk, zoo veel gemis en smerten pijnigen\\nmij: wanneer ik ze vermeng en vereenig, dan word ik door\\nalle bijna overstelpt: wanneer ik ze wil onderscheiden, dan\\nben ik op velerhande manieren ellendig.\\nMeer schrijf ik niet af, maar het zij in het voorbijgaan, en\\nter eere van Yan Baerle, gezegd dat hij verder (want het is\\neen lange brief) minder heidensch over zijn ongeluk en zijne\\nonderwerping spreekt.\\nDe geschiedenis zegt niet, voor zoo veel mij bekend is,\\nhoe groot een deel Huijgens in het leed van zijnen vriend geno-\\nmen heeft; maar, mij dunkt, zoo de inhoud hem heeft bewogen,\\nde vorm van den brief heeft hem zeker niet minder bedroefd.\\nDe vergelijking der twee voorgelezene stukken zou mij aan-\\nleiding kunnen geven tot menige opmerking; maar Gij zult\\nze voor U zelve nog beter kunnen maken. Ik zeg alleen:\\nhoe rijk is het opstel van Barlaeus! hoe schitteren daarin zijn\\nbelezenheid en zijn wetenschap hoe kunstig is het hoe heeft\\nhij wel moeten arbeiden, om zulk een krioelend gewemel van\\npersonen en kenspreuken in zoo naauw eene ruimte in te\\nsluiten! Maar, herinnert U dat Cicero zeker weinig min dei-\\ngelezen had en wist; dat hij zeker niet armer geweest is in\\nverbeelding dan Barlaeus; dat zijne eigenliefde hem misschien\\nniet minder aanspoorde om ten toon te spreiden wat hij ver-\\nmogt; en rekent dan na hoe diep bij hem het inzigt was in\\neene kunst, waaraan hij zoo veel kon opofferen. Immers, hoe\\nzal men weten of het beeldrijke geheel ongepast, of een ge-\\nkozen beeld juist en bevallig is of men het te weinig uitgewerkt", "height": "4364", "width": "2668", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0311.jp2"}, "312": {"fulltext": "264\\nof te uitvoerig geteekend heeft, indien men niet voorzigtig\\nen met beleid te werk gaat en zich zelven plaatst op het standpunt\\nvan lezer of toehoorder, opdat zij zich niet verliezen in de\\nbeschouwing van het beeld, en het oogmerk vergeten waarom\\nhet gebezigd is? Muretus zeide, in het begin van eene zijner\\nEedevoeringen dat hij de aandacht zijner toehoorders niet zou\\ninroepen: \u00e2\u0080\u009eWelk schipper, wanneer hij reizigers voor een\\nvrachtloon overvoert, zal hun vragen of zij zoo vriendelijk\\nwillen zijn, met hem mede te varen? Hierbij liet de fijne\\nstilist het blijven. Maar verbeeldt U dat hij het zoogenoemde\\nderde van vergelijking nog sterker aldus had willen doen\\nspreken \u00e2\u0080\u009eGij zijt vrijwillig het vaartuig mijne Eedevoering met\\nmij ingetreden: wanneer zij, met volle zeilen, U in de haven\\nder overtuiging brengt dan zult gij mij het loon eener voor-\\nbijgaande goedkeuring geven; maar gij zult het mij altoos\\nmogen verwijten, zoo wij schipbreuk lijden op de blinde\\nklippen van langwijligheid en verveling, en gij U naar huis\\nredt, ieder op een stuk of plank van de kiel mijner rede.\\nLaat ons eindelijk deze beeldengallerij verlaten! want ik\\nmoet nog spreken van het geestige van het vernuft, van\\nhet zout der rede, als bijna uitsluitend het eigendom van\\nden ongebonden stijl. Ik bedoel, vooreerst, die beweging\\nen levendigheid, welke in alle schrijfsoorten eene meer of\\nmin ruime plaats vinden. Zij zijn gelijk aan de stoffaadje\\nvan een landschap in de schilderkunst. Wat er tegenover\\nstaat, is mat, eentoonig, levenloos, doodsch. Zoo ik mij\\nniet bedrieg, dan is het eene dwaling, wanneer dat talent\\ngeheel voor eene kostelooze gift der natuur gehouden wordt,\\nomdat het natuurlijk, dat is ongedwongen, los en gemakke-\\nlijk moet wezen. Het moet vanzelf s komen, zeggen zij,\\nen niet gezocht worden. Daarom ook schrijven velen, en\\nwachten het al schrijvende; en het opstel is af, en het", "height": "4344", "width": "2596", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0312.jp2"}, "313": {"fulltext": "265\\nis niet gekomen Een vooroordeel bij overlevering voortge-\\nplant, keurt dit zoeken af. Maar is men het eens omtrent\\nhet woord zoeken? Stellen wij een proza\u00c3\u00afst, die eene gedachte\\nnedergeschreven heeft, duidelijk en naauwkeurig genoeg: hij\\nleest ze nog eens over, en de uitdrukking schijnt hem loom\\nen traag. Indien hij zulk een is die, in zijnen spoed, over\\ndit struikelblok heenstapt en niet omziet, laat hem voortspoe-\\nden en zien waar hij te huis komt! van dezen spreken wij\\nn\u00c3\u00bc niet; maar, zoo hij iemand is die iets geestigers verlangt,\\nhoe moet hij doen? wat begeert het vooroordeel? dat het\\nhem invalle; dat hij niet zoeke. Doch, het zij dit nu ter-\\nstond of naderhand bij betere luim hem invalle hoe zal dit\\ngaan? wanneer hij niet denkt? niemand kan gedachteloos\\nzijn wanneer hij aan iets anders denkt? dan is het\\nonmogelijk. Zoo moet hij toch denken dat hij wenscht dat\\nhet hem invallen zal. Wel nu, dit noemen wij zoeken, en\\nhet geschil houdt op. Er bestaat eene kunst, die zulk eenen\\ngeest, zulk eene levendigheid en warmte zoekt; maar zij is\\nmoeijelijk want zij is de vereeniging van vele volkomenheden\\nen wat zij levert, moet aan het natuurlijke gelijk zijn. Ik\\nbedoel ten tweede het korte en puntige dat wij eenen inval\\nheeten en dat met zoeken hoogst zelden te verkrijgen is. Hij\\nis een gelukkig schrijver, wie met deze invallen ruim bedeeld\\nwordt hij kan zijnen lezer aangenaam verpoozen en onderhouden,\\nen den rimpel der ingespannen aandacht hem doen ontplooijen;\\nmaar geene andere gave vereischt in haar gebruik meer kieschheid\\nen fijner gevoel; want gevaar van misbruik is steeds nabij;\\nen zoo dikwijls, in die snelheid der geestbeweging, de aard\\nvan het onderwerp en de persoon des schrijvers vergeten wor-\\nden, zijn de grenzen in een oogenblik overschreden. Komen\\ndie keurigheid en die takt ook vanzelfs? Dan zouden wij\\nnooit geest in potsenspel zien ontaarden, noch jokkernij in", "height": "4356", "width": "2664", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0313.jp2"}, "314": {"fulltext": "266\\nbespotting, noch scherts in bitterheid neen, het is een\\nlange, langdurige oefening, het is een moeijelijke kunst, die\\ndit krachtige, maar gevaarlijke, werktuig leert hanteren. En\\nzou de stijl niets toebrengen tot de uitwerking van den inval?\\nEen beroemd Engelsch Eedenaar overpeinsde de redevoeringen\\ndie hij in de Eaads vergadering houden wilde, maar hij schreef\\nniets daarvan neder. Doch zoo dikwijls hij een geestigen inval\\nhad en hij was er rijk in teekende hij dien in ver-\\nschillende bewoordingen op, en prentte zich die uitdrukking\\nin het geheugen, waarmede zijne geestigheid het meest schit-\\nteren en op de toehoorders het krachtigst werken kon. Zijn\\nproza, zijn stijl ontving ze, even als de slijper den diamant.\\nDaar rijst een laatst gevaarte van rijm van korte en lange\\nlettergrepen, van voeten en versmaten! De Dichters staan er\\nboven op, en zien ver over ons heen; en ik vrees dat het\\nons niet gelukken zal hen allen nederwaarts te lokken. Want\\nzoo velen van hen als dit spel in bedwang hebben, en daarin\\nhet wezen hunner kunst niet stellen, die zullen vrijwillig\\nafdalen en ons de hand toereiken: maar er is eene onbereken-\\nbare menigte, die, zoo als Plato zegt, aan de deur der Muzen\\naankloppen, die een ganschen dag zwoegen over twee verzen,\\nen een raad van vrienden bijeenroepen, om te oordeelen: even\\nals de dichter Boileau, van wien men ook zegt dat hij een\\nuitmuntenden aanleg had voor het Proza deze zullen wij\\nmoeten dwingen, met een zacht geweld. Breken wij daartoe\\nvoorzigtig het hooge timmerwerk onder hen weg om hen zacht-\\nkens op gelijken grond met ons te brengen!\\nHet rijm: ja, het rijm, die beschaafde barbaarschheid\\nmartelt hen dikwijls, wanneer de taal niet gedwee is,, en de\\nvoorraad van gelijke klanken zich niet wil schikken in het", "height": "4328", "width": "2608", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0314.jp2"}, "315": {"fulltext": "267\\ndenkbeeld, dat uitgewerkt wordt. Maar, wat zij ons als zoo\\nrnoeijelijk, zoo belemmerend voorhouden, zou daarin niet bij\\nsommigen een geheim huismiddel hunner kunst gelegen zijn?\\nZij hadden den draad eener gedachte gevolgd daar komt\\neen ongelukkige eindklank, en de woorden, die daarmede\\nzamenklinken passen in allerlei gedachten, behalve in die\\nwelke zij nu vervolgden Zij snijden dien draad voor een\\noogenblik door, en vlechten er het toevallig gevondene in:\\ner komen aldus wel knoopen in den draad maar het is\\ntoch een geheel. Hoe veel stoute en onverwachte wendingen\\nzijn zij aan dit hulpmiddel niet verschuldigd! Wij daaren-\\ntegen, moeten het rijm vermijden, en daarom juist staat het\\nons, door ik weet niet welke geheime tegenwerking, zoo\\ndikwijls in den weg. Het moet verschoven worden, en een\\nander woord van verschillenden klank moet in de plaats komen,\\nzonder dat er zin of beteekenis verloren ga, zonder dat wij\\nde reeks onzer gedachten afbreken. Zouden dit vermijden en\\ndat zoeken in moeijelijkheid niet tegen elkander opwegen?\\nHunne voeten die heeft ons Proza ook, en terwijl zij\\no verdra gtelijk zeggen dat hunne voeten staan en wandelen\\nkunnen wij eveneens beweren dat ons Proza staat en wandelt.\\nMaar dat kunstige zamenstel hunner voeten, die liefelijke af-\\nwisseling van kort en lang, dat streelend geluid van beurte-\\nlings hoog en laag, dat getoover met woorden, wanneer telkens\\neene gedachte in hetzelfde getal lettergrepen besloten is de\\nversmaten en, in sommige dichtsoorten, derzelver verscheiden-\\nheid wanneer het zintuig der oogen te gelijk bekoord\\nwordt, en de verzen een, twee of drie vingerbreed langer\\nzijn het eene dan het andere is er iets dat hierbij haalt\\nin het Proza dat naar zijne beteekenis slecht en recht daarheen\\ngaat, omdat het ongebonden is? Wachten wij ons deze\\nongebondenheid voor bandeloosheid te houden! Onze gehoor-", "height": "4364", "width": "2680", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0315.jp2"}, "316": {"fulltext": "268\\nzaamheid aan taalwetten waarvan zij zich zoo dikwijls ontslaan\\nis een band die meermalen evenzeer knelt als de maat hunner\\nverzen. Ons Proza schijnt ongebonden, maar het is omdat\\ndie band minder merkbaar is voor oor en oog. Het schijnt\\nvrij te wezen, maar die vrijheid is een bijna oneindige uit-\\nbreiding, eene rekbaarheid, maar die grenzen heeft, waarvan\\nwij niet onkundig mogen zijn. Het schijnt geen maat te hebben\\nmaar het heeft er eene die niet tastbaar is, die niet op de\\nvingeren kan nagerekend worden. Het schijnt geen klank of\\nzang te hebben, doch het heeft eene welluidendheid, die\\nverscheiden, maar niet onbestemd die moeijelijk te bevat-\\nten, maar ook moeijelijk voort te brengen die het diepste\\ngeheim der kunst is.\\nIk heb mijne taak volbragt, G, T. naar mijn vermogen.\\nIk heb U willen herinneren dat de ongebonden stijl oefening\\nen kunst vordert. Het is de taal met hare bevalligheid en\\nkracht en rijkdom: het is de taal in haar ganschen omvang.\\nGeen rede is er denkbaar zonder spraak, even min als eene\\nspraak zonder rede. Die rede zong, gelijk men beweert, in\\nde kinderjaren van het menschdom; maar zij was die der\\nkindschheid. Zij bond zich, omdat zij het genot der vrijheid\\nniet kende. Hare uitdrukking geleek nog niet naar de vol-\\nkomene taal der beschaving, evenals het wicht, dat met doe-\\nken en zwachtels omwoeld is en nog weinig naar een mensch\\ngelijkt. Het menschdom is opgewassen, en de Poezij is bij\\nvelen een kindsche ouderdom geworden; bij weinigen is zij\\nnatuur gebleven, met de frischheid der jongelingschap. Maar\\nhet Proza heeft zich allengs door denken ontplooid, door na-\\nsporing verrijkt, en door kunst volmaakt.\\nOnze taal Gij weet het T. wordt door weinige andere", "height": "4344", "width": "2596", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0316.jp2"}, "317": {"fulltext": "269\\novertroffen in die deugden, wier ontwikkeling aan de buig-\\nbaarheid en zuiverheid harer eerste grondstoffe te danken is.\\nDit bewijzen onze letterkunde en eenige meesterstukken, die\\nwij daarin tellen. Maar, verbergen wij het niet! er is bij\\nons nog geen vrees voor dat afslijtend polijsten, waardoor\\nmisschien eenige andere taal hare veerkracht verloren heeft.\\nEr blijft ons nog veel te buigen, te kneeden, te lenigen, te\\nbeproeven niet door hen die het vreemde najagen en overal\\nte huis zijn, uitgenomen in hun Vaderland; maar door onze\\nschrijvers, op wier gezag het nageslacht zich beroepen zal,\\nzoo zij met moeite, met zorg en met gestadigen arbeid hun-\\nnen stijl bewerken, niet als een onontbeerlijk, schoon lastig,\\nvoertuig hunner gedachten, maar als een kostbaar talent, als\\neen geschenk van hooger hand, als een kenmerk hunner\\nveredeling.", "height": "4364", "width": "2680", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0317.jp2"}, "318": {"fulltext": "O AANTEEKENING.\\nMen heeft het mij ten kwade geduid dat ik den brief van\\nBarlaeus openbaar heb gemaakt. Simons heeft deze wandaad\\nzelfs gelijk gesteld met het uitgeven van nagelaten brieven, die\\neen leelijke karakterzijde ontdekken van een of ander groot\\nman, wiens \u00e2\u0080\u009enagedachtenis zij nimmer kunnen vereeren\\nKier heeft eene verwarring van begrippen plaats. Wanneer\\ndie groote man een wijsgeer is geweest of een geleerde af-\\ngezonderd in zijn studeervertrek, arbeidende aan diepe naspo-\\nringen of speculatieve wetenschap wat baat het dan der geleerde\\nwereld, zoo men, na zijnen dood, de gebreken van zijn hart\\naanklaagt, en de achting ondermijnt die hem vroeger toegedragen\\nwerd? Er is iets wreeds in, en toch werkt het slechts op de\\ntijdgenooten van den grooten man of van den beschuldiger.\\nHoe meer geslachten er voorbijgaan, des te meer scheidt de\\ngrootheid van den geleerde zich af van de zwakheid des mans.\\nBe tijdgenooten beminnen zoo gaarne den geleerde, dien zij\\nmeer of min van nabij kennen: hunne liefde voor den man\\nhelpt hen zelfs zich opwinden tot hooge bewondering van hetgeen\\nin den geleerde misschien minder lof verdient. Het nageslacht\\nis onpartijdiger: het leest zijne werken; het bekommert zich", "height": "4348", "width": "2604", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0318.jp2"}, "319": {"fulltext": "271\\nminder om de deugden of gebreken van zijn karakter immers\\nzoo hij niet geschreven heeft over onderwerpen tvaarin zijn hart\\nbetrokken was. Be naklank der gebreken wordt allengs flaau-\\nwer, en wie, als snuffelaar in de historia literaria of als\\nliefhebber van anecdoten, er jagt op maakt, zal misschien\\nleeren dat er niets volmaakts is onder de zonne. Mi juist\\nom het tveinig opbeurende van deze bekende uitkomst, zou ik\\nniet gaarne een gunstig vooroordeel der tijdgenooten bestrijden\\nof hun genot bederven, zoo lang het, om der wetenschap of\\nlezer en wille, niet noodig was dat de waarheid aan den dag\\nkwam. Nog eens: Huijgens, Boerhave Buhnkenius zijn brave\\nmannen geweest. Hebben voor hem, die dit weet, hunne heer-\\nlijke uitvindingen en ontdekkingen een hoogere wvarde? Er\\nvalt iets af te dingen op de deugd van Muretus en Perizonius,\\nindien berigten en overlevering hen niet beliegen. Maakt het\\nvoor hem, die dit toevallig tveet, hunne geleerdheid minder\\nbruikbaar? Heeft voor hem de eene minder fijnen smaak, en\\nde andere minder scherpen blik, dan voor mij die het niet\\nweet? Of wordt de grootheid van Aristoteles en het nut\\nzijner tcerken twijfelachtig, omdat wij van zijn karakter en\\nhart niets met zekerheid weten?\\nLiefde voor de waarheid is alles wat wij in den ge-\\nleerde, buiten zijn wetenschap en talenten, mogen eischen:\\nmaar het is ook een groote eischf Haar gaafheid of ge-\\nbrek behoeft in geen levensberigten noch nagelaten brieven\\naangewezen te worden. Zij is evenzeer een karaktertrek van\\nden geleerde en van zijn werk, als van den man. Het is\\neen schoone deugd van den Nederlander dat hij in den\\ngeleerde een beminnelijk mensch, innemend door luim en om-\\ngang, tvenscht te vinden: zij toont zijne ontvankelijkheid voor\\nde fijner beschaving, die uit den geleerden kring in de maat-\\nschappij afdaalt; maar zij slaat bij hem al te ligt over tot", "height": "4364", "width": "2672", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0319.jp2"}, "320": {"fulltext": "272\\neen dweepende liefde, waarbij de middelmatigheid aan beide\\nzijden haar rekening vindt.\\nEn wat nu van dit alles heeft iets met Barlaeus te maken?\\nIk tcist reeds, wat sommigen bezwaarlijk zullen toegeven, dat\\neen uitsluitende navolging der Latijnsche Dichters zijnen\\nsmaak en dien zijner tijdgenoolen benadeeld en zijn proza\\nonaangenaam gekleurd heeft. Zijn hart had met die verkeerde\\nrigting niets te doen. Toen ik toevallig een wansmakelijke\\nuitdrukking der diepste smart ontmoette, ontving ik eene\\nles: ik tvilde ze ?det voor mij alleen houden.\\nVit de tegenspraak van wijlen mijnen vriend Simons blijkt\\ndat hij den Brief van Barlaeus voor een Dichtstuk aange-\\nzien had. Ik had evenwel geeri aanleidi?ig gegeven tot dit\\nzonderling misverstand. \u00e2\u0080\u009eZou het, zegt hij, \u00e2\u0080\u009eedelmoedig\\nzijn, eene zioakke taal van den Dichter op te zoeken en\\nhet gebrekkige uit te kiezen, om daartegen het voortreffelijk-\\nste van den Bedenaar te vergelijken? Maar de Dichter\\nBarlaeus schreef een proza\u00c3\u00afschen brief over zijne smart.\\nIndien de laatste zijne Oratorie afgelegd heeft waarom toch\\nde eerste niet zijne Po\u00c3\u00a8 zij?\\nDit is de eenigste plaats in den uitval van Simons die\\nik meende te moeten wederleggen.", "height": "4340", "width": "2672", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0320.jp2"}, "321": {"fulltext": "APR 13 19 i", "height": "4391", "width": "2480", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0321.jp2"}, "322": {"fulltext": "", "height": "4364", "width": "2664", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0322.jp2"}, "323": {"fulltext": "", "height": "4272", "width": "2664", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0323.jp2"}, "324": {"fulltext": "", "height": "4622", "width": "2809", "jp2-path": "onderzoekenphant00geel_0324.jp2"}}