LIBB1M OF CONGJtESS. [81 IÈM DEEOSIT.] UNITED STATES OF AMERICA ♦ 4 ( Jt.C |jet }|cckl;uukl| |)euczneli.ans<:lj 1875 DOOR AMIGO DE LAS ANTILLAS 14 1878 r TYPOGRAPHIA BELGICA 7T HET NEDERLANDSCH-VENEZUELAANSCH INCIDENT Tusschen Nederland en Venezuela is een zeer ernstig conflict ontstaan, dat vooral in belang van eerstgemeld land, dringend eene zeer spoedige oplossing vordert. In de maand october 1874 brak te Coro, hoofdstad van den Staat Falcon in Venezuela, een opstand uit, opgezet en aangestookt door eenige vermogende speculanten van het vlak daartegenover liggend eiland Curacao, dat onder Neder- landsen gezag staat. Het is op Curacao van algemeene bekendheid dat bedoelde speculanten door geldelijke ondersteuning en talrijke uit- voeren van wapenen en ammunitie voedsel hebben, gegeven aan den opstand. Zij worden aldaar met namen en toenamen genoemd. Met zekerheid weet men dat uit Curacao zijn vertrokken en door hen bevracht zes schepen met + 10,000 geweren en eene aanzienlijke hoeveelheid patronen, eenige kanon- nen, enz., enz., uitsluitend voor de opstandelingen bestemd. Een paar dier schepen zijn zelfs door het wettig gezag in — 6 — Venezuela aangehouden of prijsgemaakt. De daarin bevon- den documenten en goederen hebben de deelneming der Curacaosche speculanten aan den Venezuelaanschen opstand buiten allen twijfel gesteld. Evenzoo is het van algemeene bekendheid dat de Gouverneur van Curacao op eene hoogst- laakbare en onverschoonbare wijze de uitvoeren van kruit en ammunitie, ja zelfs de inlading daarvan door Neder- landsche soldaten, onder zijne oogen heeft toegelaten, en ingevolge de bevoegdheid hem bij koninklijk besluit gege- ven, die uitvoeren eerst heeft verboden toen hij wist dat de opstandelingen goed voorzien waren. Het officieus regeeringsorgaan van Venezuela, La Opi- nio?! Nacional van Caracas, beschuldigde dan ook met grond den Gouverneur en de autoriteiten van Curacao van medeplichtigheid aan den opstand en bleef met verdubbelde kracht bij die beschuldiging volharden toen de Nederland- sche zaakgelastigde te Caracas bij den redacteur een verzoek om rectificatie kwam doen. In een artikel, onder het opschrift « No P odemos » (wij kunnen niet) zegt de redacteur van gemeld blad het vol- gende : « De heer Brakel, Nederlandsch zaakgelastigde, heeft ons met een bezoek » vereerd om ons eene rectificatie te verzoeken in het door ons vermelde » betreffende de medeplichtigheid van de autoriteiten van Curacao aan de » inlading der oorlogselementen, die van dit eiland naar de kusten van » Venezuela zijn gekomen, om te dienen tot den misdadigen opstand, die « thans de openbare rust verstoort. » Te dien einde gaf de heer Brakel ons te kennen dat de autoriteiten van v Curacao niet hebben geweten of konden vermoeden dat de oorlogsbehoef- » ten, door andere landen verzonden, tegen Venezuela moesten dienen, en v dat, wat de soldaten betreft, deze niet verantwoordelijk zijn omdat de » Nederlandsche soldaat slechts de bevelen zijner oversten te volgen heeft. » Wij drukken textueel de woorden af van den heer Brakel en wij geven » kennis aan onze lezers van voormeld onderhoud als een beleefdheidserken- » tenis aan dien heer. (Al caballero.) » Maar wij rectificeeren geen enkelen regel van al wat wij met betrek - » king tot de autoriteiten van Curacao geschreven hebben; wij zullen inte- »» gendeel, ter voldoening aan de hoogere verplichtingen die de waarheid ons » als dagbladschrijvers, en de liefde tot het vaderland, als burgers en voor- m standers der zaak van de vrijheid opleggen, eiken dag nieuwe beschuldi- » gingen tegen gemeld bestuur verzamelen omdat elke dag nieuwe bewijzen » aanbrengt, die de blijkbare medeplichtigheid der Curacaosche autoriteiten » aantoonen aan de revolutionnaire beweging, welke men tegen Venezuela » voorbereid heeft en wier hoofdzetel zich op het rampzalig eiland Curacao ji bevindt. » Er is noch op de geheele uitgestrektheid van het Venezuelaansch grond- gebied, noch op die van het eiland Curacao, een enkel man, een enkele » vrouw, een enkel kind, wien het misdadig plan niet bekend en in het oog » springend is geweest dat met onbeschaamdheid en cijnismus te Curacao » op touw is gezet en die niet met den vinger en bij naam en toenaam ieder ♦t der samenzweerders kan aanwijzen, op dat eiland verblijvende, te beginnen v met den Israëliet Jesurum tot Louis Maria Biaz. Hun verrichtingen » waren openbaar, hun vergaderingen zonder eenige omzichtigheid aange- » legd; en van den rijksten koopman af tot den sjouwerman langs de kaaien, »> allen hebben gezien, gehoord en tastbaar kunnen aanschouwen wat de p autoriteiten en de politie van Curacao niet hebben kunnen vermoeden. » Aan iedereen is de intimiteit bekend tusschen Jesurum, den voornaamsten begunstiger der misdaad en den tegenwoordigen Gouverneur van gemeld » eiland, als mede de invloed, dien eerstgenoemde op laatstgenoemden v uitoefent. » In tegenwoordigheid van alle inwoners, op klaarlichten dag en geladen » op de schouders der soldaten van het fort, zijn kisten met geweren en » oorlogsbehoeften op de meest openbare kaaien van het eiland gebracht en » ingescheept in de schoeners Julia, Providencia, Anna-Isabel en Midas, » allen in eigendom toebehoorende aan Jesurum, welke op Coro en andere » punten van Venezuela de oorlogscontrabande hebben overgevoerd tegelijk » met de meest gecaracteriseerde samenzweerders, die zich in de rijen der » opstandelingen van Coro vertoonen. » Na gevraagd te hebben hoe het Bestuur van Curacao zoo onnoozel heeft kunnen zijn niets te vermoeden niettegen- staande de herhaalde waarschuwingen van de Regeering van Venezuela, resumeert La Opinion nacional nogmaals de feiten die hebben plaats gehad, ten betooge dat de autoritei- ten onmogelijk onkundig kunnen zijn gebleven van hetgeen al de inwoners van Curacao wisten en op klaarlichten dag hebben kunnen waarnemen. Het blad eindigt aldus : » Wij vragen verschooning aan den heer Brakel zoo wij ons, in plaats » van toetestemmen in de rectificatie, die hij verlangt en welke wij hem van — 8 — » ganscher harte hadden wenschen te kunnen verleenen, ten einde aan de » begeerte onzer vriendschap te voldoen, integendeel tot de regeering van » ons vaderland wenden, om in naam van het recht en de waardigheid der v Republiek te verzoeken dat de Nederlandsche Regeering verantwoording »> vrage van de autoriteiten van Curacao, wegens haar medeplichtigheid aan '< den opstand die uitgebroken is tegen de nationale Regeering en de vrij- « zinnige instellingen van het land en de verschuldigde schadeloosstelling * eischen voor het bloed dat gestort is, de vernieling der eigendommen, het >< klaarblijkelijk nadeel dat de natie geleden heeft door verlamming van den » nationalen arbeid, alsmede voor de ontzettende kosten, die dit nieuwe » avontuur aan de Republiek veroorzaakt heeft. » De regeering van Guzman Blanco, die de waardigheid van Venezuela » op eene hoogte heeft weten te houden van welke het nimmer zal neder- »» dalen voor de buitenlandsche natiën, de voorrechten onzer nationaliteit » gehandhaafd en in onzen naam en krachtens ons recht, den eerbied van » alle volken der aarde verworven heeft, die Regeering zal — daar op stelt » het Venezuelaansche volk volkomen vertrouwen — bij deze gelegenheid » te werk gaan zoo als zulks in overeenstemming met de verhevenheid harer ♦» inzichten en de edelaardigheid harer vaderlandslievende voornemens » behoort. » Al wat liet blad La Opinion National voor de mede- plichtigheid van den Gouverneur en de autoriteiten van Curacao aanvoert, wordt door de gansche bevolking aldaar bevestigd en is, om zoo te zeggen, lippis et tonsorïbus notum. De Gouverneur bewoont het Gouvernementshuis gelegen tegen over de haven in het Waterfort, waarin, behalve andere gebouwen, een overwelfd buskruitmagazijn gevonden wordt, hetwelk tot berging dient van wapenen en ammunitie aan particulieren toebehoorende. Niets kan daar- uit worden vervoerd of het moet langs zijn woning en onder zijn oogen gaan. Hij heeft dus moeten zien dat neder- landsche soldaten heen en weèrgingen om van uit het maga- zijn kruit en ammunitie naar de in de haven liggende sche- pen overtebrengen, en de bewering dat de soldaten gelijk in ieder ander land der wereld, de bevelen hunner chefs moeten volgen, maakt hem slechts des te schuldiger, want hij heeft volgens art. 30 van het Regeeringsreglement het opperbevel over de in de kolonie aanwezige krijgsmacht en had dus als opperbevelhebber het vervoeren en inladen der oorlogsbehoeften door nederlandsche militairen moeten ver- bieden. De bestemming dier oorlogsbehoeften kon hem even- min als der gansche bevolking onbekend zijn. Men weet overigens wat het te beteekenen heeft wanneer de tegen- woordige Gouverneur onwetendheid of onbekendheid met het een of ander voorgeeft. Zoo gaf hij b. v. voor onbekend te zijn met de aanwe- zigheid van phosphorzure kalk op het eiland klein Curacao en uit een rapport, in de Tweede Kamer uitgebracht, over eene concessie tot het uitgraven dier stof, alsmede uit een brief door den concessionaris zeiven in het Weekblad « de Onpartijdige » van Curacao, van 30 april 1874, n° 187, geschreven, blijkt het tegendeel. Zoo verklaarde hij almede in een officieel stuk van het jaar 1871 niets te weten van eene klachte destijds door hem tegen een nederlander ingediend, waarvan de ingezetenen hem de intrekking kwamen vragen omdat zij ongegrond was, en let wel, zijne schriftelijke klachte bevond zich bij de processtukken en werd met dezen door den beklaagde zei ven voorgelezen ! Het spreekt van zelf dat aan de beweringen of voorwend- sels van zoodanigen ambtenaar niet de minste waarde kan worden gehecht. Maar er is meer. De Curacaosche speculanten houden er een door hen gesubsidieerd weekblad op na, genaamd El Imparcial, dat den gouverneur ophemelt en zijne kolom- men gratis voor dezen beschikbaar heeft gesteld, maar daar- entegen het wettig gezag van Venezuela gestadig beleedigt . Het blad wordt gezegd het orgaan van den handelstand te zijn en heeft tot redacteur een vreemdeling, een Venezue- laan, die niet om zijne deugden uit zijn vaderland is moeten vluchten en Curacao tot wijkplaats gekozen heeft. In plaats — 10 — van vervolgd te worden door den Procureur generaal, blij- ven de Curagaosche begunstigers van den opstand goede maatjes met de autoriteiten en staan zij in hooge gunst bij den Gouverneur (dien zij in kun schimpblad vleijen), niette- genstaande er twee artikelen in het Wetboek van Strafrecht voor Curacao gevonden worden van den navolgenden inhoud : (' Art. 54. Ieder, die door vijandelijkheden, door de Regeering niet goed- » gekeurd, Nederland of de kolonie aan eene oorlogsverklaring blootstelt, » wordt gestraft met verbanning, en zoo door die daad werkelijk oorlog » ontstaat, met dwangarbeid van vijf tot vijftien jaren. » « Art. 55. — Ieder, die door handelingen, door de Regeering niet goedge- » keurd. Nederlanders of ingezetenen der kolonie blootstelt aan maatregelen » van wedervergelding van vreemde mogendheden, wordt gestraft met ver- » banning. » De redacteur van El Imparcial wordt evenzeer onge- moeid gelaten en is de habitué van de soirées van den Gouverneur (wien hij wierook brandt) ofschoon de bepa- lingen omtrent laster en hoon bij het laatste lid van artikel 323 van het Curacaosch Wetboek van Strafrecht insgelijks toepasselijk zijn verklaard op laster en hoon jegens vreemde souvereinen of hoofden van buitenlandsche Regeeringen, alsmede jegens vreemde diplomatieke agenten. De Gouverneur had zelfs de bijzondere beleefdheid om het vertrek der brievenpakket, dat op zevenden juni laatstle- den bepaald was, tot den volgenden . dag uittestellen, ten einde den redacteur van El Imparcial de gelegenheid te geven het nommer van dien dag, waarin te zijner ver- dediging eene « correspondentie voor Nederland » moest verschijnen, daarmede te verzenden. Men heeft vroeger, zelfs toen de wet geene uitzetting toeliet, vreemdelingen van Curacao verjaagd, die de inwen- dige rust niet verstoorden, die aldaar gehuwd en sedert 25 jaren gevestigd waren en niet in een dag- of weekblad — 11 — buitenlandsche Regeeringen of hare hoofden lasterden , hoonden of beleedigden. De koloniale Raad zond daartegen protesten in aan den Koning en de Heer Serrano beklaagde zich deswege bij de Tweede Kamer. Maar de redacteur van El Imparcial, die onophoudelijk het tegenwoordig bestuur van zijn vaderland uitscheldt en door het slijk haalt, wordt gespaard en niet uitgezet, ofschoon er thans eene veror- dening ter uitvoering van art. 6 van het Reglement op het Beleid der Regeering in de Kolonie Curagao onder dagteekening van 7 april 1874 (Publicatieblad, n° 24), is vastgesteld, waarin o. a. is bepaald : « Art. 1. Personen, noch in de kolonie gevestigd, noch daarheen van » Rijkswege gezonden, worden tot verblijf aldaar slechts toegelaten, indien » zij bewijsbare voldoende middelen van bestaan hebben en niet gevaarlijk » zijn te achten voor de pabliehe rust. » « Art. 4. Aan de in art. 1 vermelde personen, die voor de publieke rust » gevaarlijk zijn te achten, wordt op Curacao door den procureur-generaal v en op de overige eilanden der kolonie door den gezaghebber aanzegging » gedaan dat zij de kolonie moeten verlaten. » « Art. 5. Zij, die volgens de vorige bepalingen de kolonie moeten ver- » laten, worden uitgezet door hen met eene scheepsgelegenheid, voor zooveel » droenlijk naar hunne keus, naar elders te doen vertrekken. » « Art. 6. Aan hen, die aanvankelijk tot verblijf in de kolonie toege- » laten, haar later krachtens bekomen aanzegging moeten verlaten, wordt » een behoorlijke tijd en de gelegenheid gelaten tot regeling hunner » zaken. » Niet te ontkennen is het dat zoowel de redacteur van El Imparcial, als de Curacaosche speculanten door hunne han- delingen de kolonie aan vijandelijkheden en wedervergelding van de zijde eener vreemde, met Nederland bevriende mo- gendheid blootstellen ; dat mitsdien bedoelde redacteur als gevaarlijk voor de openbare rust moet worden uitgezet en dat de autoriteiten, door geene vervolgingen in te stellen en den vreemden redacteur niet uittezetten, zich hoe langer hoe meer tot medeplichtigen dier woelgeesten maken, blijkbaar - 12 met hen heulen en de verantwoordelijkheid daarvan moeten dragen. Het verdient opmerking dat de opstand , die den ze centienden oct eiber 1874 te Coro uitbrak, in den avond van den volgen- den dag op Curacao bekend, en reeds den negentienden^oor El Imparcial in zijn nummer 39 vermeld werd. Van af dien dag gingen de onruststokers ijveriger dan ooit voort met verzendingen van kruit en ammunitie voor de opstan- delingen. Die verzendingen hielden gedurende eene gansche week zeer druk aan en eerst den zeven en twintigsten oc- tober vaardigde de gouverneur zijn verbod uit tot uitvoer, en liet hij, pour la frime, in de Curacaosche courant de inge- zetenen waarschu ven om zich van contrabande te onthouden, steeds op een goeden voet blijvende met de begunstigers van den opstand en den redacteur van hun orgaan sparende en bij zich ontvangende. Nu gedurende ruimen tijd de verzending van oorlogsbe- hoeften uitsluitend ten behoeve der opstandelingen was toe- gelaten, kon het verbod eigenlijk slechts beschouwd vrorden als gericht tegen het wettig gezag van V enezuela, dat zich thans op zijne beurt niet op Curacao van kruit en ammunitie kon gaan voorzien. Niettemin schijnen de begunstigers van den opstand ook nog, na dat verbod, middel gevonden te hebben om met den uitvoer van contrabande voort te gaan. Daarenboven bleef de Gouverneur in gebreke Bonaire en Aruba behoorlijk te laten bewaken, zoodat van daar de Curacaosche speculanten vrij spel hadden hun misdadig be- drijf voort te zetten. Zoowel vóór als na het verbod tot uitvoer werden door die speculanten kruit en oorlogsbehoeften voor de opstande- lingen ingescheept en verzonden. Den 24 en october, vertrok de schoener Midas, van Cu- — 13 — racao, uitgeklaard naar Trinidad, maar met wezenlijk doel den schoener Enero de 74 (januari 1874), optesporen, om zich te vergewissen of deze het oorlogsmaterieel voor het oosten van Venezuela bestemd, aan wal had gezet. Van dat tijdstip af trad de Julieta in de plaats van de Midas, om de pakket naar San Thomas overtebrengen, en was de Midas zelf uitsluitend in dienst van de opstandelingen om depêches en oorlogsbehoeften overtebrengen. Dat schip werd op last der Venezuelaansche Regeering aangehouden, en later, bij vonnis van het Hoog Federaal Gerechtshof, te Caracas, goeden prijs verklaard. In een uit San Thomas aan den President van Venezuela gerichten brief, onderteekend Lermit la Roche, in « la Opinion National », n° 1681, opgenomen, komt omtrent het aangehouden vaartuig het volgende voor : « Drie dagen nadat de Midas (het aangehouden en opgevoerde schip). » naar Curacao was vertrokken, werd mij kennis gegeven dat aanboord van v dat schip zich een vrij groote hoeveelheid buskruit bevond, welke op zee v aan boord van een ander schip moest worden overgescheept om die naar h Venezuela te brengen. » In datzelfde blad leest men : Meer gegevens : « Het is bewezen, dat de schoener Midas van Jesurum op » de eilandjes Tortuga en Coche de oorlogsbehoeften heeft ontscheept, welke hij uit Curacao had medegenomen om den onrechtmatigen oorlog te ver " wekken, die Venezuela is komen verontrusten. Daarenboven heeft men een « bronzen kanon verborgen gevonden aan boord van de Midas, die te La ■■ Guaira wordt aangehouden. » Zakelijk verhaalt La Opinion National van Caracas als volgt het gebeurde aan boord van den venezuelaanschen schoener Bolivita : * De Bolivita maakte deel uit van het kleine escader, dat zich, onder » bevel van het oorlogstoomschip Guzman Blanco, in het meer van Mara- » caibo bevindt. Van daar in commissie uitgezonden naar La Guaira, deed « de Bolivita Coro aan, alwaar de opstandelingen er zich meester van — 14 — » maakten, en dien bestemden om hunne communicatie met Curacao te » onderhouden. » Toen de Bolivita deze haven verliet zouden zich aan boord daarvan » bevonden hebben twee zeelieden van de in deze haven liggende venezue- « laansche oorlogsbark La Paloma. welke men alhier zou hebben overge- »♦ haald om hun vaartuig te verlaten en dienst te nemen bij de opstande- » delingen van Coro. Buiten deze haven en op eenen aftand van zes mijlen, f kwam de venezuelaansche kolonel G-uevara, die deel van het scheepsvolk » uitmaakte, in opstand, en, ondersteund door de twee zeelieden van ia »» Paloma, die maar geveinsd hadden zich te laten omkoopen, verklaarden »> zij zich ten gunste van het wettig gouvernement van Venezuela. De kapi- >» tein van den schoener, de venezuelaansche generaal Reyes, gedurende de »> handgemeenschap gewond, stierf spoedig daarop aan de gevolgen der » ontvangene wonde. » Volgens een ander nommer van hetzelfde blad zou men aan boord van » de Bolivita, behalve eenige brieven, waarvan wij hieronder melding « zullen maken, nog gevonden hebben de som van zeven duizend pesos »» (f. 14,000), welke, volgens dat blad, bestemd zou geweest zijn om de » troepen der opstandelingen hare soldij te betalen. » In n° 1690 van dezelfde La Opinion National zijn mede openbaar gemaakt eenige brieven, welke aan boord van den heroverden schoener Bolivita zouden zijn gezonden. Aan den voet van drie dier openbaar gemaakte brieven staat als onderteekening : Luis Maria Diaz, en van de vijf andere : Abraham, J,Jesurum, Pedro, M. Consuegra,P. M. Con- suegra, en José Ramon Henriquez. Het blijkt dat de Curacaosche schoener Midas, vroeger door de regeeringstroepen van Venezuela genomen, later door hen in een oorlogschip is herschapen, waarvan zij den naam van diens vroegeren eigenaar Jesurum hebben gege- ven en dat zij daarmede op nieuw een ander schip van den- zelfden eigenaar hebben prijs gemaakt, dat nu laatstelijk onder Engelsche vlag den naam voerde van Colibri, doch te voren den naam had van Enero de 1874 (Januari 1874). Zijn de misdadige bedrijven der Curacaosche speculanten en de medeplichtigheid en laakbare toegevendheid der auto- riteiten duidelijk bewezen, niet minder zeker is het dat zij groote afkeuring vonden bij de overgroote meerderheid der — 15 — bevolking van Curacao, die steeds elk wettig gezag eerbie- digt, zich niet met de huishouding van vreemde landen inlaat en genoeg te doen heeft om zich in haar eigen land zoo goed mogelijk tegen wanbestuur en willekeur te vrijwaren. Men klaagde op Curacao algemeen over de taal, welke door het weekblad El Imparcial werd aangeslagen en de strekking had om al wat gunstig was voor het wettig gezag van Venezuela in een verkeerd daglicht te stellen, waardoor de goede verstandhouding met dat land, die zoo noodzakelijk is voor het eiland, gevaar zoude kunnen lijden. Het blad werd beschuldigd van verregaande partijdigheid en ontrouw aan zijn titel en aan het daarin vooropgezette programma. Wel is waar gaf het aanvankelijk na den opstand te Coro, berichten voor en tegen, doch bij voorkeur verspreidde het valsche tijdingen, vermoedelijk van de opstandelingen of hunne begunstigers zeiven afkomstig, en, wanneer het nu en dan een verhaal ten voordeele der Regeering van Vene- zuela opnam, dan trachtte het dit in een verkeerd daglicht te stellen, of liet het met hatelijke schampere en bitse aanmer- kingen vergezeld gaan. De Civilisado, een ander weekblad van Curacao, die altijd orde, rust en eensgezindheid onder de ingezetenen predikt en dezen in het goede voorgaat, liet een en ander niet onopgemerkt, waarschuwde tegen de oproerige taal van El Imparcial en de misdadige handelingen der specu- lanten, schetste de gevolgen daarvan, en maande iedereen aan om zich niet met de aangelegenheden van Venezuela te bemoeien, maar zich liever met vruchtbaarder arbeid op te houden. In dat blad werd ook in menig ander opzicht op de nalatigheid van het Bestuur met betrekking tot de verwik- kelingen in Venezuela gewezen. Zoo leest nien in het nommer van 28 november 1874 in .de spaan sche taal het navolgende : — 16 — « Gisteren, tegen vijf ure des namiddags, vertrok uit onze haven de v schoener « Januari 1874 », aan boord hebbende de venezuelaansche gene- m raals Galan en Ceiis, en andere ondergeschikte beambten. Men gelooft »• algemeen dat deze heeren naar de kust van Coro of het Oosten van Vene- « zuela gaan. om de partij ter hulp te snellen, die tegen deze Republiek in » opstand is gekomen. » Reeds lang te voren betreurden wij het werkdadig aandeel, dat in de. »> oorlogszaken van Venezuela genomen wordt door eenige ingezetenen van h dit eiland, die op de onderlinge tweedracht der venezuelanen speculeeren « en wier schandelijk gedrag de rechtmatige verontwaardiging van de « Regeering en van het volk der naburige natie tegen gansch het eiland » opwekt. » Het is zeer opmerkenswaardig dat op de januari 1874 generaal Galan h scheep gaat. die op de vordering der Venezuelaansche Regeering uit » Curacao werd gezet en. niettegenstaande deze omstandigheid in liet begin « dezer maand hier in deze kolonie Kwam en, door het bestuur verzocht k zijnde om Tteentegaan, een uitstel vroeg, dat hem werd verleend tot den » zevenden dezer maand, » Van den anderen kant deed de Üwilisado in zijn extra- nommer van 16 november 1874, navolgenderwij ze opmer- ken, dat uit dezelfde drukkerij, waar El Imparcial uit- gegeven wordt, nog andere oproerige en beleedigende geschriften van denzelfden aard schenen voorttekomen : « Dezer dagen werden hier exemplaren verspreid van het eerste nommer « van een. in de spaansche taal, gedrukt pamphlet, getiteld El Alacran [Be » Schorjjioen] welk, naar het schijnt, enkel onder de partijgangers der revo- " lutie tegen Guzman Blanco, althans op dit eiland, mag circuleeren. Bij " toeval kregen wij een daarvan te zien. Het blaadje heet gedrukt te worden m op de drukkerij van La Opinion Nacional, het bekende dagblad van » Caracas. De namen van twee redacteurs van dit blad staan aan het hoofd " van het schotschrift vermeld, en wel die van den eenen als redacteur m en die van den anderen als verantwoordelijk uitgever daarvan. » Spotternijen, beleedigingen, hoon. lasteringen aan het adres van het * Hoofd van het wettig Bestuur van Venezuela en ophemeling en rechtvaar - » diging van den opstand tegen dat Bestuur, ziedaar schering en inslag van » hetpamphlet.dat, naar men wil. het droevig product is van de pen van « iemand, die grijs is geworden in de kunst van den eenen uit te schelden, » te verguizen en door het slijk te halen, en den anderen op te hemelen en v te aanbidden, al naar zijn eigen belang het vordert en medebrengt, en die » zich zelfs niet ontzien had van den grootsten dwingeland zijns vader - « lands een halfgod te maken, en in 't stof neèrgebogen diens voeten te " kussen. » — 17 — » Wellicht, chveepen wij, even als vele onzer landgenooten, met de vrij- » heden, die wij hier genieten en die wij ten zeerste waardeeren, maar tus- » schen vrijheid en losbandigheid is er een hemelsbreed verschil.: zoozeer als » de eerste te wenscheu en te schatten is, even zoozeer is de laatste af te » keuren, te verwerpen. En losbandigheid noemen wij het, wanneer men » iets drukt, met den naam van eene andere drukkerij daaronder geplaatst, » en bekende personen valschel ijk als voor den inhoud daarvan verantwoor- » delijk aanwijst. » Ter eere van de Curagaosche pers zij hier gezegd, dat, voor zooverre » bekend is, zij nimmer voor dezen tot zulke losbandigheden is overge- » slagen. » Nog eenige verschijnselen, op hetzelfde gebied, welke de aandacht ten « volle waard zijn. » Men heeft in deze dagen officieele stukken van de opstandelingen van » Coro gezien, welke heeten in Barquisimeto te zijn gedrukt, doch die » hier reeds in omloop waren vóór de dagteekening, die aan den voet daar- » van te.lezen stond. Men zou aan een drukfout gaan denken; maar 't is er » geen, want men heeft zelfs van die stukken gezien, ook al met latere » datums, die al de kenteekenen droegen, dat zij pas van de pers waren » gekomen. » Hoe men aan die stukken is gekomen, is moeilijk te zeggen; zooveel * is echter zeker dat er zelfs onder het twaalftal apostelen van den Zalig- » maker, één was, die den meester voor eenige zilverlingen verried. Homini » homo mendax. » Tot El Alacran terugkeerende, moeten wij, om er een einde aan te » maken, nog bijvoegen dat er zijn, die beweren dat de letters van dat » schotschrift veel gelijken op de versletene, waarmede El Imparcial ge- » drukt wordt. » In Venezuela houdt men El Imparcial voor het orgaan van den handelstand op Curacao; het blad zelf beweert dat te zijn, en men begrijpt dus welken nadeeligen invloed de uitvallen van dat blad onder de bestaande omstandigheden kan uitoefenen. De Civilisado heeft volkomen gelijk waar hij zegt dat de taal van een blad, als El Imparcial, en een onruststoker, zooals diens redacteur, niet in de kolonie mogen geduld worden. Het liet zich aanzien dat de schromelijke nalatigheid en de hoogst berispelijke toegevendheid der Curacaosche auto- riteiten ten opzichte der begunstigers van den opstand en — 18 — hun bezoldigd orgaan noodlottige gevolgen zouden hebben voor Curacao. In de Opinion National van 5 december 1874 werd in een ingezonden stuk onder den titel van « La Isla facciosa » (het muitzieke eiland) een strenge veroordeeling uitgesproken tegen de ingezetenen der kolonie die met de opstandelingen heulen, en tevens het nadeel geschetst dat daaruit voor de kolonie kon voortvloeien. Het officieus regeerings-orgaan maakte, in zijn nommer van 25 januari 1875, in een uit- voerig artikel onder het opschrift : « Comienza el castigo » (de kastijding begint) melding van het prij smaken van sche- pen en laakte daarbij ten sterkste het gedrag der Curacao- sche speculanten, meer bijzonder van meergenoemden Jesu- rum , die zich op zoo illoyale wijze aan eene bevriende mogendheid kon vergrijpen. Het Venezuelaansche blad zeide dat door het prij smaken van bedoelde schepen de eigenaar daarvan zijne welverdiende straf had bekomen en Vene- zuela, met het volle bewustzijn van zijn goed recht, strenge rekenschap zou weten te vragen aan de Nederlandsche natie, wegens de handelingen van eenigen der aan haar gezag onderworpen bewoners van Curacao waarvoor zij aanspra- kelijk is. Curacao, zoo sprak La Opinion National, moet die handlangers der revolutie vervloeken, en Nederland moet hen veroordeelen en behoort te zorgen dat aan de Repu- bliek van Venezuela de kosten vergoed worden van den oorlog, die de Curacaosche speculanten verwekt en aange- stookt hebben. Niet alleen de Opinion National maar ook andere Ve- nezuelaansche bladen, zoo als La Voz publica en de Tri- bitna lieten zich in denzelden geest uit en drongen mede aan op schadeloosstelling door de Nederlandsche Regeering. De President Guzman Blanco gaf dan ook, ten einde die — 19 — schadeloosstelling te vorderen, last aan zijne Ministers van Oorlog en Finantien nauwkeurig aanteekening te houden van al de kosten, die reeds tot onderdrukking van den opstand gemaakt waren, of nog zouden gemaakt worden. En nauwelijks was die opstand gedempt, of zie, daar ver- scheen in de Nederlandsche Staatscourant de tijding dat, blijkens een bericht van Zr. Ms. Consul-generaal en zaakge- lastigde te Caracas dd. 20 maart jl., de tolkantoren La Vela de Coro, in den Staat Falcon, en San Carlos (Maracaibo), in den Staat Zulia, bij besluiten van 16 en 17 dier maand voor den buitenlandschen handel, in- en uitvoer, als mede voor den doorvoerhandel naar Columbia zijn gesloten. Wat die maatregel voor Curacao beteekent, kan blijken uit hetgeen in de Civüisado van 24 maart 1875 geschreven werd, toen het gerucht zich verspreidde dat gemelde beslui- ten zouden genomen worden : « De handel en ook de scheepvaart van Curacao worden met een algehee- » len ondergang bedreigd. Men verneemt uit Venezuela dat het Bestuur dier » Republiek het voornemen koestert de havens van Maracaibo en La Vela » de Coro voor de buitenlandsche scheepvaart gesloten te verklaren. Alleen » aan de schepen, welke de Venezuelaansche vlag voeren, zou het vergund » zijn die havens als kustvaarders te bezoeken. Alvorens naar de plaats » hunner bestemming te vertrekken zouden zij evenwel naar Puerto Cabello » moeten gaan om daar uitteklaren. Het Bestuur houdt zich de bevoegdheid » voor om aan eenige schepen vergunning te verleenen om van die havens » direct naar Europa te vertrekken. Deze maatregel, die onzen handel en » scheepvaart den nekslag geeft, zou voor de verzekering van den vrede en » om den sluikhandel tegentegaan noodigzijn geacht. Ziehier nu wat eenige » onvoorzichtigen ons eiland op den hals hebben gehaald ! Aan den door- » voerhandel, waarvan Curacao steeds veel voordeelheeft getrokken, en » die jaarlijks aanzienlijke sommen in de koloniale kas deed vloeien, zal nu » een einde komen. De Curacaosche handel, die hoofdbron van ons bestaan, » zal langzaam kwijnen tot dat hij geheel zal ondergaan. Onze scheepvaart » te gronde gericht, want zij had slechts leven door de naburige Repu- » bliek! Verwikkelingen met Venezuela, die, men weet niet wat, tot uitkomst » zullen hebben ! Wij gelooven dat het meer dan tijd is, dat Nederland, om » in eene goede verstandhouding met Venezuela te leven, den handel in » oorlogsbehoeften en ammunitie verbood en op maatregelen bedacht zij » om voor het vervolg alles uit den weg te ruimen, wat zou kunnen strekken — 20 — » om de vriendschappelijke verhouding tusschen beide landen in gevaar te » brengen. » Op den 5 den mei daaraanvolgende opende president Guzman Blanco het congres der Republiek met een bood- schap, waarin o. a. deze zinsneden voorkomen, die de oor- zaak en de strekking zijner besluiten duidelijk aangeven : « In het buitenland deed de geest van smokkelarij aan eenige der Antil- » lische eilanden, wier inrichting zich leent dat zij van de benadeeling onzer » douane -inkomsten en ten koste van onzen eerlijken handel leven, en die » de snoode gewoonte hebben als hun meest opbrengende zaak voordeel te » doen met het vergieten van Venezuelaansch bloed-vijanden mijner regee- » ring ontstaan, die den sluikhandel niet duldt, noch ten koste van het »• vaderland tot de welvaart van den vreemde bijdraagt, noch zich laat wel- » gevallen dat de burgeroorlog in Venezuela de winst gevende koloniale » handel zij. » De Nederlandsche legatie heeft de onzijdigheid niet kunnen verkrijgen » van eenige Nederlandsche reclamanten, die op Curacao wonen, en, ter on- » misbaré bescherming van den vrede der Republieh, heb ik de uitkeering » gestaakt van de kosten, die hen betreffen. » De algemeen bekende en bewezen deelneming van een groot deel der » ingezetenen van Curacao in den opstand van october en de toelating » door de autoriteiten van het eiland van al de vijandelijke handelingen, » welke den vrede van Venezuela in gevaar brachten, hebben mij in de pijn- » lijke verplichting gesteld van de Nederlandsche Regeering eene schade- » loosstelling te 'vorderen, minstens ten bedrage van de kosten van den » oorlog. En daar ik van de billijkheid van de Regeering van Z. M. den » Koning der Nederlanden verwachten moet dat zij aan Venezuela recht zal » doen wedervaren, zijn onze betrekkingen voorals nog in goede termen. » Middelerwijl is het mij geraden voorgekomen het land tegen aanrandin- x gen van Curagao te vrijwaren, door middel van fiscale maatregelen, » welke den handel van het eiland met onze kusten verhinderen en ik hoop » daardoor niet alleen Venezuela van de aanraking van zulk een lastigen (1) » nabuur te bevrijden, maar ook den handel in het westelijk gedeelte van » ons Kustland te verbeteren en te bevorderen. » Om haar (de administratie van het leger) aan het congres overtelèggen » en van Nederland de oorlogskosten te kunnen vorderen, gelastte ik aan de (i) Sommige bladen, o. a. de ofificieuse Caraeaösche courant, hebben het Spaansch woord cruel vertaald door ivreed en er een uitroepingsteeken bijgevoegd, doch cruel beteekent ook in het fransch : fdcheux, in het nederduitsch .' lastig, in welke laatste beteekenis het hier moet worden opgevat. — 21 — " thesaurie van den openbaren dienst eene rekening te openen, waaruit de t> uitgaven zouden blijken, welke tot herstel van den vrede door de nationale m schatkist zijn gedaan, en met hetzelfde doel heb ik aan de Staten der Unie » de gewaarmerkte rekeningen verzocht van de kosten, die dezelfde oorlog » aan hunne schatkisten heeft veroorzaakt. Tot nu toe bedraagt eerstge- » melde rekening 1,700,000 Venezuelaho's, zijnde nog hangende de betalin- » gen door de agenten van de Compania de Cvedito op eenige ver van de « hoofdstad gelegen punten gedaan, en als nog niet begroot de waarde der » kleedingstukken, van de steenkolen, het kruit en lood, de gemaakte pa- » tronen en andere krijgsbehoeften, welke in de arsenalen aanwezig waren » en verbruikt zijn geworden bij het onderdrukken van den opstand, waar- »> van Curacao het bestendig arsenaal was en tegelijker tijd het hoofdkwartier H der leiders en onruststokers. » De verschijning van het Nederlandsen escader te La Guaira op den 8 sten maart bevorens heeft, naar men zegt, den maatregel van het sluiten cler havens verhaast, aange- zien die verschijning te voren werd geëxploiteerd door de Curacaosche speculanten, die het deden voorkomen alsof van de zijde onzer legermacht wraakoefening en vijandelijkheden jegens Venezuela zouden plaats hebben en zich openlijk op hunne goede verstandhouding met de autoriteiten van Curacao en de officieren van het escader lieten voorstaan. De marine officieren hadden namelijk de onvoorzichtigheid gehad de uitnoodigingen op partijen aantenemen, welke hun terstond bij hunne komst door de Curacaosche speculanten gedaan werden, blijkbaar met het doel om hen voor zich te winnen en ongunstig tegen Venezuela te stemmen. Gelijk alles, was ook dit naar Venezuela overgewaaid en ad notam genomen, zoo dat zijne regeering te La Guaira alles in gereedheid had gebracht om casu quo geweld met geweld te keer te gaan en zeker daarvan gebruik zoude hebben gemaakt, ware het niet dat de Nederlandsche zaakgelas- tigde zich aan boord van de Leeiaoa r rclen begeven, en gelijk naderhand werd vernomen, aan den kommandant van het schip hadde beduid dat alles langs den diplomatiekeu weg zou geregeld worden, 3 Door de Regeering van Venezuela is nu als gevolmachtigd minister en buitengewoon gezant naar Nederland afgevaar- digd de heer D r Jose M. Rojas, een rnan van uitstekende bekwaamheid, van groot e minzaamheid en wellevende vor- men, óók op letterkundig gebied in zijn land en daarbuiten allergunstigst bekend, — de spaansche academie te Madrid benoemde hem nog onlangs tot haar medelid — die, vergezeld van zijn secretaris den heer D r A. Parra Bolivar, sedert tal van jaren als Consul in een der voornaamste havenplaatsen van Frankrijk werkzaam en niet uitmuntende hoedanig- heden begaafd, — naar den Haag is gekomen om met de Nederlandsche Regeering, ter zake van een en ander te onderhandelen. Beiden zijn met de meest vredelievende gevoelens bezield en wenschen niets vuriger dan het geschil op eene billijke en voor hun land waardige wijze in der minne te regelen. Naar men verneemt, vorderen zij, namens hunne Regee- ring : 1° Schadeloosstelling voor de oorlogskosten ; 2° Verwijdering en vervanging van den Gouverneur van Curacao ; 3° Vervolging van de Curacaosche speculanten en van hun orgaan, alsmede uitzetting van den redacteur van El Imparcial ; 4° Verscherping der wetgeving, zoo deze niet voldoende zou zijn om de gepleegde handelingen der Curacaosche speculanten en van hun orgaan te treffen ; 5° Verbodsbepalingen omtrent den invoer en verkoop van buskruit en oorlogsbehoeften. Eerstgemelde vordering is volkomen op het internatio- naal recht gegrond. Immers, Bluntschli in zijn droit international codifié, traduit por Lardy \ zegt : « § 765, Le fait quun état neutre fournit ou laisse fournir a un des — 23 — » belligérants des armes ou du matériel de guerre constitue également une ». violation des devoirs des neutres. » En in notis •' « Si les envois ne sont adressés qu'a la même puissance [in casu uitslui- „ tend aan de muiters) on pourra en déduire 1'intention de venir en aide a celle-ci et présumer que la forme d'envois commerciaux a été choisie pour » déguiser cette intention. » § 766. L'état neutre est tenu de s'opposer autant que possible a 1'expé- » dition en grand darmes de guerre a lune des parties belligérantes, ces » envois pouvant, suivant les circonstances, constituer une violation des » devoirs imposés aux neutres. » En in notis ; « Expéditions en gros. Elles sont en général des subsides accordés a H 1'État auquel elles sont destïnées, et les neutres, s'ils veulent faire con- v stater qu'ils s'abstiennent de toute participation a la guerre, devront s'op- >» poser a lexpédition. * § 779. L'État sera coupable s'il a négligé grossièrement les devoirs que * sa neutralité lui impose, ou favorisó ceux qui violent cette neutralité. » En in notis : « S'il a favorisé cette violation dans 1'intention de nuire a 1'uu des belli- » gérants ou encore si on peut lui reprocher cCavoir grossièrement négligé „ ses devoirs en ne ïopposant pas aux manifestations hostiles orgdnisées »> sur Fon territoire. » « § 781. Lorsque la violation de la neutralité peut être imputée a 1'Etat „ neutre lui-mème, le belligérant dont les droits ont été lésés peut exiger des dédommagements et demander satisfaction. »• Deze beginselen vinden a fortiori hunne toepassing wan- neer, gelijk op Curacao, een koninklijk besluit (van 27 fe- bruari 1871, geampMeerd door dat van 24 februari 1872) bestaat, waarbij aan den Gouverneur der kolonie de bevoegd- heid is gegeven om den uitvoer van buskruit, ammunitie, vuur- en blanke wapenen en andere oorlogsbehoeften te ver- bieden. Het is nu bewezen, van algemeene bekendheid op Curacao, en nader ten volle bewijsbaar, zoo men maar be- hoorlijk wil onderzoeken, dat de Gouverneur in het onder- werpelijk geval eerst van zijne bevoegdheid gebruik heeft gemaakt, toen de opstandelingen te Coro door gansche scheepsladingen behoorlijk voorzien waren en nadat hij gedurende eene gansche week, onder zijne oogen, et in conspectu popidi veelvuldige uitvoeren van kruit en am- — 24 munitie had toegelaten. Lang na de afkondiging van het verbod hadden zelfs nog zoodanige uitvoeren plaats, zonder dat de autoriteiten, ofschoon zij daarvan niet onbewust konden zijn, zulks verhinderden. De gegrondheid der vordering tot schadeloosstelling kan dus niet in twijfel getrokken worden, De tweede vordering is mede allezins billijk en op weder- keerigheid gegrond. Toen in februari 1855 eene volksmui- terij te Coro ontstond en bij die gelegenheid eenige Israëlieten, nederlandsche onderdanen, mishandeld en van daar verdreven werden, heeft de Regeering van Venezuela, op aandringen van die van Nederland, niet alleen eene schadevergoeding van 100,000 pesos (200,000 gld. Ned.) uitgekeerd, maar bovendien den toenmaligen militairen kommandant, gene- raal J. C. Falcon, en den Gouverneur van Coro, K. Navarro, ontslagen, ofschoon, voornamelijk wat eerstgenoemde be- treft, hunne schuld aan de gepleegde geweldadigheden vol- strekt niet bewezen was. Zij is alzoo gerechtigd, na al het gebeurde, het ontslag te vorderen van den Gouverneur van Curacao. Het is zeer natuurlijk, ten volle verklaarbaar en gerecht- vaardigd, dat zij zich in het algemeen, gelijk zij gedaan heeft, door de sluiting harer havens, tegen clandestienen en onwettigen handel wenscht te vrijwaren en zich daartoe van de zijde van Curacao voor het vervolg niet genoeg be- veiligd acht zoo een ambtenaar aanblijft, die zoo grovelijk zijn plicht verzuimd heeft als de Gouverneur van Curacao. Zoo de tegenwoordige Gouverneur herroepen en vervan- gen werd door een waakzaam ambtenaar, die beter zijne verplichtingen in acht neemt en zonder aanzien van persoon te werk gaat, zou vrees voor gevaar van dien kant geweken zijn en meer gerustheid geboren worden voor Venezuela, wiens Regeering dientengevolge onmiddelijk de havens — 25 — loeder zoude openen. De omstandigheid dat na het ver- bod van den Gouverneur, nog uitvoeren van kruit en am- munitie hebben plaats gehad, dat de Curaoaosche specu- lanten en hun orgaan steeds ongemoeid worden gelaten en in hooge gunst bij hem staan, en eindelijk dat onlangs wederom op het eiland Curaeao pogingen zijn aangewend om in de naburige Republiek het vuur des opstands te stoken, wettigt volkomen het mistrouwen dat Venezuela in het toezicht en de waakzaamheid van dusdanigen landvoogd heeft, en maakt diens verwijdering niet alleen wenschelijk, maar volstrekt noodzakelijk. Zijne verwijdering zou overigens in den wensch liggen van bijna de gansche bevolking van het eiland, welks inge- zetenen zich bij honderden herhaaldelijk over dien hoogen ambtenaar beklaagd hebben. Eene Regeering zou met blindheid geslagen moeten zijn en « vive le Gouverneur, périsse la colonie » moeten roepen, die onder deze omstandigheden, één enkel man niet voorliet belang eener gansche kolonie opofferde, en niet gretig in den eisch van Venezuela toestemde, wetende dat zij daardoor de heropening der havens, het eenig middel van bestaan voor Curaeao, kan verkrijgen. Zij zou noch aan de eischen der courtoisie, noch aan hare verplichtingen van recipro- citeit voldoen, zoo zij niet op hare beurt, een ambtenaar herriep, over wien Venezuela zich met recht beklaagt en die nu laatstelijk door zijne houding en zijne gedragslijn alle aanspraak op verdere bescherming heeft verbeurd. En wanneer Venezuela ten derde vordert dat de Cura- gaosche speculanten en hun orgaan vervolgd — en de redacteur van El Imparcial uitgezet — zullen icorden, dan vordert zij slechts dat de Nederlandsche ambte- naren op Curaeao htm plicht zullen doen. Volgens art. 14 van het "Wetb. van strafvord. voor 26 — Curacao, is elke gestelde macht, elk openbaar ambtenaar, die in zijne bediening kennis bekomt van een misdrijf, gehouden daarvan dadelijk den ambtenaar van het O. M. bij het Hof of den Raad van justitie, binnen welks rechtsgebied het misdrijf begaan is, of waarin de beklaagde woont of mogt kunnen gevonden worden, bericht te geven of aan den- zelven ambtenaar al de bescheiden, processenverbaal en act en, die tot de zaak betrekkelijk zijn intezenden. De Procureur generaal en officier van justice zijn, inge- volge art. 19 van hetzelfde wetboek, ambtshalve belast met de nasporing en vervolging van alle misdrijven waarvan de de kennisneming behoort aan het Hof en den Raad van justitie. De taak der ambtenaren is derhalve bij de wet aange- wezen. De bovenaangehaalde artikelen 54, 55 en 323 laatste lid van het W. van strafr. en de koloniale verordening op de vreemdelingen wijzen verder, ten aanzien van de Cura- caosche speculanten, hun orgaan en diens redacteur, den te volgen weg aan. Art. 55 W. van strafr. is nu ongetwijfeld op bedoelde speculanten toepasselijk, nadat de president Guzman bij zijne boodschap uitdrukkelijk verklaard heeft, uit hoofde hunner handelingen, de sluiting der havens bevolen te hebben. En, indien men al aanneemt dat voor de vervolging van hoon en laster eene klachte der beleedigde partij vereischt wordt en artikel 21 van het Wetb. van strafvord. zoodanige klachte onnoodig makende wanneer het laster of hoon jegens openbare gestelde machten geldt, niet tevens daar onder vreemde autoriteiten zou hebben bedoeld, dan kunnen de Curacaosche ambtenaren in geen geval hunne nalatigheid in de vervolging van El Imparcial langer goed maken, nu er eene klachte van wege de Regeëring van Venezuela is inge- diend. Niets belet in ieder geval den redacteur van gemeld blad — 27 — uittezetten, en daartoe bestaat meer dan ooit de volstrekte noodzakelijkheid, aangezien hij aangemoedigd en gesterkt door de hooge gunst, waarin hij staat bij den Gouverneur, hoe langer hoe stouter wordt, zich niet meer ontziet om op de vuilaardigste wijze het wettig gezag van Venezuela aan- teranden en door dezelfde drukkerij, waar zijn blad ver- schijnt, allerlei oproerige en lasterlijke geschriften van ontevredenen en in hunne eer en heerschzucht te leur gestelde uitgewekenen van Venezuela, openbaar te maken en te verspreiden. Zoo heeft b. v. de Venezuelaansche generaal Colina — een der hoofden van den opstand, die naar Curacao uitgeweken j s? — een manifest in den vorm eener brochure uitgegeven, waarin het niet aan liefelijkheden aan het adres van het Venezuelaansch Bestuur ontbreekt, en die, ter Handels- drukkerij gedrukt, aan de lezers van El Imparcial koste- loos is rondgedeeld. Een ander hoofd van den jongsten opstand, de generaal J. R. Riera maakte, door middel van de pers van El Imparcial een schrijven aan den President Guzman openbaar, waarin hij o. a. zegt : « En daar gij (niemand anders dan de President van Venezuela) door uwe » gestadige schelmerijen het grootste gedeelte der huisgezinnen in armoede „ hebt gedompeld, hebt gij het dienstig geacht bij uwe dwingelandij het » politieke mercanti lismus te voegen, als zijnde de twee elementen, die uwe » gehate macht moeten ondersteunen. » Als dat alles strafloos kan geschieden, — als de hande- lingen der Curacaosche speculanten niet onder het bereik der strafwet vallen, wat echter nog door eene behoorlijke instructie en daarop te volgen rechterlijk gewijsde zou moeten worden uitgemaakt — als het op Curacao aan vreemdelingen geoorloofd is te schrijven wat zij in hun eigen land niet zou- den durven zeggen, dan is het niet alleen ter bewaring van de goede verstandhouding met Venezuela maar in het belang — 28 — van Curaeao zelf en tot handhaving der inwendige rust aldaar allerwenschelijksfc, dat de bestaande strafwet herzien en verscherpt worde. De Regeering van Venezuela doet geen onbillijken eisch wanneer zij in dat geval de herziening der strafwetge- ving vordert, maar geeft daardoor slechts een maatregel, een norma agendi aan, in het welbegrepen belang van Nederland en zijne kolonie zeiven voorgeschreven, waardoor alle moeielijkheden voor het vervolg zouden worden voor- komen. Zoo billijk als die eisch is, even geraden moet het beschouwd worden andere maatregelen dan de tot dusverre bestaande te nemen, ten einde de onruststokers op Curaeao, die ten koste van het bloed hunner naburen speculeeren, in de onmogelijkheid te stellen door delevering van groote hoeveel- heden kruit en ammunitie burgeroorlogen in Venezuela te verwekken en daaraan voedsel te geven. Aanvankelijk werd door het departement van koloniën in Nederland een ko- ninklijk besluit uitgelokt, waarbij aan den gouverneur van Curaeao de bevoegdheid werd gegeven den uitvoer van kruit en ammunitie te verbieden. Al wat echter uit dat depar- tement met betrekking tot de West voortkomt en de wijze waarop uit het moederland ten aanzien der bezittingen aldaar gehandeld wordt, zijn van dien aard dat men gerechtigd is met Johan, Suriname en de Surinaamsche quaestie, te vragen : « Is het waar dat de kolonie geregeerd wordt van uit een der bureaux van » het ministerie van koloniën, de Gouverneur feitelijk onder een referendaris » staat, en de minister, die van zooveel verzuim in West-Indie de schuld » draagt, een onschuldig tusschenpersoon is tusschen een bureauchef en den » Gouverneur? » Het besluit op den invoer was wederom, gelijk alle stuk- ken van die bureaux uitgaande, zonder nadenken, met slor- — 29 — digheid opgemaakt, en op de 'aanmerking uit Curacao moest er een nader besluit tot ampliatie van het eerste genomen worden, omdat men vergeten had hierbij voorziening te nemen tegen de poging tot uitvoer, die volgens art. 3 van het Cur. Wetb. van strafr. in zake van wanbedrijf of over- treding alleen strafbaar is wanneer dit uitdrukkelijk is bepaald. En hier mede was, gelijk ook uit Curacao werd opge- merkt, nog geen afdoende maatregel genomen om het aldaar bestaande kwaad te keer te gaan. Niet de uitvoer, maar de mvoer en verkoop van kruit en oorlogsbehoeften, anders dan van staatswege, moeten volstrekt verboden worden en voor de ingezetenen moeten slechts kleine hoeveelheden buskruit en wapenen voor huiselijk of persoonlijk gebruik verkrijgbaar zijn. Daardoor wordt het toezicht gemakke- lijker en kan alleen op doeltreffende wijze worden tegen- gegaan dat men uit Curacao genoegzame hulpmiddelen van dien aard aan de muiters in de naburige Republiek verleene. Men drijft uit Nederland vaak den spot met de Zuid Ameri- kaansche Republieken, maar zijne Regeering kan nog veel daarvan leeren. De President van San Domingo heeft de zaak beter begrepen dan de Heeren van het plein in Den Haag en bij decreet van 10 november 1874 een verbod op den invoer uitgevaardigd, waarvan alleen jachtgeweren, revolvers en jachtkruit zijn uitgezonderd. Een ieder, die overtuigd wordt, eenigen voorraad oorlogs- wapenen in zijn bezit te hebben, of die verboden wapenen verkoopt, wordt veroordeeld tot de verbeurdverklaring dier wapenen en tot eene gevangenisstraf, die van drie maanden tot twee jaren zal duren. Eene der overwegingen, die het decreet voorafgaan, luidt als volgt : * Overwegende dat de uitvoer van genoemde wapenen de oorzaak kan 4 — 30 — »> zijn van misbruiken, door onder den schijn van wettigheid schadelijke »» handelingen tegen bevriende natiën te dekken, enz., enz. » Dusdanige maatregel zou destemeer aantebevelen zijn voor Curacao aangezien men daar geen kruit, lood en wape- nen ter zelfverdediging of tot het afkeeren van nachtelijke aanvallen van misdadigers noodig heeft, en op de kale rots geen wild te vinden is en dus niet te jagen valt. Uit al het voorgaande blijkt dat het niet moeielijk is aante- toonen wat der Regeering van Nederland in .de gegeven omstandigheden te doen staat. Het is ontwijfelbaar zeker dat men van Curacao kan zeggen : « There is something rotten in the state. » Als de autoriteiten van Curacao gehandeld hadden zoo als het behoort en niet met de schuldigen onder een deken lagen, dan zouden er geene moeielijkheden met Venezuela ontstaan en uit den weg te ruimen zijn. De Nederlandsche Regeering beginne eens den stier bij de horens te pakken en onbekwame oneerlijke ambtenaren zonder aanzien van persoon te ontslaan. Geen schipperen en laveeren meer, geen halve maatre- gelen; maar de bijl aan den wortel gelegd en de heilzame invloed daarvan zal zich spoedig doen gevoelen. Zal evenwel de Regeering doen wat zij doen moet ? That is the question. Nederlandsche Regeeringen handelen in den regel in koloniale zaken zooals verstandige Regeerin- gen niet zouden handelen, of zooals Regeeringen zouden doen, die in verlegenheid zijn en zich niet weten te red- den. Mis au pied du mur pour la suppression dun obus, zegt een schrijver, les gouvernements consultent iïabord ceux qui en profitent et qui en jouissent. In Nederland bepaalt men zich zelf daartoe uitsluitend. Er is geen beter middel dan om niet ingelicht te worden of niets dan leugen — 31 — en onwaarheid te vernemen en zich valschelijk te laten be- richten. Volgens eene correspondentie uit Den Haag, aan de Gaceta international toegezonden, zou het der Regeering te doen zijn de zaak op de lange baan te schuiven en door langdurige onderhandelingen en ijdele beloften om op hare manier enquêtes intestellen de Venezuelaansche gezanten aftemat- ten. Hoewel antecedenten van dien aard de bewering van den Haagschen correspondent aannemelijk maken, is het toch niet wel te geloven dat de Regeering in dit bijzonder geval zou willen dralen en talmen, aangezien zij daardoor hare eigen kolonie het meest zou plagen en totaal te gronde zou richten. Zoowel het belang van Nederland, als dat der ko- lonie, vordert dringend dat zoo spoedig mogelijk door bil- lijke concessien pogingen aangewend worden om de herope- ning der Venezuelaansche havens te verkrijgen. Indien wij wel ingelicht zijn, dan zou de Minister van Buitenlandsche zaken in eene uitvoerige nota beschuldigin- gen tegenover beschuldigingen gesteld hebben. De bemanning van het aangehouden schip de Miclas zou te Caracas ernstige mishandelingen ondervonden hebben. Dat een schandblad, gelijk El Imparcial, dergelijke el- lendige beschuldigingen te berde brengt, laat zich begrijpen, maar dat een Minister zich in een officieel stuk de echo van zoodanige beschuldigingen zoude maken is nauwelijks denk- baar. Die beschuldigingen zijn niets anders dan louter verzin- sels en lasterlijke aantijgingen der Curacaosche speculanten, die eenige personen der bemanning opgestookt en met klin- kende argumenten hebben overgehaald om zich bij de Tweede Kamer der Staten Generaal in Nederland te bekla- gen. Het is een stroohalm, waaraan de begunstigers van den opstand zich vastklampen nu zij hun w^erk van schan- ■ — 32 — delijken roof niet hebben kunnen voltooien en hunne hoop op woekerwinsten ten koste van stroomen bloeds in eene naburige republiek hebben zien verijdelen. De Regeering van Venezuela heeft reeds met verontwaar- diging die valsche beschuldigingen van zich afgeworpen en aangetoond dat de bemanning van de Midas niet het minste letsel heeft bekomen, maar integendeel met menschlievend- heid is behandeld, en het laat zich aanzien dat de Venezue- laansche gezanten op nieuw een warm en krachtig protest daartegen zullen aanteekenen of het misschien beneden zich zullen achten daarop te antwoorden. De Minister had het van zijnen kant beneden zijne waar- digheid moeten beschouwen om met beschuldigingen voor den dag te komen, die, zoo zij even op waarheid gegrond waren als zij nu verzonnen, uit de lucht gegrepen en valsch zijn, in geen geval, noch de misdadige handelingen der Curacaosche speculanten ongedaan of goed zouden kunnen maken, noch de vorderingen van Venezuela met een middel van niet ontvankelijkheid of ongegrondheid zouden kunnen doen afwijzen. Maar hij schijnt zich daarbij niet te bepalen en allereerst de teruggave van de Midas en de heropening der havens te willen, alvorens ineen onderzoek der door de wederpartij gedane vorderingen te treden. Zonderlinge, ongerijmde en onmogelijke eisch voorwaar, waarin de Regee- ring van Venezuela, in het volle begrip harer waardigheid, nimmer kan en zal toestemmen ! Men verbeelde zich eens een gedaagde, die, tot schade- vergoeding voor den rechter aangesproken, aan den eischer zou zeggen : « Beken eerst uwe schuld en dan zal ik zien of ik U wat kan geven! » De man, die zich zoo bespottelijk aanstelde, zou hartelijk uitgelachen en wandelen gestuurd worden. Een Minister, die op de vorderingen der Venezuelaansche — 33 — Regeering eerst de erkenning van deze verlangt dat zij ongelijk heeft, wederrechtelijk de Midas heeft aangehouden en moet beginnen die terugtegeven en hare havens te lier- openen, loopt gevaar op gelijke wijze bejegend te worden en kan verwachten met verontwaardiging zijn ongerijmd voor- stel van de hand te zien wijzen. Daarenboven doet hij, met de teruggave van bedoeld schip en de heropening der havens, aan de Venezuelaansche Regeering een eisch, waaraan zij onmogelijk kan vol- doen. De Midas toch is bij vonnis door het Hoogste Rechterlijk College in Venezuela voor goeden prijs verklaard. Res judicata pro veritate habetur. De Regeering van het land is niet bij machte het als niet gewezen te beschouwen en op eigen houtje de teruggave van het verbeurd verklaarde schip te bevelen. Waaruit put de Minister voldoende grond dat het vonnis niet goed gewezen is? Wie geeft hem het recht om -op de beslissingen der rechterlijke macht in een vreemd land inbreuk te maken? Het zou zich nog laten verklaren zoo hij, zich niet veree- nigende met de motieven van het rechterlijk gewijsde, op herziening van het vonnis, nadere overweging en beoordee- ling dier motieven door derden aandrong, maar onvoorwaar- delijke teruggave te eischen van een wettig verbeurd ver- klaard schip, zonder herziening van het vonnis en zonder zich te bekreunen om eene rechterlijke beslissing, dat gaat alles te boven en kan door geen redelijk mensch ingewilligd worden. Even onmogelijk is het om zoo, maar terstond, de havens weder te openen. De sluiting der havens is door het Venezuelaansch Con- gres bij toet bekrachtigd. De uitvoerende macht is onbe- — 34 — voegd aan die wet te kort te doen, of haar op eigen gezag intetrekken of opteheffen. De maatregel is overigens algemeen, voor alle landen, een maatregel van zelf/bewaring, van levens behoud voor geheel een volk en om het meer bijzonder te vrijwaren tegen Curacao, waar op nieuw revolutieplannen gesmeed en op het getouw gezet worden. Eerst moet de Nederlandsche Regeering de uitvoering dier plannen onmogelijk maken, alvorens door de bevoegde macht van Venezuela in de heropening der havens kan worden bewilligd. Het is niet te verwachten dat deze, name- lijk de Kamer van Afgevaardigden en de Senaat in dat land, daartoe te bewegen zullen zijn, zoo althans de Neder- landsche Regeering niet de eerste stappen doet om misda- dige pogingen van de zijde van Curacao te voorkomen en aldaar geen schoon schip maakt en geen waakzamer en onpartijdiger ambtenaren aanstelt. Zulks hangt af van de uitvoerende macht in Nederland, maar het zou een niet gerechtvaardigd en onwettig inmen- gen zijn in vreemde huishouding zoo zij, zonder eenige voor- afgaande compensatie of verzekeringsmaatregel tegen de aanvallen van Curacao, terugkomen op rechterlijke gewijs- den bleef verlangen en van de wetgevende macht in Vene- zuela eischte dat zij, bij ontstentenis van zoodanigen verze- keringsmaatregel van de zijde der Nederlandsche Regeering, eene wet introk, in den kring harer bevoegdheid op eigen grondgebied uitgevaardigd. Intrekking dier wet, wij herhalen het, zou Venezuela aan de grootste binnenlandsche gevaren, aan eene nieuwe revolutie met al hare ellende blootstellen, de waardigheid der Regee- ring beneden nul brengen en kan niet dan tegen degelijke waarborgen ingewilligd worden. De Nederlandsche Regeering zoekt het met hare koloniën — 35 — inderdaad altijd waar zij het niet vinden en verkrijgen kan. Zij versmaadt doorgaans het middel dat voor de hand ligt of maakt daarvan geen gebruik om dingen te doen, die of de kolonie of naburige landen in het harnas jagen, of wel om onmogelijke eischen te stellen en een doel natejagen dat zij niet bereiken kan. In casu is de weg dien zij te volgen heeft, van zelf aange- wezen om de moeielijkheden zonder al te groote opoffering op eenvoudige wijze in der minne te regelen en toch slaat zij een anderen en juist den verkeerden weg in. Men spreekt er zelfs van dat zij voornemens zou zijn een nieuw escader op Venezuela aftezenden , ten einde de door haar gedane eischen te ondersteunen en bij niet inwilling voor 1 october a. s. de vijandelijkheden met de Republiek te openen. Dusdanige onderneming zou niet alleen in strijd zijn met de onlangs aangenomen motie van cle heeren Bredius en van Eek, leden der Tweede Kamer in Nederland, waarbij arbitrage wordt aanbevolen, maar zou wel de dolzinnigste handeling kunnen genoemd worden, die te bedenken is. Daardoor zou een vredebreuk tusschen de beide landen ont- staan, die voor Nederland en zijne kolonie de ernstigste gevolgen zou hebben. Is het geraden vijandelijkheden te beginnen tegenover eene natie, met welke wij het grootste belang hebben in goede verstandhouding te leven? Zal Nederland, behalve den oorlog dien zij heeft in cle Oost, nog een tweeden gaan voeren in de West ? Kan het daartoe voldoende in staat geacht worden en zal het, bij de sterke zeemacht, die bij voortduring in de Oost Indische bezittingen moet blijven, een genoegzaam getal schepen beschikbaar hebben om met vrucht tegen een uitge- breid land met zijne uitgestrekte kusten en talrijke havens te opereeren ? — 36 — Men overschatte zich zelven niet en telle de wederpartij niet te licht, want Venezuela is behoorlijk gewapend, heeft kustbatterijen opgericht en zal stellig krachtigen weerstand bieden. Blijkens de nu laatstelijk ontvangen tijdingen hebben de Kamer van Afgevaardigden en de Senaat in Venezuela nog onlangs, te weten den 19 den juni 11., een voorstel van den President Guzman aangenomen, waarbij aan de uitvoerende macht een crediet van 400,000 Venezuelanos (ongeveer 960,000 Ned.) wordt verleend tot herstel der versterkings- werken der Republiek, tot aanschaffing van de benoodigde nieuwerwetsche stukken geschut en voorziening der parken en arsenalen met de tegenwoordig in gebruik zijnde infan- terie- wapenen. Venezuela is dus ten strijde uitgerust en kan eene Nederlandsche vloot gerust afwachten. Het bezit daarenboven een moedig, dapper en onverschrokken volk, dat het machtige Spanje heeft weten te overwinnen en zich door zijne energie, van dat land onafhankelijk te maken, zoodat het niet te verwachten is dat het voor Nederland zal onderdoen of voor eenige zijner schepen beducht zal zijn. Maar behalve dit, heeft het nog andere hulpmiddelen om strijd te kunnen voeren en zijn aanvaller een gevoelig en in de gevolgen onberekenbaar nadeel toetebrengen. Gelijk men weet, hebben de mogendheden van Europa op het Congres van Parijs in 1856 eene overeenkomst gesloten, waarbij de kaapvaart is afgeschaft. Deze overeenkomst, aanvankelijk door de vijf groote mogendheden van Europa, Oostenrijk, Frankrijk, Groot Brittannie, Pruissen en Rusland, en daarenboven door Sar- dinië en Turkije geteekend, werd later door alle Staten van Europa en eenigen van Amerika bekrachtigd. Venezuela is echter evenmin daaraan toegetreden als de Vereenigde Staten van Amerika en het zal dus, gelijk de Zuidelijken aldaar — 37 — tijdens den oorlog van 18G1 gedaan hebben, terstond kaper- brieven uitreiken zoodra het met vijandelijkheden van de zijde van Nederland bedreigd wordt. Protesten van den kant der vreemdelingen die de kuststreken bewonen, zouden dientengevolge oprijzen, en wanneer Nederland de dwaas- heid beging om de havenplaatsen van Venezuela te laten beschieten, die door een groot aantal vreemdelingen, Span- jaarden, Franschen, maar vooral Duitschers bewoond wor- den, dan zou het zich reclames van verschillende mogend- heden op den hals halen, inzonderheid van de zijde van Duitschland, dat misschien gaarne een voorwendsel zou hebben om Curacao te annexeeren, waarop het reeds vroeger begeerige blikken sloeg en hetwelk in 1872 niet zonder reden door eene aanzienlijke Duitsche vloot werd bezocht. Nederland zou zelfs zijn eigen onderdanen en kolonisten van Curacao afkomstig, die zich in menigte in de bedoelde haven- plaatsen neergezet hebben vernielen, zoo het deze beschoot en ze bij de minste vijandelijkheid helpen verjagen, want het is natuurlijk dat Venezuela hun terstond het verblijf zou ontzeggen, zoo zij niet uit eigen beweging heengingen, en geene Nederlandsche zaakgelastigden of consuls meer op zijn grondgebied zou dulden. Hetuittezenden escader zou overigens groot moeten wezen om de Venezuelaansche havens behoorlijk te kunnen bezet- ten en zijn bemanning zou niet tegen het klimaat bestand zijn en spoedig met doodelijke ziekten, zoo als de geele koorts (gevaarlijker voor Europeanen dan de cholera), te kampen hebben. Bij dat alles heeft Venezuela het in zijne macht de ko- lonie Curacao verder te vernietigen en geheel te gronde te richten door den toegang tot zijn land nog meer te versper- ren en voor de Curacaonaars geheel aftesluiten en te ver- bieden, of wel den uitvoer van zoogenaamde fruto minor 5 — 38 (kleine vruchten) te beletten, waardoor Curacao zou uit- hongeren. Dat trouwens de Venezuelaansche Regeering op nadere maatregelen bedacht is, zoo die van Nederland geene con- cessien doet of harerzijds voorzorgsmaatregelen neemt tegen ongeoorloofden handel op Curacao, blijkt uit de volgende woorden van de jongste boodschap van den Pre- sident : « Sedert jaren te voren lijden onze staatkunde en onze financiën merkbare m schade, naar aanleiding van den smokkelhandel van eenige der Antiiische » eilanden, en van de wreede hebzucht, waarmede zij, om op rassche wijze f in 't bezit van rijkdommen te geraken, er naar streven Venezuela voortdu- *» rend in burgeroorlog te houden. » Verkieslijk boven al het gedane, zou het echter zijn dat door het Con- » gres eene wet gemaakt wiërd waarbij diflerentieele rechten worden vast- » gesteld voor de koopmanswaren die niet rechtstreeks uit de havens van » Europa of van de Vereenigde Staten komen, doch aangezien zulks een » beslissende maatregel is. geloof ik dat het goed zal zijn dien voortebehou- » den voor het geval, dat Nederland weigert Venezuela de hosten te vergoeden <> van den laatsten oorlog, die, meer dan aaa iets anders, verschuldigd is » aan de onverantwoordelijke tusschenkomst van Curacao ; want als Neder- » land ons recht erkent, dan is het ontwijfelbaar dat wij al dadelijk een » traktaat van vriendschap, handel en scheepvaart met dat land zullen slui- » ten, waardoor onze fiscale belangen en de onthouding van het eiland van » alles wat den burgeroorlog zou kunnen bevorderen, verzekerd worden ; en » van dat oogenblik af, zou Venezuela geen reden hebben, om niet bij te » dragen tot de welvaart en den bloei der Nederlandsche kolonie. » Het zou onder deze omstandigheden eene roekelooze en onverantwoordelijke daad zijn der Regeering, Nederland in eene hoogst gevaarlijke zaak te steken, waarvan de uit- komst niet anders dan noodlottig kan zijn, zoowel voor het moederland als voor de kolonie. Zij onderwerpe liever, overeenkomstig den uitgedrukten wil der wetgevende macht, de vordering der schadever- goeding aan een arbitrage en geve op de overige punten toe, waardoor en Venezuela en Curacao zouden worden be- — 39 — vredigd en op dit eiland een gezonde toestand verkrijgbaar zoude zijn. Het kan in geen geval opgaan op den eisch van Venezuela met eene ongegronde, onmogelijke reconventioneele vorde- ring: te antwoorden en te willen dat vóóraf daaraan voldaan worde, om daarna over den eisch in conventie te onderhan- delen. Nog ongepaster zou het zijn zoo de Minister van Buiten- landsche Zaken in Nederland, gelijk gezegd wordt, in zijne notas aan de Venezuelaansche gezanten genoegzaam zou te kennen gegeven hebben : « Uwe memorie van grieven is te lijvig dan dat ik ze als nog heb kunnen » lezen ; zij is buitendien in het Spaansch geschreven en moet eerst vertaald » worden om ze voor mij verstaanbaar te maken ; doch begin maar te doen » wat ik verlang, dan zal ik mij met het onderzoek uwer grieven bezig » houden. » Dergelijke onheusche taal tegenover gezanten eener met ons bevriende mogendheid , die de meeste vredelievendheid en inschikkelijkheid betoonen, zou niet voorde diplomatiesche tact en de courtoisie van den steller der nota bewijzen ; en voor de eer van Nederland hopen wij daaromtrent verkeerd ingelicht te zijn of wel dat er misverstand of verkeerde opvatting ten aanzien van den zin en strekking der nota moge hebben plaats gehad. Wij hebben overigens eene getrouwe en nauwkeurige schets gegeven van de toedracht van zaken en wij laten thans aan de publieke opinie over te oordeelen, en aan de wetgevende Kamers om door hare tusschenkomst te zorgen dat in deze met verstand en wijs beleid worde te werk gegaan en geene verkeerde stappen gedaan of plannen ten uitvoer gebracht worden, die Nederland duur te staan zou- den kunnen komen. Amsterdam, Augustus 4875. 1875 AMIGO DE LAS ANTILLAS TYPOGRAPHIA BELGICA